terug  begin  verderprepost

12

Mont,15 9 Oktober 1887

 

Amice,

Ik had van-morgen drie erge plezieren. Ten eerste kwam de brievenbesteller, een genot, dat zich dagelijks herhaalt;16 ten tweede bracht hij mij twee zendingen van jouw,17 een aangenaamheid, die ik niet zoo dikwijls ondervind; ten derde las ik in je stuk over het Kongres van Quack en mij,18 en dit streelde zeer mijn eigenliefde.

Behalve die drie plezieren had ik een genoegen van hoogere soort en van langeren duur door het lezen der verschillende bijdragen in proza en poëzie, die dit nummer van den Nieuwen Gids al weêr tot het jouwe maken.19

[p. 26]


illustratie
Aankondiging van het huwelijk van K.J.L. Alberdingk Thijm (1864-1952) met Cateau B. Horyaans (1864-1941)

[p. 27]


illustratie
Albert Verwey, ‘Bij een trouw-mis’

[p. 28]


illustratie
De Villa des Chéras te Mont-lez-Houffalize, door Lodewijk van Deyssel bewoond van eind juni 1887 tot april 1889. Foto Joseph Barthels

[p. 29]

Ik had juist een stukje over de rede van Quack geschreven en bestemd voor den Amsterdammer-Weekblad,20 hoewel ik niet weet of het opgenomen zal worden, en bij die gelegenheid denkend over het Kongres en hetgeen daar was gebeurd, dacht ik precies hetzelfde over het Woordenboek, wat jij er nu van schrijft.21 Waarmeê ik mij gelukwensch.

Je hebt vrij wat meer gedaan dan ik dezen zomer; had ik maar éen vel geschreven, zoo als jij er hier vijf hebt.

Maar zoo als de eenzaamheid, wanneer men eenmaal aan het werk is bij eenigen allerheilzaamst werkt, zoo vergrooft en verwekelijkt zij ook zoo lang men niet is begonnen, en wanneer men verstoken is van ambitie-prikkelende invloeden. Het eenige wat mij in den laatsten tijd nog aan de literatuur heeft vastgehouden is de tweemaandelijke ontvangst van jullie tijdschrift. Behalve in de uren dat ik den Nieuwen Gids lees, ben ik in een koeyerigen kauwerigen vettigen zieletoestand. Zonder éen hartstocht, éen gevoel of éen gedachte. Mijn hersens zijn een hoop verdroogde koeyepoep. Deze toestand sluit in zich het gemis van den wensch om er uit te geraken. Maar toch ga ik nog tusschen beide in een scheepje van donker satijn en zilver aan 't varen op mijn herinneringenzee, en ik zie blonde hoofden met blauwe oogen, waarmeê ik gelachen heb mijn liefsten lach van jeugd en van hoop om de kunst van het woord.

Je hebt wel eens gezegd op mijn kamer op de N.Z. Voorbw. dat bij stilstand der verbeelding en gedachte die zaken toch groeiden buiten ons eigen weten om, en dat het ontwaken dan voor ons zelf overweldigender was. Maar je moet toch oppassen, anders is je beste gedeelte wechgeroest vóor dat je er aan denkt. Ik woû dat ik verrekte van verlangen om weêr iets te produceeren, maar dat doe ik volstrekt niet.

Kleine wijzigingen aan het toilet van zijn maatschappelijke positie, zoo als b.v. het van ongehuwd gehuwd worden, moesten iemants leven niet meer aandoen, namelijk iemants eenige, inwendige leven, dan het koopen van een nieuwen tandestoker. Zoodra het hem merkbaar verandert, daalt hij daardoor in het vunzigvulgaire en duf-burgerlijke, en raakt den schijn kwijt van een superieur mensch te zijn.

Als ik in staat tot schrijven was zoû ik een schetsje maken, over een poes. Want

[p. 30]

al mijn zien is vol van het kattenleven, dat ik om mij heen heb.22 Het poesje rust maar fluwelig zacht en speelt, maar rust dan weêr, rust heel lang. Toch heeft hij niet gewerkt, om zoo te rusten.

Adieu, je sonnetten zijn groot van difficulté vaincue. Je bent in dezen laatsten Gids meer aan 't zeggen dan aan 't schilderen geweest. Het is ook wel mogelijk dat zeggen in literatuur de hoofdzaak is.

