terug  begin  verderprepost

17

Rozengracht 57

Amsterdam. [28] Decr '87

 

Amice, Ik heb gewacht met je te danken voor de toezending van je boek, totdat ik het uit zou hebben. Nu héb ik het uit en dank je, behalve voor die toezending, oók voor het vele aangename, dat je stijl met zijn mooie bewegingen, me heeft aangedaan. Ik heb het heerlijk gevonden zooveel aangenaam, overtuigd, natuurlijk Hollandsch te kunnen lezen als jij me daar hebt thuis gestuurd. Neem me niet kwalijk dat ik je in ruil daarvoor iets zenden moet als Doortje Vlas van Bram van Dam,35 maar Kloos zei me dat je daarom gevraagd hebt.

Nu ik je boek gelezen heb, denk ik zoo bij mezelf dat jij toch een geweldige dweper bent.36 Jij hebt het leven lief, maar niet énkel - vergun me - ‘met een forsche en jaloersche liefde’:37 - jij dweept met het leven.

[p. 36]

Ik zeg niet dat het zoo is, maar ik zeg dat ik dat zoo denk.

Als ik jou lees, dan denk ik: ja juist, als Het Leven een vrouw was, dan zou hij liggen snikken vóor haar of haar aan haar hals hangen. En als Zij lief deê tegen hem, dan geloof ik dat hij vergaan zou van vervoering.

Dat dwepende voel ik tot in je bedaardste volzinnen, tot in de manier waarop je spreekt van ‘mooye handen’.38

De fantasie van jou met het belichaamde leven zou door alle stemmingen heen kunnen worden voortgezet met illustreerende volzinnen uit je roman, en ook uit je brochure.39 Mathilde en Jozef.40 v. Deyssel en Het Leven. Het is eén roepen, eén dwepen.

Ik hoef je niet te zeggen dat jij - en je boek als uiting van jou - door zoó te zijn, een zeldzame verschijning bent tusschen de collectie schrijvers - en boeken, - die ik in mijn Hollandsche hoofd heb. Ik ben blij met de aanwinst.

Ik houd er niet van een boek uit elkaar te halen: dit boek is mooi, dat boek is minder mooi. Zulke zaken weet jij zelf het best. Het lijkt me, in hoofdzaak, dat je voornamelijk in je 13de hoofdstuk ernaar gestreefd hebt het meest-direct treffende van de beschreven zaken uit te drukken. Waar je je hier en daar minder juist mag hebben uitgedrukt geloof ik dat je causeurs-kwaliteiten41 je in den weg hebben

[p. 37]

gezeten. De woorden zijn je in zoo groot aantal familjaar,42 dat het wel eens moeielijk zijn moet onder zooveel bevrienden, den eenen vriend te vinden, dien je noodig hebt.

Je zult het publiek nog wel hier en daar aan het schrikken maken. Ik voor mij vind, in een oordeel over je boek, de zedelijkheids-kwestie ondergeschikt. De vraag is ook niet wat de menschen mooi vinden maar wat jij, de met het leven dwepende V. Deyssel mooi vindt. Houd me ten goede dat ik je zaken geschreven heb, waar je 't niet mee eens bent of die je al lang wist en geloof me

 

tt

Alb. V.

