terug  begin  verderprepost

13

Rozengracht 57

Amst.m. 12 Octr. '8724

 

Amice, Ik dank je wel voor je brief. Maar je moet oppassen, als je iemand wilt uitleggen hoe zónder gevoel je bent, dat je dat niet in te véel brieven doet. Hij mocht eens gaan gelooven - en na iederen brief een beetje vaster - dat je wèl gevoel hadt. Dat je zelfs verboden omgang hield met aandoeningen, die aan den hartstocht nog géen broertje dóod hadden. Dat je - o horrible! - wel eens af en toe dácht! Geloof je heusch dat je niet werken kúnt? Zeg het eens hardop tegen je zelf, als je 't hart hebt: ik, Karel Thijm, kán niet. Geloof je dat je niet werken wilt? Kijk eerst eens na wat je kunt, en vraag dan eens: Wil jij niet, Karel?

Kijk: ik wou dat ik verrekte van verlangen om weer eens iets te produceeren. Zie je 'm? Neem me niet kwalijk dat ik je hartstochtloozen kauwtoestand stoor met zoo'n hartstochtelijken volzin. Maar die zin is me geschreven door iemand die zeit -

[p. 31]

net als jij - dat hij geen gevoel heeft en niet werken kan. Wat zou jij hem terugschrijven? Zoo iets als: Wou je dat je verrekte van verlangen? - Maar verrek dan - van verlangen namelijk, zoo spoedig mogelijk? - Daar heb ik over gedacht, dat te doen. Maar 't klonk me wat onbeleefd.

Waarom doe jij niet wat je wilt? Waarom doe jij niet wat je weet dat je kunt? Ik heb nooit een impotenten Karel Thijm gekend en ik geloof niet aan zoo'n onmogelijkheid. Voor mij, en voor niemand van ons heb jij de schijn verloren een superieur mensch te zijn, en die zul je niet kwijtraken, als je doet wat je zèlf wilt en kunt.

Trouwen - neem me niet kwalijk dat ik 't zeg - is meer dan het koopen van een tandestoker. Die zin is gemaakt om over te schertsen, vind je niet? - Trouwen is het toelaten van een constanten invloed, en wel den invloed van een heel mensch, een heel nieuw levend, bewust organisme, op het jouwe. Het is het veranderen - éene veel, een andere weinig - maar van nagenoeg al de omstandigheden, waaronder en met de hulp waarvan je kunst ontstaat. Jij hebt om je heen je eigen omstandigheden ontgonnen en aangeleid - toch zeker niet zonder reden voor je toekomst! Tusschen die omstandigheden in moet je jouw werk nu laten worden. De vraag is nu maar - niet voor mij, maar voor je zelf - of je dat kúnt.

 

Je moet voor je zelf en je werk, dunkt me, even vol vriendelijke attenties zijn als je bij 't schrijven van je brief, voor mij geweest bent. En niet alleen voor mij: de blauwe oogen van Kloos zullen glimlachen onder zijn blonde haren25 als ik hem enkele regels voorlees. En wat de dito onder dito van Croiset,26 Sinclair27 etc doen zouden weet ik niet. Ik ben er intusschen van overtuigd dat ik mijn beweeringen op jou kamer op de N.Z. Voorbw. niet zoo zuiver gestyleerd heb als jij 't in je brief wel wilt doen voorkomen. Al geloof ik nog aan de waarheid van wat ik toen zei.

[p. 32]


illustratie
Hein [Hendrik Jan] Boeken (1861-1933). Foto Willem Witsen

[p. 33]

Pas op, want Boeken is bezig een poeet te worden28 en zou kunnen optreden als de paladijn van een door jou gedetesteerde driemanschap. Als je schrijven wilt - doe het dan aan

 

Albert Verwey

24Op 14 oktober 1887 noteerde Van Deyssel in zijn dagboek: ‘Brief van Verwey, die mij plezier deed.’
25Verwey zinspeelt hier op de ‘blonde hoofden met blauwe oogen’, waarover Van Deyssel had geschreven in zijn brief van 9 oktober 1887.
26Arnold Jean Louis Croiset (1856-1913), een leraar geschiedenis met wie Van Deyssel, in de eerste helft van de jaren tachtig, in een schaakclubje zat.
27De toneelspeler Albert Sinclair de Rochemont, van 1881 tot 1883 verbonden aan de Koninklijke Vereeniging ‘Het Nederlandsch Toneel’, waar hij steeds heel kleine rollen kreeg te vervullen. Sinclair had omgang met de Tachtigers, ook al omdat hij lid is geweest van de letterkundige vereniging Flanor.
28In De Nieuwe Gids, tweede jrg., deel II, aflev. 4, april 1887, p. 133 had Hein Boeken naamloos gedebuteerd met het sonnet Herfst, voor de eerste maal herdrukt in H.J. Boeken, Goden en Menschen , Amsterdam, 1895, p. 47. Eerst in februari 1888 zou er weer poëzie van zijn hand in De Nieuwe Gids verschijnen. Wanneer dan, weer een jaar later, in De Nieuwe Gids, vierde jrg., deel I, aflev. 3, februari 1889, p. 384-393, een reeks van tien Son[n]etten het licht ziet, onmiddellijk voorafgegaan door de eerste zang van Herman Gorters Mei (p. 345-383) schrijft Van Deyssel op 3 februari 1889 aan Willem Kloos: ‘Die Gorter is héel goed, niet intens troebleerend noch groot-emotioneel, maar van een mooi voldragen al tijd lieve, nu en dan innige gratie. En orgineeler dan Boeken, die te veel een onmiddellijk voortbrengsel van U en Verwey blijkt. Ik kan ook niet goed velen, dat iemand met een zwakke stem zulke enorme sentimenten probeert uit te drukken. Het is, zoo als ik zeg, een verwaterd mengsel van U en Verwey.’ (Gesch. Nieuwe Gids, p. 230). Het betrof hier de sonnetten: I Zooals men, gaande door een lange straat (p. 384, herdrukt in Goden en Menschen, p. 34); II Als een schoon man op een schoon paard gezeten (p. 385, in Goden en Menschen, p. 4); III O menschen, die ik zag op vele wegen (p. 386, in Goden en Menschen, p. 35); IV O, Menschen, elk zijn eigen leven levend (p. 387, in Goden en Menschen, p. 36); V Ik voel de schoonheid zacht-op in mij groeien (p. 388, in Goden en Menschen, p. 5); VI O Menschenlichamen, die groeit op aarde (p. 389, in Goden en Menschen, p. 37); VII Door 't raampjen zag ik op de donkere banen (p. 390, in Goden en Menschen, p. 42, aldaar onder de titel Spoor-reis); VIII O wondervolle tijd des winters, waarin (p. 391, in Goden en Menschen, p. 43, aldaar onder de titel Londen); IX Gij, die mij eere geeft bij enk'le lieden (p. 392, ongebundeld gebleven); X Zoo zong ik in de vreugde mijner ziel (p. 393, ongebundeld gebleven). Op 8 maart 1889 reageerde Kloos (Amsterdam, Kerkstraat 260): ‘Met je oordeel over Boeken ben ik het evenwel geheel oneens. Van Verwey heeft hij, altijd zoo ik mij wel uitdruk, niets, en van mij, steeds weêr als ik het wel versta, niet meer dan ik van Verwey heb.’
prepostterug  begin  verder