Groet noch Boeken noch Diepenbrock noch v. Deventer voor me, want ik detesteer ze alle drie.23

 

K. Alb. Th.

15Dit is de eerste brief die Lodewijk van Deyssel tot Albert Verwey richtte vanuit de Villa des Chéras te Mont-lez-Houffalize in de Belgische provincie Luxembourg. Aan Van Deyssels vestiging aldaar was voorafgegaan zijn huwelijk, op 26 mei 1887, met Catharina Bartholomea Horyaans (1864-1941), veelal Cateau of Cato genoemd. Tussen de huwelijksdatum en die van de vestiging, eind juni 1887, te Mont-lez-Houffalize, verbleef het echtpaar Alberdingk Thijm in Hôtel du Pont te Esneux. Met de middagbestelling van 11 juni 1887 bereikte Van Deyssel aldaar, als een afzonderlijke overdruk op geschept Van Gelder en voorzien van een handgeschreven opdracht, Verwey's sonnet Bij een trouw-mis, een dag of tien eerder verschenen in De Nieuwe Gids, tweede jrg., deel II, aflev. 5, juni 1887, p. 304, en daar, evenals op de overdruk, voorzien van de opdracht: Aan Willem Witsen; laatstelijk herdrukt, maar zonder opdracht, in Oorspr. Dichtwerk, I, p. 72-73. Op diezelfde 11e juni 1887 schreef Van Deyssels neef en vriend, de componist en classicus Alphons Diepenbrock aan zijn intimus Aegidius W. Timmerman: ‘Wat zeg je van het v. Deyssel-sonnet? De oude Alberdingk Thijm vindt het zeer “attent” dat de Heer Verwey het huwelijk van van Deyssel niet ongemoeid liet met een vers. Naif hè! Over het sonnet heb ik met Hein [Boeken] heel veel gepraat. Ik kan hem er niet mee feliciteeren, ofschoon er geweldige kranige regels in zijn: “'t Veelmannige koraal dreunt d'oore dronken”... Hij heeft vooreerst tegen zijn eigen theorie gezondigd: dat een dichter de dingen waarover hij schrijft moet kennen. Deed hij dat, dan zou hij door het gezicht van een “goedleefsch pastoor” en van “geelgen wijn” (een prachtige regel anders) niet op het bizarre idee zijn gekomen dat zoo'n man daar voor zijn plezier staat te zwelgen, en [niet] een onderscheiding tusschen “het heiligste” en de “nuchtere ceremoniën” gemaakt hebben, die voor een pastoor niet bestaat en voor Verwey niet mag bestaan. Dan vind ik het motief en de vergelijking geforceerd en de 8ste regel cynisch zonder schilderachtig of geestig te wezen.’ (Geciteerd naar Alphons Diepenbrock, Brieven en Documenten. Bijeengebracht en toegelicht door Eduard Reeser, dl. I, 's-Gravenhage, 1962, p. 129; voortaan: Diepenbrock, Brieven en Documenten.)
Frederik van Eeden daarentegen oordeelde op 8 juni 1887, in een brief aan Willem Kloos: ‘Albert's sonnet is het succes van de aflevering. Al het andere, zelfs Looy en jij wordt er week en mat bij. Het is Rembrandt! - echt Rembrandt! Warm en vol en zwaar met weelderigen goudglans. Ik begrijp niet hoe een uitgeput volk als wij nog zulke taal kan spreken. Het is geheel nieuw Hollands, rijp en krachtig.’ (Geciteerd naar Mededelingen, X, Frederik van Eedengenootschap, Amsterdam 1946, p. 16). Nog in juli 1918 oordeelde Hein Boeken dat het moeilijk zou zijn ‘een werk uit Verweys latere tijd aan te wijzen, dat zijn Trouwmis (Mei 1887) ook maar evenaart, een stuk werk waardoor hij het realistisch sonnet tot nog niet bereikte hoogte heeft gebracht en aan hetwelk ik erken voor mijne eigene vorming de grootste verplichting te hebben.’ (Geciteerd naar Maurits Uyldert, Naar de voltooiing/Uit het leven van Albert Verwey, III, Amsterdam, 1959, p. 286).
Voor informatie over Van Deyssels jaren te Mont-lez-Houffalize, zie Gedenkschriften, p. 356-379; M. Rutten, Op zoek naar Lodewijk van Deyssel te Mont-lez-Houffalize, in Spiegel der Letteren VII (1963-1964), p. 226-236; Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel te Mont-lez-Houffalize, in Spiegel der Letteren IIX (1964-1965), p. 140-146.
16Vgl., over dit dagelijkse bezoek van de brievenbesteller, Van Deyssels brief aan Willem Kloos, d.d. 31 december 1887, afgedrukt in mijn Nawoord bij de uitgave van Van Deyssels Nieuw Holland in brochure-vorm, Amsterdamse Schotschriften 3, Amsterdam, 1979, p. 43-44.
17Namelijk een afzonderlijke en gepagineerde overdruk van Albert Verwey, Zeven sonnetten, zojuist verschenen in De Nieuwe Gids, derde jrg., deel I, aflev. 1, oktober 1887, p. 165-171; zie thans Oorspr. Dichtwerk, I, p. 73-76. De tweede zending heeft hoogstwaarschijnlijk bestaan uit een overdruk van de Drie sonnetten, door Verwey bijgedragen aan De Nieuwe Gids, tweede jrg., deel II, aflev. 6, augustus 1887, p. 455-457; zie thans Oorspr. Dichtwerk, I, p. 53, p. 49 en p. 50, waar deze sonnetten figureren als no. 41, 33 en 34 van de reeks Van de liefde die vriendschap heet.
