terug  begin  verderprepost

93

Amsterdam 23 Juni 1890

 

Waarde Karel Thijm, ik vrees dat Gij U voorgenomen hebt om voortaan alleen litteraire - en zaken-brieven te schrijven of dat Gij nu de Stadsschouwburg toch verbrand is, niets meer van mij weten wilt. Beleefd hoop ik dat wij niet met de pen en evenmin met het hart geeindigd zullen hebben.

Om maar met de deur in huis te vallen, van avond ontmoette ik op den Heiligen-weg den Heer Cczzerrrffvvinscckkyy.210 Hij vroeg me of ik mijn ‘intimus’ van den Amsterdammer nog wel eens zag. Zijn naam was hij vergeten. Ik begreep natuurlijk dat hij Neef bedoelde en zei dat Neef gehuwd was. Hij had laatst een stukje van U in den Gids211 gelezen, maar hij wist niet meer hoe het heette en het boezemde hem belang in, hoe Gij mijn vriend den tijd doorbracht. Ik vertelde dat Gij zoowat zat te kijken. Hij is in een ‘heele mooie betrekking’ bij Gebr. Scheuer aan de Handelskade, zooiets van Cargadoor en had wel compagnon kunnen worden, wanneer hij op een zekeren dag ƒ50.000 bij zich had gehad. Ook vond hij het aangenamer om overdag iets om handen te hebben en 's avonds uit te gaan, dan zooals een paar zijner vrienden den dag en avond uit te gaan.

Mina is uit de Lange Leidsche Dwarsstraat verhuisd naar de Prinsengracht, hoek

[p. 120]

Spiegelgracht, waar de boomen (doorgehaald: tegen) in de schemering in elkaar gaan, met een buiten er achter. Wij komen er langs een kippenloop in, maar als wij boven zijn, hebben wij een reeks van vertrekken: een antichambre, een zitkamer en een slaapkamer - tevens keuken - heel geriefelijk!

Van Hemelvaartsdag af, goede Alberdingk heb ik geen leven gehad door een verzoek dat de Heer A.C. Wertheim tot mij richtte om zijn kinderen, neven en nichten te helpen met comédiespelen op een partij, die Prof. Stokvis gaf ter eere van zijn zilveren bruiloft. Ik moest des avonds bij allerlei vreemde menschen aanschellen voor de repetities en dan was het altijd erg vol met dames en heeren - spelende personen en belangstellenden. Ik zat mezelf te kietelen om toch iets te zeggen, want met een gevoel alsof ik met een boender op mijn kop geslagen werd, vond ik er voortdurend niets van. Gisteren avond oef oef!!! was die partij. De voorstelling duurde vier uur - gatlikkerijen van Stokvis en Wertheim vice versa. Er waren 101 nichten en neven, verschrikkelijke menschen. Nu en dan zei een dame of een heer ietwat neerbuigend - een woordje tegen mij en aan het slot kreeg ik een krans van den Heer A.C. Wertheim. Het was 't ergste wat ik ooit gezien heb. Iedere gast kreeg vijf gedrukte papieren, lieve amice - met aardigheden en ernstige gedichten, die gezegd en gezongen werden. Ook was er een tooneelstukje - het Spreekuur van den Professor, godverdomme. De zoon en de dochter zeiden op het Tooneel: ‘Dank, dank o dierbaar oudrenpaar en een aanstaande schoonzoon zei: ‘Vergun dat ik van gansche harte mijn schoonste liedje voor u zing - het rijmde op: “hoewel eerst kortelings opgenomen in Uwen kleinen kindren-kring”, en zoo ging het maar door, waarom vier uur en geen 9999 uren? Gelukkig zag ik onzen vriend Ietje212 Israels, en uit baloorigheid, verkozen wij geen dame uit te noodigen om te soupeeren. Wij kwamen aan een tafeltje van acht personen naast elkaar te recht bij drie verloofde paren. Toen werd het (bij Couturier) in goud met geel en de lange zaal, een toaster in het midden met het gerommedoes van stemmen en het getiktik van lepeltjes, alsof wij er met ons beiden in waren komen loopen - vreemden, en een parfum van vleesch.

In het comediezaaltje was een verhooging met een tuin er achter - zwart met gekleurde lampions. Rokken en witte overhemden en lichte kleedjes op die verhooging - mondain als de gezichten beter waren geweest. De menschen waren ook te klein. Na het souper werd er gedanst en om drie uur kneep ik uit. Mina was nog op. Ik dronk drie cognacjes om bij te komen en er waren lange rijen van schuiten met lichte groenten in den aankomenden dag-op het water. Het is prettig om in een rok t'huis te komen als het al (doorgehaald: licht) dag wordt.

