terug  begin  verderprepost
[p. 12]


illustratie
Albert Verwey (1865-1937), zoals Jan Veth (1864-1925) hem in 1885 portretteerde

[p. 13]

2

74 Nassaukade3

15 Mei '86

 

Amice,

Ik had graag bij gelegenheid Wallis' Vorstengunst4 terug. Wil je me dat sturen als je het uit hebt?

 

tt

Albert Verwey

[p. 15]


illustratie
Titelblad van Albert Verwey's bundel ‘Persephone en andere gedichten’ (1885)

[p. 16]


illustratie
‘Mephistopheles Epicureus’, een reeks van vier sonnetten, opgedragen aan Karel Alberdingk Thijm en voor de eerste maal openbaar gemaakt in ‘Persephone en andere gedichten’, p. 60-63

[p. 17]


illustratie

[p. 18]


illustratie

[p. 19]


illustratie

3In de aan deze briefkaart voorafgaande periode (sinds 19 april 1884) laten zich de volgende contacten tussen Van Deyssel en Verwey traceren: in het avonduur van 17 december 1884 ten huize van Frank van der Goes, zie Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel en ‘Flanor’, in De Nieuwe Taalgids, dl. 75 (1962), p. 26-31, a.w., p. 29; in het avonduur van 25 december 1884 ten huize van de uitgever Hyman Binger, Vondelstraat 1, toen daar door Verwey, Van Eeden, Van der Goes, Van Deyssel, Kloos en Paap de oprichting van een tijdschrift ernstig besproken werd; ongeveer 1 oktober 1885 toen ten huize van Frank van der Goes, Prinsengracht 293 bij de Wester Markt, het ‘inaugureele souper van het tijdschrift De Nieuwe Gids’ plaatsvond: zie Gedenkschriften, p. 242-243, en Frans Erens, Vervlogen jaren, editie Harry G.M. Prick, Zwolle, 1958, p. 198 (voortaan: Vervlogen jaren); medio november 1885 toen Verwey aan Van Deyssel een exemplaar ter hand stelde van de toen te 's-Gravenhage bij A. Rössing uitgekomen en in zijn geheel aan Willem Kloos opgedragen bundel Persephone en andere gedichten, waarin (p. 60-63), onder de titel Mephistopheles Epicureus, een reeks van vier sonnetten werd opgedragen ‘aan Karel Alberdingk Thijm’, laatstelijk zonder deze opdracht herdrukt in Albert Verwey, Oorspronkelijk Dichtwerk. Eerste deel/1882-1914, Amsterdam/Santpoort, 1938, p. 24-26 (voortaan: Oorspr. Dichtwerk).
Op 29 januari 1886 valt voor de eerste maal de naam Verwey in Van Deyssels dagboek: ‘De Poëzie van Kloos, Verwey, enz. bestaat in het zeggen van de dingen, zoo als men zich ze graag denkt, maar het is de oppervlakkigheid van enkele fijne geesten. B.v. de regel: “Als alles wat heel ver is en heel schoon”, is de bleeke aanduiding van een banale abstraktie, zoo treffend juist en harmonisch mogelijk uitgedrukt. Wanneer men dat leest, denkt men: “zie hier nu eens glansrijk waar uitgedrukt, dat gene, wat ik-zelf al zoo dikwijls heel in 't vage heb gevoeld.” Maar dat gevoel is noch ongemeen, noch diep, noch fijn. Iedereen houd van “alles wat heel ver is en heel schoon”, al kan hij het zoo niet zeggen.
Tweede konsideratie hierover. Kloos heeft zelf gezegd, dat wanneer de regel luidde: “als alles wat zeer ver is en zeer schoon”, hij niets-beduidend zoû zijn. Nu, over tweehonderd jaar zal men het onderscheid tusschen heel en zeer in deze regel niet meer kunnen proeven. Dit pleit dus tegen de leer van den klank om den klank alleen. Want groote kunst is eeuwig. N.B. dit is weer een heel andere questie van klank, dan, dat iets zoo geschreven is, dat de hoofdklank b.v. den indruk maakt van zwart of bruin of blauw.’
Op 2 februari 1886 bracht Van Deyssel van zeven tot half elf de avond door ten huize van Van der Goes, en wel in het gezelschap van Kloos en Verwey. In dit geval blikte Van Deyssel, om redenen die hij niet vastlegde, terug op een bijzonder vervelende avond; in het avonduur van 4 februari 1886 brachten Van Eeden, Erens en Verwey de avond door op Van Deyssels kamer; op 8 februari 1886 las Van Deyssel te zijnent voor uit hoofdstuk I, II en XIII van Mathilde, zoals in manuscript de roman Een liefde toen nog heette. Voor Verwey's reactie op deze voorlezing, zie p. 4-5 van mijn ‘Nawoord bij de her-uitgave van de