35Op 22 november 1887 had Kloos Van Deyssel nieuwsgierig gemaakt naar dit boek door te schrijven: ‘Doortje Vlas’ door Bram van Dam? Ken je dat? 't Is in den trant van Netscher, maar veel zwakker, zonder artisticiteit, maar nog al aardig in 't psychologische. De jonge schrijver is een auteur van eenigen aanleg.’ Bram van Dam, zo zou naderhand blijken, was een der pseudoniemen van Willem Carel Tengeler (1853-1911). Van Deyssels nieuwsgierigheid zal nog zijn toegenomen door Kloos' bespreking van Doortje Vlas in De Nieuwe Gids, derde jrg., deel I, aflev. 2, december 1887, p. 328-329; voor de eerste maal herdrukt in Veertien jaar literatuur-geschiedenis, dl. II, Amsterdam, 1896, p. 71-72.
36Dat gaat voor bijna alle Tachtigers op. Zie in dit verband het groot aantal plaatsen, met betrekking tot dwepen, dweper, dweepziek, bij elkaar gezet in: Harry G.M. Prick, De Adriaantjes. Een onderzoek naar wording en achtergronden van Van Deyssels Kind-leven, Amsterdam, 1977, p. 385-386; voortaan: De Adriaantjes.
37Verwey citeert hier de door Van Deyssel aan Willem Kloos opgedragen brochure Over literatuur, (De Heer F. Netscher), Amsterdam, 1886, p. 42: ‘Zijn kunst, dat is de kunst, de kunst, die hij bemint met een forsche en jaloersche liefde.’
38Onduidelijk welk citaat uit Een Liefde Verwey hier voor ogen staat, aangezien de ‘mooye handen’ van Jozef van Wilden een aantal malen worden vernoemd, de eerste maal in deel I, p. 34: ‘Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee handen steunden op zijn mooye linkerhand.’
39Zie noot 37.
40Mathilde de Stuwen en Jozef van Wilden, de hoofdfiguren uit de roman Een Liefde.
41In 1916 zou Verwey daarover schrijven: ‘Van Deyssel was niet enkel door zijn geest, maar ook door zijn ingeboren en aangekweekte stijl-eigenschappen een bizondere verschijning. Hij sprak - van nature, scheen wel - een voortreffelijk proza. De overgang van de indruk tot het woord was bij hem onmiddellijk. En hij gaf die indruk niet om zijnszelfs wil, maar met een verschuiving of onder een verlichting, die hem treffend en bekoorlijk, die hem drager maakte van een verborgen gehouden gevoelsleven. Bovendien was er, ondanks dat Van Deyssel door het opzettelijke en verzorgde van zijn gedragingen en uitspraken soms het komedianten-wezen scheen te willen benaderen, aan zijn diepere ernst niet te twijfelen. Wat daarom aan zijn uiting het meest de aandacht trok, was haar tweezijdigheid. Ze was oprecht, gevoeld, hartstochtelijk, en ze was tegelijk bewust, planmatig, ja zelfs de klaarblijkelijke uitdrukking van een geest die bleek aangelegd op het onderscheiden en indelen. De neiging tot “schematiseren” was hem aangeboren.
Voor mij die het proza-schrijven had moeten aanleren als het schaatsenrijden, die daarentegen sedert mijn vijftiende jaar verzen geschreven, zelfs gesproken had; die mij mijn indrukken niet achteraf bewust maakte, en ze ook dan niet uitte, maar ze hoogstens dienen deed tot het uitdrukken van mijn verbeeldingen; die mij altijd zwak wist als mijn aandoening twee zijden had, zodat ik liever zweeg dan een evenwicht te handhaven, waarvan ik vermoedde dat het me beschamen zou, maar mij krachtig voelde zodra maar de eenheid in me herwonnen was; voor mij moest een persoonlijkheid als die van K.J.L. Alberdingk Thijm wel wonderlijk en boeiend lijken’; geciteerd naar Mea Verwey, Albert Verwey over Lodewijk van Deyssel, in De Nieuwe Taalgids, dl. 43 (1950), p. 193-202; a.w., p. 201. Aldaar ook (p. 201-202): ‘Het onderscheid tussen ons beiden was klaarblijkelijk dat zijn [Van Deyssels] bewustzijn zich tyranniserend tegen zijn gevoel wierp, bij wijze van net waar het doorheen moest gaan, terwijl het mijne in de richting van mijn gevoel ging, het hoogstens lichtelijk leidde. Maar dan was het gevoel toch ook anders: het zijne verbonden aan de verschijnselen die het opwekten, het mijne los daarvan en spoedig daarop vervangen door verbeeldingen die verder zowel het gevoel als zijn oorzaak voor me vertegenwoordigden. Ik herkende hem dan als een kunstenaar, niet van de waarneming die het erkennen is van de wereld als buiten ons -, maar van de gewaarwording, die het erkennen is van onszelf, zoals we door die wereld worden aangedaan.’
Reeds in een opstel over L'Orientation de la littérature hollandaise, door Albert Verwey bijgedragen aan de Mercure de France, no. 229, Tome LXV, 1er Janvier 1907, p. 33-42, had hij (p. 41) terloops vastgesteld dat ‘Van Deyssel a toujours cherché une expression immédiate de l'imaginé.’ Vgl. Vervlogen Jaren, p. 215: ‘Wij menschen van de laatste veertig of vijftig jaar hebben in Nederland geen beteren prater gekend dan Van Deyssel. Ik herinner mij, dat Kloos mij eens zeide: “Als Karel wat vertelt, dan is het als een boek. Je zoudt het zóó kunnen opschrijven.” En inderdaad, Karel hield den toehoorder vast geboeid, hij liet hem niet los. Het was een spel van woorden, die ieder raak sloegen. Men kon hem aanhooren een uur lang zonder de geringste verveling.’
42Waarschijnlijk gaf het onder ogen krijgen van deze vaststelling Van Deyssel aanleiding op 2 januari 1888 in zijn dagboek te noteren: ‘Aan vader schrijven mij De Vries en Te Winkel te sturen. Ten eerste voor de geslachten, ten tweede om de woorden achter-mekaâr te lezen, zoodoende nieuwe woorden te vinden en met de klanken familiaar te blijven.’
prepostterug  begin  verder