In April ben ik twee dagen naar Parijs geweest om een leelijk stuk in het Chateau d'Eau te zien en een aardig blijspel: Feu Toupinel.213 Ik reed in den regen in een open fiacre door het Bois de Boulogne en kreeg toen ik terug was een rhumatische ongesteldheid van twaalf dagen in de Lange Leidsche Dwarsstraat. Die ongesteldheid moest er permitteer met zweeten uit en ik had het erg benauwd.

[p. 121]


illustratie
Piet P.J. Czerwinski

[p. 122]

(Vergeef mij al de vlekken, ik heb een nieuw fleschje inkt en daar wil het niet best mee).

Met de Pinksterdagen zag ik in het Th. Français: Une Famille214 - naar! en in het Gymnase: Paris fin de siècle - Leuk! Er kwam een donderbui, met den regen, die schuin langs het asphalt sloeg. De koetsier deed het dek van zijn paard om, zeggende: O, monsieur, c'est quelque chose d'avoir oublié son paletot’. Het was op de place de la Concorde.

Je hebt met Goes heel wat afgewandeld;215 hoe ging dat wandelen zoo samen, mijn vriend? Het kwam mij niet erg goed voor van jou uit gezien.

Met September beginnen wij in de Amstelstraat bij Van Lier te spelen. In de koffiekamer hebben wij elkaar voor het eerst ontmoet; toen beukten onze hooge hoeden zich. Voor mij is er in het gebouw geen plaats. Ik krijg een kamer boven een melkinrichting in de Amstelstraat over het kantoor van A.C.W. Makkelijk als hij weer een bruiloftsfeestje geeft.

Hoe gaat het u, mijn waarde, en uw vrouw en het knaapje? Wil ze vriendelijk van mij groeten. De vriendin van je vereerde zuster, Louise Stratenus216 heeft een stuk uit Brussel gezonden, uit het Fransch vertaald, maar het is niet heel mooi. Morgen gaan wij de Schager kermis eens bezoeken met de Tooneelspeler des Keizers217 en Fédora.218

Ontvang de eerbiedsbetuigingen mijner levensgezellin en geloof mij, steeds:

 

Geheel de Uwe

Arnold Ising Jr.

210P.P.J. Czerwinski. BA Piet P.J. Czerwinski (1862-1923) en diens jongere, in 1864 geboren broer Georges P.M. Czerwinski, heeft Thijm leren kennen in de jaren 1875-1878, toen hij en de gebroeders Czerwinski leerlingen waren van de kostschool Rolduc te Kerkrade. In latere jaren placht Thijm over de gebroeders te spreken als over ‘mijn vrienden, de Poolse edelen Czerwinski’. In De kleine republiek (1889) heeft Thijm Piet geportretteerd als Paul Poganoff en Georges als Gerard Poganoff. Piet treedt in dit boek op als ‘al tijd sprekend, altijd iets nieuws wetend, met een ratelende tong in het hoofd. Hij sprak weinig van zijn familie, vroeg ontwassen, levend met zijn gedachten in het plezier van met zijn vriendjes te wandelen door de straten van Leeuwarden, te zitten in de buiten-koffiehuizen, meisjes na te loopen, Zondags uitstapjes in de omtrek te maken. (...) Als hij niet van de streken vertelde, die zij bij hem in de stad hadden uitgevoerd en van hoe hij eens bij een oom in den Bosch had gelozjeerd en daar 's nachts de zoons van de liberalen de glazen gingen ingooyen van de societeit van de katholieken, of hij vertelde geen anekdoten, die hij niet alleen bij massaas van hooren-zeggen had opgezameld van allerlei scheurkalenders en uit allerlei vroolijke leesboeken, dan verzon hij grappige dingen’. In 1883 en 1884, toen Thijm het heroïesch-individualistische dandy-schap praktiseerde, vond hij in de te A'dam woonachtige Piet Czerwinski een geestdriftige adept. Piet had in het uitgaande leven de bijnaam van ‘de Pool’, wat Thijm op de gedachte bracht om zich in het uitgangsleven te bewegen onder de naam Louis Poleslas. Onder deze naam (hij liet hem zelfs aanbrengen op visitekaartjes) heeft hij ook meegewerkt aan het weekblad De Portefeuille.
211Moet zijn: De Nieuwe Gids.
212Zo werd Isaac Israëls door zijn vrienden genoemd.
213Feu Toupinel, van Alexandre Bisson.
214Une Famille, blijspel van Henri Lavedan, dat op 17 mei 1890 te Parijs in première ging.
215Van der Goes logeerde van 25 t/m 27 mei 1890 bij Thijm. Zie Van Deyssel, Gedenkschriften, 714-715.
216Louise A. Stratenus (1852-1908), schrijfster van o.m. de novelle Geluk (1884) en van Gedichten, Ochtendliederen gevolgd door Middagzangen (1887).
217De Tooneelspeler des Keizers, van Karl Wartenburg, uit het Duits vertaald door J.H. Rössing.
218Fédora, van Victorien Sardou.
prepostterug  begin  verder