eerste druk’ van Een liefde, Amsterdam, 1974; op 15 februari 1886 brachten Arnold Ising, Verwey, Kloos en Van Eeden de avond tot twee uur 's nachts door bij Van Deyssel; op 17 februari 1886 trad Kloos, inmiddels woonachtig Govert Flinckstraat 81b, op als gastheer van Van Deyssel, Verwey en Van Eeden; op 24 februari 1886 typeerde Van Deyssel in zijn dagboek een veertiental bentgenoten. Verwey mocht de rij openen: ‘Verwey is een lieve jongen’ (voor de volledige dagboeknotitie: zie J. Meijer, Het levensverhaal van een vergetene/Willem Anthony Paap/1856-1923/Zeventiger onder de tachtigers, Amsterdam, 1959, p. 185 of Karel Reijnders, Couperus bij Van Dejssel/Een chronische konfrontatie in beschouwingen, brieven en notities, Amsterdam, 1968, p. 50); op 1 maart 1886 berichtte Van Deyssel aan Arnold Ising o.m. dat hij tegen Verwey het bezwaar had ‘dat ik hem exklusief en in alles verbazend jong vind.’ (De briefwisseling tussen Lodewijk van Deyssel en Arnold Ising Jr./1883-l904, editie Harry G.M. Prick, 's-Gravenhage, 1968, p. 30 (voortaan: Briefwisseling Van Deyssel/Ising)); op 28 april 1886 behoorde Verwey - met Aletrino, Van der Goes, Erens en Kloos - tot degenen die bedacht werden met een present-exemplaar van Van Deyssels Over literatuur, de bekende brochure contra Frans Netscher. Op 5 april 1886 had Van Deyssel schriftelijk Willem Kloos verlof gevraagd deze brochure aan hem te mogen opdragen. Onder het schrijven was Over literatuur ‘gegroeid tot een stuk taal, dat, hoe zwak het in vergelijking met anderer taal ook moge zijn, het beste is wat ík tot nu toe gemaakt heb, daar ben ik zeker van. En nu zoû ik het aardig vinden, dat aan W. Kloos, wien pas de beste bundel poëzie “dezer jaren” in den vorm van Verweys “Persephone” is gewijd, ook een stuk nogal goed proza werd “toegeëigend”. Daarom zoû ik je willen vragen mij toe te staan je mijn ontboezemingen à propos van Netscher te dediëeren’; geciteerd naar F. Jansonius, Lodewijk van Deyssel, Lochem z.j. [1954], p. 43.
Op 7 mei 1886, tenslotte, bedachten Willem Kloos en Albert Verwey Van Deyssel met een exemplaar van hun brochure De onbevoegdheid der Hollandsche Literaire Kritiek, W. Versluys, Amsterdam, 1886, nog dat zelfde jaar in tweede druk verschenen. De in 1980, in de reeks Amsterdamse Schotschriften, bij C.J. Aarts te Amsterdam verschenen derde druk, voorzien van een nawoord door Bernt Luger, is een reproductie naar het exemplaar uit het bezit van Lodewijk van Deyssel.
4Adèle Sophia Cornelia Opzoomer (1857-1925), publiceerde onder het pseudoniem A.S.C. Wallis in 1883 de historische roman Vorstengunst . In Nieuw Holland noemt Van Deyssel deze schrijfster ‘naar, bizonder naar, allernaarst, huiverig-naar. Zij vertegenwoordigt voor mij bij uitstek het koude, het doodsche, het als een lijkengezicht ernstige en onherroepelijk versteven element in de letterkunde. Na lezing van haar Vorstengunst of zoo voelde ik mij benauwd alsof ik een steen had ingeslikt’ (De scheldkritieken, editie Harry G.M. Prick, Amsterdam, 1980, p. 40 (voortaan: De scheldkritieken)). Dat voor Verwey de lectuur van Vorstengunst niet zonder betekenis is geweest, laat zich aflezen uit zijn brief aan Jac. van Looy, d.d. 19 november 1885, voor de eerste maal openbaar gemaakt door G.H. 's-Gravesande in het Supplement op diens De geschiedenis van De Nieuwe Gids, Arnhem, 1961, p. 73 (voortaan: Gesch. Nieuwe Gids). Overigens zou Van Deyssel in zijn onder de letters A.J. uitgegeven biografie van J.A. Alberdingk Thijm, Amsterdam, 1893, p. 345, schrijven over zijn vader, in gezelschap van een jeugdig vriendinnetje: ‘De groep, de oude man met de lange lokken en het jonge meisje, had iets als een antiek cachet, men dacht aan vroegere eeuwen, men dacht aan sommige episoden uit Wallis' Vorstengunst. Het algemeene antieke karakter van de groep, werd als 't ware aangenaam genuanceerd en verlicht door Thijm's nimmer falende galanterie.’
prepostterug  begin  verder