terug  begin  verderprepost

43

Villa des Chéras

Mont-lez-Houffalize87

Province du Luxembourg

Belgique.

7 Augustus 1887.

 

Waarde Amice Ising,

Dat ik U al reeds niet eerder na dat ik in het huwelijk getreden ben een lettertje heb geschreven is toe te schrijven aan de organisatie van mijn hart.

Vandaag gevoelde ik er plotseling grooten trek in. Daarom nam ik wat postpapier en inkt en begon U dezen brief toe te richten. Gij moet echter niet verwachten dat dit schrijven eenigszins amuzant of bezighoudend zal uitvallen, want alles wat ik aan grappigheid of onderhoudendheid bezeten mag hebben, is min of meer in mij vergroofd en beschimmeld, daar ik gestaakt heb het verkeeren in den kring van ontwikkelde en geestige jongelieden, wier omgang de beste mijner bescheiden gaven voedde, door wier gemis ik mij duidelijk voel verdorren in de schroeyende zon van zeer groot zeer alledaagsch geluk.

Ik heb eigelijk vóor heden geen oogenblik gehad, waarop ik mij eens op mijn gemak kon zetten om U voor te stellen mij te veroorloven eenigen tijd op het papier met U te kouten. Gedurende mijn kleine huwelijksreis natuurlijk niet, dát begrijpt ge wel, guit! Na mijn vestiging ook niet, daar ik eerst de drukten had van mij te gewennen aan een mij in alle opzichten geheel vreemd leven in gezelschap eener Luiksche logee,88 en daarna mij moest voorbereiden op de ontvangst mijner ouders, die hier eenigen tijd ten mijnent zijn komen doorbrengen.

Maar heden-middag laat een elk mij met rust daar allen ter oorzake van de warmte, die sinds ik hier woon nog nooit een aantal graden bereikte als vandaag, zelf de grootste rust zoeken. - Deze brief is eigelijk dienende om U te vragen, of gij op Uw reizen van dezen zomer ook niet weêr eens het Luxemburgsch Ourthedal denkt door te maken. In dat geval toch zoû ik mijne woning voor een Uwer haltes aanbevelen. Ik zoû alles doen wat in mijn vermogen is om U de uren hier

[p. 47]



illustratie

[p. 48]

zoo gezellig mogelijk te maken. Ik zoû U voorstellen aan of liever weder in aanraking brengen mét mijn vader, den ouden Jozef, een opgewekt en levenslustig dichter, ik zoû U prezenteeren aan mijne moeder,89 de dochter eener kolonel, officier van ziekte,90 ik bedoel van gezondheid, bij het Nederlandsch leger. Ik zoû U de kennis doen hernieuwen met mijn gade, een meisje uit den kleinen burgerstand, maar die ik om haar zedigheid en groote lieftalligheid (althands in mijn oogen) zoo heb leeren beminnen, dat ik haar ten huwelijk heb gevraagd, haar mijn leven heb willen wijden, en die zich nu al (althands in mijn oogen) zoo weet voor te doen en te gedragen, dat men, bijvoorbeeld een vreemdeling, niet zoû vermoeden, dat zij uit een anderen stand gesproten is als de menschen, naast wie zij tegenwoordig neêrzit op gelijksoortige stoelen, en die ik (het meisje in quaestie) hoe langer hoe meer leer liefhebben en zelfs bewonderen.

Ik zoû U, ten zij ge nu juist in de allereerste dagen kwaamt, want nu is hij er nog niet, in kennis brengen met mijn broeder Frank,91 een man van twee- en dertig jaar en van een bij uitstek goed voorkomen, die te New-York woont, maar nu tijdelijk in Europa is, zoo als ik U, geloof ik, vroeger al eens verteld heb. Ik zoû het ook wagen nu en dan eens fluisterend Uw aandacht te vestigen op Henri,92 een Vlaamsche knecht, die ons in het huishouden en in den moestuin helpt, en wiens vlugheid en verstandigheid U wel voldoen zouden. Ik zoû U ook ons katje laten zien, een allerliefst jong katje, die ons allen nu en dan vermaakt door zijn aardige kabriolen. Gij zoudt zien hoe vroolijk het toegaat en welke levendigheid er heerscht aan onze middag- en avondmalen.

