Amsterdam, 10 Juli 1886.
Amice,
Wil mijn hartelijken dank aannemen voor je allervriendelijkst briefjen, dat ik eergisteren ontving.
Ik ben het wel niet geheel met je eens, dat degene, die vertrokken is van de twee nu juist volstrekt het eerst moet schrijven. Ofschoon ik zeer blij was met je missive, komt het mij niet voor, dat men het onder vrienden zoo naauw behoeft te nemen, en had ík ook wel het eerst je een woordtjen kunnen sturen, wanneer ik het niet bepaald zoo erg druk had gehad met het eindigen van mijn romannetjen (bescheidenheidshalve zeg ik ro-mannetjen) en andere joernalistische bezigheden. Ik hoop, dat je vader al veel beter gaat en dat je zelf ook in welvaren toeneemt door den invloed van gezonde lucht en kloosterlijke levensgewoonten.
Van Croiset heb ik gehoord,56 dat je daarginter niet bepaald overstelpt wordt door de ontzettend talloze afwisselingen van een koortsachtig leven, maar, in tegendeel, uur aan uur eenvoudig tegen een oud kerkje zit aan te kijken, en voords
een eindeloze hoeveelheid wandelingetjens en glaasjens bronwater delikateert. Nummer éen wordt er echter door gebaat en daar moet men iets voor over hebben.
Als ik mijn wandelingetjen ga doen, kijk ik dikwijls nog uit gewoonte met een schuinschen blik naar de vensters, N.Z. Voorburgwal 260, waar de welopgevoede roode gordijnen hangen, maar er zijn allerlei witte lakens of spreyen voor zichtbaar, en telkens zie ik, dat de bewoner nog niet is te-ruggekeerd.
Ik heb nu in geen heelen tijd het voorrecht gehad een partijtjen schaak aan je te verliezen of Schellingwoû of de Kruislaan of alleen ook maar de Damstraat met je te doorwandelen, of, om den wille van een paar zware schoenen, krijgertje met je te spelen om mijn tafel heen, zoo als op den bewusten Zaterdag vóor je vertrek. Maar ik vind pleizierig te denken, dat het niet zoo lang meer zal duren of daarvoor zal weêr gelegenheid zijn.
Wanneer denk je te-rug te komen?
Kun-je het vinden met de romans, die ik je heb mogen leenen, of leven jullie in oneenigheid?
Croiset heeft De Gouden Spin57 onlangs gezien; hij zegt, dat de heer, die de kommissaris van politie-rol vervult je wel zooveel mogelijk poogt na te doen, maar er weinig van te recht brengt en door verkeerd begrip tusschenbeide dwaze potsierlijkheden begaat.
Meêdoen58 heeft nogal suukses gehad, zoo als je waarschijnlijk uit de Hollandsche Couranten hebt gezien. Of krijgen jullie alleen den Opregten en staat het daar niet in? Partikuliere nieuwtjens uit de tooneelwaereld weet ik overigens niet, want ik ben in lang niet naar de Komedie geweest. Ik ga tegenwoordig om 9 u. 30 naar bed en sta om 5 u. 30 op, uit hygiëne. - Rössing59 schijnt weêr voor iemant een boek uit te geven, en voor het honorarium een Duitsch reisjen te maken. Althans mijn ouwe Heer kreeg van hem een briefkaart uit Frankfort. Ik heb mijn roman, die af is, aan den uitgever Brinkman60 (doorgehaald: onleesbaar) gestuurd (laat ik, op jouw manier hier ‘pardon’ voor deze doorhaling vragen), maar vrees wel, dat hij allerminzaamst voor de eer zal bedanken.
Dezer dagen61 ben ik bij v.d. Goes geweest, om hem mijn sympathie te betuigen ter gelegenheid der onaangename omstandigheden, waarin hij is en waarvan je gehoord zult hebben. Alle kranten zijn er vol van, en het geval62 is, in elk
opzicht, een schreeuwende reklame voor den Nieuwen Gids, meer waard dan hoeveel advertenties ook. Er zijn dan ook, naar ik hoor, al weêr nieuwe abonnés bijgekomen. Mijn bezoek bij v.d. G., waar ik het gantsche jeugdige Holland vond, heeft ten gevolge gehad, dat ik 's avonds van dien dag drie der Heeren63 plotseling op mijn kamer had: den dwazen Paap, den volstrekt anti-artistieken en geheel verschoolden van Deventer,64 den op 't oogenblik zeer goeden v.d. Goes zelven.
Na je de hand gedrukt en de hoop uitgesproken te hebben gaauw weêr leven achter de donkerroode gordijnen bovengenoemd, te mogen waarnemen, blijf ik
t.t.
Karel Alberdingk Thijm.