32Frans Erens arriveerde te
Mont-lez-Houffalize in het avonduur van 24 november 1887. Voor
het dankschrijven, d.d. 4 december 1887, aan zijn gastheer en gastvrouw, zie
Harry G.M. Prick,
Lodewijk van Deyssel. Dertien close-ups,
Amsterdam, 1964, p. 142 (voortaan:
Dertien close-ups);
voor Erens' openbaar gemaakte herinneringen aan zijn verblijf, gedurende een
week op de
Villa des Chéras, zie
Vervlogen
Jaren, p. 212-213. Tijdens Erens' verblijf moet Van Deyssel al de
eerste paragraaf van zijn bespreking van
La Terre hebben
voltooid en vervolgens aan Erens voorgelezen, anders had deze niet op 4
december 1887 kunnen schrijven: ‘J'ai achevé la lecture de “La Terre”, c'est
un livre bien triste, même le plus triste des oeuvres du maître, mais il
vous empoigne. Dans le train j'ai encore songé à ta phrase: “Als de wind
gaat over een huis” etc., mais n'est-ce pas du Verwey? Non pas la pensée ou
les mots, mais le
son? Déjà on peut remarquer l'influence
de sa voix dans les chroniques de Kloos.’ De door Erens onvolkomen
geciteerde zinsnede laat zich terugvinden in de laatste zin van de eerste
alinea waarmee het opstel over
La Terre opent: ‘Het [boek]
is door mij heen gegaan in zwaar druischend geluid als een groote breede
levenstrilling, hollend bolderend en gillend door mijn verbeelden en voelen,
en heeft huiverende ritselingen achtergelaten als een windzwaai die over een
huis is gegaan.’
De tweede tot en met de zevende paragraaf zou Van
Deyssel schrijven op 21 en 22 december 1887, zich daarbij ‘voortdurend
uitmuntend geluimd’ voelend.