 

7 September 1887.

 

Waarde Amice, ik heb geen tijd gehad dezen brief af te maken op den zelfden dag, die mij hem zag beginnen. Er is een maand over heengegaan. Al mijn gasten, waaronder ik ook, zoo als U misschien bekend zal zijn, onzen wederzijdschen amice F. van der Goes heb mogen tellen, zijn vertrokken. Ik ben weêr alleen met mijn vrouw, een meisje uit den kleinen burgerstand, maar die ik om haar groote lieftalligheid... Ik weet nog heel goed, waarop mijn brief van 7 Augustus had nêer moeten komen. Ik had U willen voeren door mijn moestuin en U daar dan, als ge al mijn vette ronde kooltjes zoudt zien staan, willen vragen, of gij niet dacht, dat ik nu zeer gelukkig was.

Hadt gij ja gezegd, dan hadt ge 't geraden. Vriend, vriend, ik gevoel mij zoo recht prettig, opgeruimd, in mijn nopjes, genoegelijk gestemd, in éen woord gelukkig. Ja ja, ik neem goed mijn natje en mijn droogje, gisteren nog is er ten

[p. 49]

mijnent een soort van jagersgastmaal geweest tot laat in den avond: allemaal eenvoudige maar lekkere spijzen, vettig en jeujig bespoeld door een fiksch glas wijn. Wat?!

Weet ge wat ook zoo prettig, ja even prettig als aangenaam is?, als ik zoo mijn dagboekig geschrijf van vroeger nog eens doorlees, dan zie ik daarin allerlei dingen waar ik geen jota meer van begrijp. Sensaties, impressies, observaties, en ik weet niet wat voor malligheden daar nog meer staan, die wel eindigen zouden met een mensch gek te maken. Ja, ja, amice, toen was ik ziek, zenuwziek, om dat ik een abnormaal leven leidde. Daar weet ik nu allemaal niets meer van.

Mijn gestel leeft nu geregeld en flink en ik gevoel mij door en door gezond en heb altijd ergen honger. Dezer dagen nam ik de ‘Minnebrieven’ van Multatuli nog eens ter hand. Jongen jongen dat's toch 'n mooi boek, hoor! Fijn sarkasme, wat ik je brom.93 Want die meent niet alles precies zoo als hij 't zegt, neen hoor. Je moet weten te onderscheiden.

Kernachtig, recht pittig, weet Multatuli te schrijven.

Toen Van der Goes wech was, voelde ik de zakken na van het jasje, dat hij, gedurende zijn verblijf hier, wel van mij heeft willen leenen. En ziet! Uit het kleine zakje van voren kwamen allemaal puntjes van cigaren, die hij werktuigelijk daarin verzameld had. Dat vond ik touchant. Wel Kerel, wat is er een wild van 't jaar, hè? De patrijzen loopen je hier ten minste 't onderste boven. En de reebokken komen aan je (doorgehaald: haar) snor knabbelen, als je niets kwaads vermoedend over den weg loopt.

Zie je, ik heb 't nu zoo ingericht, dat ik van de bovenvoorkamer, met het balkon, waar mijn broêr geslapen heeft, mijn werkkamer heb gemaakt. Van het ledikant heb ik een soort van groote rustbank gemaakt, met kleine tapijtjes en kanapee-kussens, zoo dat je niets meer van het ledikant kunt zien. Het waschgerei en zoo is allemaal van de kamer genomen. Een groote tafel, met bruin leder bekleed, is in 't midden van de kamer gezet. Mijn boeken zijn op het boekenrek. Die tafel met bruin leêr is mijn schrijftafel. Er is ook een kachel en een spiegel op die kamer. Want ik ga daar weêr aan 't werk, ook weêr eens een beetje aan de schrijverij, begrijp-je, ha ha! Ja, dat is maar gekheid, dat moet er toch ook een beetje bijkomen. Alles op zijn tijd, zoo als het spreekwoord zegt. De letterkunde, letterkundige schetsen en zoo, dat is altijd mijn liefste bezigheid geweest. Ik ben