18De Nieuwe Gids, derde jrg., deel I, aflev. 1, oktober 1887, opende ditmaal (p. 1-12) met Albert Verwey, Het twintigste taal- en letterkundig congres. In deze nabeschouwing stond Verwey ook stil bij de openingsrede van de Algemene Voorzitter, prof. H.P.G. Quack: ‘Men weet dat prof. Quack van een bloemrijken stijl houdt en dol is op eenigszins romantische beeldspraak. Of het nu een beleefdheid was of een vergissing weet ik niet, maar zeker is het dat de heer Quack eensklaps in een van zijn meest geanimeerde passages een paar geestdriftige volzinnen uit Van Deyssel's brochure, Over Literatuur, inlaschte, zoo allerverschrikkelijkst verhanseld, zoo platgemaakt, zóo gewoon, zoo heelemaal zonder het bekende mooie rhythme van Van Deyssel's proza, dat, enfin, dat geen schepsel, die het niet wist, op de gedachte kon komen, dat die volzinnen van iemand anders waren dan van Quack zelf.’ De Gids van oktober 1887, p. 1-17, opende met H.P.G. Quack, De macht der taal. Rede ter opening van het XXste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres, 16 September 1887.
19Buiten Verwey's bijdrage over het Congres en buiten de Zeven sonnetten, bevatte deze oktober-aflevering van De Nieuwe Gids ook nog (p. 12-64) Verwey's vertaling van Christopher Marlowe, De tragische historie van Dr. Faustus, voor de eerste maal herdrukt in Albert Verwey, Verzamelde gedichten, Amsterdam, 1889, p. 257-342.
20Dit op 7 oktober 1887 voltooide opstel Een tooster verscheen op 16 oktober 1887 in de Amsterdammer, no. 538. Laatstelijk werd dit opstel herdrukt in De scheldkritieken, p. 47-50; voor allerlei achtergrondgegevens: a.w., p. 294-300.
21Namelijk dat prof. Matthijs de Vries ten onrechte de voltooiing van het Nederlandsch Woordenboek een nationaal belang achtte. ‘Maar’, aldus Verwey, ‘wij laten ons niets wijs maken. Dat dit plan van beteekenis was in een tijd, toen de schrijvers maar moesten zien hoe zij spelden, dat is zeker. Dat er onder die schrijvers van toen nog zijn die het plan liefhebben, is waarschijnlijk. Maar wij, jongeren, hebben niets er mee van doen. Geen ander hoeft ons te komen uitleggen wat onze woorden beteekenen. En sints de spelling genoeg geregeld is, om er niet meer dagelijks over te twisten, hebben wij, schrijvers, al wat wij begeeren, heeft het volk, dat ons lezen zal, al wat het verlangen kan. Voortaan is het afmaken van het Woordenboek alleen van belang voor Prof. de Vries, zijn uitgevers en de taalgeleerden.’
22Op 11 november 1887 zou Van Deyssel in zijn dagboek noteren: ‘Een aardig gevolg van mijn eigenaardige oogen is, dat als ik de poes met mijn beide oogen te gelijk, niet-loensch dus, aankijk, en ik hem dus niet duidelijk zie, hij dat verdraagt en mij met geheel open oogen blijft aankijken, terwijl als ik hem met mijn ver-ziend oog alleen aankijk, en het andere af laat dwalen, zoo dat ik hem zeer scherp zie, hij de oogen dichtknijpt en dat niet kan velen. Het is dus niet het gericht houden van de oogen op de poes, die een uitwerking op hem hebben, op zich zelf, maar alleen het hem zien, het bewust naar hem kijken en aan hem denken.’
23Deze slotzin moet niet ernstig worden genomen. Vermoedelijk zat bij Van Deyssel geen andere bedoeling voor dan het ditmaal eens tegendraads formuleren van zo'n slotzin. Zijn betrekkingen met Hein Boeken zijn altijd van hartelijke aard geweest; met Alphons Diepenbrock raakte Van Deyssel eerst recht bevriend na de ontvangst van diens brief, d.d. 25 februari 1888, waarin Diepenbrock overigens zelf onthulde dat hij ‘vroeger een geheimzinnige antipathie’ tegen Van Deyssel had en toen bovendien ‘jaloersch’ op hem was. (Diepenbrock, Brieven en Documenten, dl. I, p. 140); voor Van Deyssels reactie, d.d. 3 maart 1888, zie idem, deel II, 's-Gravenhage, 1967, p. 597: ‘Wij hebben te weinig met elkaâr verkeerd dan dat ik ooit iets zoû hebben kunnen merken van de antipathie, die je zegt tegen me gehad te hebben.’
Wat Charles M. van Deventer aangaat, deze werd inderdaad al sinds juli 1886 antipathiek door Van Deyssel bevonden; zie Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel en Dr. Charles M. van Deventer, in Handelingen XXIII der Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en geschiedenis, 1969, p. 275-356; a.w., p. 279-280.
prepostterug  begin  verder