[p. 50]

vroeger ook in de oude boeken geweest,94 en in de tooneelkritiek,95 maar ai ai ai, dat is allemaal voor mijn het ware niet. Letterstudie en beoefening van de litteraire kunst, dat moet het voor mij wezen. Zeg, wil ik je eens wat vertellen? In deze herfst, nu heusch waar hoor, in deze maand Oktober of November, komt mijn, ja zonder jokken, dezen keer heel zeker, komt mijn roman96 uit. Je herinnert je misschien wel, die roman, daar ik al zoo lang aan bezig ben. Mijn zuster,97 dat ook een bekwame auteur is, ik bedoel, dat een bekwame auteur is, heeft veel sukces gehad met haar laatsten roman: Een Koninklijke misdaad.98 Als ik maar voor de helft zooveel gekocht zal worden als zij, dan ben ik al te vreden. Alle respekt voor me zuster, maar ze kan anders, zoo in 't dagelijksche leven bedoel ik, infame dingen doen. Zoo heeft ze een brief geschreven, ik weet niet of ik je verteld heb van dien brief, nu dan, het was een brief, een brief, die. Neen baasje dan moet je vroeger opstaan, - ik herinner me heel goed, dat ik je alles over dien brief al haarfijn verteld heb. Toen ik nog in Amsterdam was, een saaye stad, dat Amsterdam, ik ben nu al drie maanden wech, allemaal met bruggen en zoo. Het was op je kamer, dat ik je verteld heb van dien brief, op je rooye rooye kamer. Ja maar eerst was ie toch nóg beter, toen de vorige menschen nog in het huis woonden. Toen was ie nog rooyer, donkerrood, zwaar zacht rood, glinsterend rood 's avonds, dof rood 's Zondags 's middags. Alleen jij in 't midden bruin. Ja, je mag zeggen wat je wil, we hebben daar toch wel eens aardig zitten praten, over zwarte menschen, die jij op mijn stoep had gezien, en over heel veel meer. Wij woonden wel pleizierig dicht bij mekaâr toen, ja, we woonden heel heel dicht bij mekaâr.

En we behandelden mekaâr met hoffelijkheid, dat moet gezegd worden. Eens op een avond heb je je ook van Mina afgemaakt om op mijn kamer te kunnen blijven.

Ik woû maar, dat ik een knecht had. Je moet je verbeelden, dat ik al met verscheidenen in onderhandeling ben geweest, sinds het vertrek van mijn laatste, maar ben er nog met geen-een tot klarigheid kunnen komen. Den meesten is het hier te eenzaam. Ja, ik zeg maar, je moet ook maar weten wat je begint.

Ik geloof, dat je dikwijls slaap kreeg, vriend, als ik zoo lang bleef zitten, maar dat maskeerde je uit beleefdheid.

Ik neem nu voorloopig menschen à la journée, zie-je, een werkster of een jongen, die bij de dag betaald wordt en 's avonds wech gaat. Ik ben nu ook met mijn

[p. 51]

vrouw alleen in huis. Buiten stormt het en wij hooren allerlei rare geluiden. Maar, je moet maar denken, alles neemt eens (doorgehaald: in) een keer in 't leven. Zoo gaat het altijd. Onder in de zak zit de rekening.

Het was toch erg gezellig tusschenbeide, daar in Amsterdam. Maar wandelen, dat ging niet met ons tweën. Wij zijn eens over Schellingwoû geweest, eens door het Vondelpark en eens door de Kruislaan. Ja ja, dat jongelingenleven!

En vertel ereis, wat is er voor nieuws? hè? Wat voor nieuws? Wat voor nieuws? Dat vraagt Calisch99 ook altijd. Die is me ook al een heelen tijd getrouwd. Maar met een meisje van zijn stand. Dat is heel wat anders! Die is in Amsterdam kunnen blijven wonen! En toch ben ik gelukkig met mijn vrouw, hoor, we kunnen het best samen vinden, ik zoû niets ongedaan willen maken van wat er gebeurd is. Ik heb haar lief gekregen om haar in mijn oog groote lieftalligheid...

Vriend Arnold, oude kameraad, ik merk dat ik in herhalingen verval. Dat is een teeken, dat het tijd is om te eindigen. Drink eens een glaasje op mijn gezondheid zoo als ik het op de jouwe doe. Ja, want ik zit hier niet op een drooggie, verre van daar, hoor! Neen, neen, laat mij maar loopen, hoor, ik heb altijd wel geweten wat ik deed. Mijn glaasje oude konjak staat bij me. En ik drink op je bestendig wel. Santjes! Daar ga je! Ik wensch je ik hoop voor je. Ik hoop maar éen ding alleen, dat tusschenbeide, zoo als bij mij, in zachte vlagen van herinnering, er kamers en stukken straat en hoeken van kroegzalen, voor je verbeelding heen komen, waarin wij elkaâr alleen hooren en elkaâr alleen zien. Dit hoop ik niet voor jouw, maar voor mij.

Ik woû dat Ramette maar te-rug was! Die akelige hond gaat altijd op jacht in 't bosch, als wij hem hier noodig hebben.

Nu, adieu, doe mijn groeten aan je neef, Arnold Croiset, een flinke kop, met toekomst,

 

t.t.

Karel Alb. Thijm.

87Over Thijm's periode te Mont-lez-Houffalize, zie Van Deyssel, Gedenkschriften, 356-379; M. Rutten, Op zoek naar Lodewijk van Deyssel te Mont-lez-Houffalize, in Spiegel der Letteren VII (1963-1964), 226-236; Harry G.M. Prick, Lodewijk Van Deyssel te Mont-lez-Houffalize, in Spiegel der Letteren IIX (1964-1965), 140-146.
88Eloïse Emilienne Rossignon-Liénard (1845-1925), toen woonachtig Place de la Cathédrale 1 te Luik, echtgenote van Lucien Rossignon, de eigenaar van de Villa des Chéras.
89Wilhelmina Anna Sophia Alberdingk Thijm-Kerst (1824-1894).
90Dr. Joannes Frederik Kerst (1800-1874), van 1824-1842 leraar aan de Utrechtse Kweekschool van officieren van gezondheid, van 1842-1858 directeur dezer school.
91Franciscus Lambertus Theodorus Alberdingk Thijm (1854-1925). Was het grootste deel van zijn leven, als koopman, woonachtig te New York. Publiceerde tussen 15 dec. 1878 en 26 aug. 1879 een twaalftal Amerikaansche Causerieën in het Algemeen Handelsblad. Zie Van Deyssel, Gedenkschriften, 159-177 en 687-690.
92Henri Drossaert zou in sept. 1887 zijn betrekking opzeggen.
93Vgl. ‘Hij (Multatuli) heeft me dikwijls kriegel gemaakt, want dat soort zoo in 't minst niet bon-homme, zoo zuur-burgerlijk sarkasme is tegen mijn aard, tegen mijn gezond gestel, het is net of 't voortkomt uit een duffe binnenkamer, van iemant die nooit in de zon loopt, van een genialen winkelbediende, van een wijsgeerigen kantoorklerk, het is de toon van iemant, die nu het verschrikkelijkste van wat er op de wereld gebeuren kan vindt, dat híj honger lijdt; en ik houd meer van iemant, die zwaar haat, die innig bemint; ik houd ook wel van ironie, ook wel van sarkasme, maar niet van dat eeuwigdurende sarkasme, van dat sarkasme, dat zich zelf van den ochtend tot den avond zoo sarkastiesch mogelijk tegengrijnst.’ (L. van Deyssel, Tweede bundel Verzamelde Opstellen, A'dam 1897, 166.)
94Van juni 1879 tot voorjaar 1882 was Thijm werkzaam in de afdeling antiquariaat van boekhandel C.L. van Langenhuysen, Singel 434, Amsterdam.
95Toneelkritiek werd door Thijm geleverd, sinds 1882, in de Dietsche Warande, in het weekblad (en sinds 1883 ook in het dagblad) De Amsterdammer, in De Portefeuille en in 1886 (onder pseudoniem H. de Canter) in De Kunstkroniek.
96Een Liefde.
97Catharina Alberdingk Thijm. BA
98Een Koninklijke Misdaad werd zeer ongunstig beoordeeld door Frederik van Eeden in De Nieuwe Gids III, I, 286.
99Salomon Martinus Calish (1847-1917), sinds 1872 medewerker aan het Algemeen Handelsblad.
prepostterug  begin  verder