terug  begin  verderprepost

18

Mont-lez-Houffalize

12 Januari 1888

 

Amice,

Ik dank je zeer voor je al te vleyend schrijven van 28 dec. ll. Maar ik vind, dat je zegt dat ik een dweper met het leven ben een klein beetje op een manier alsof jij wist dat 't een verkeerde, geliefde gedachte van mij was, mij zelf voor iemant te houden die alles-behalve met het leven dweept. Maar 't is niet zoo, ik geef 't je graâg toe, ik dweep er meê. Ik vind 't heel aardig zoo in en bij en met het leven te kunnen zijn.

 

En laat ik nu maar dadelijk met mijn groote vraag voor den dag komen. Je schrijft namelijk over het 13e hoofdst. van mijn roman Een Liefde schrijvend: ‘Waar je je hier en daar minder juist mag hebben uitgedrukt...’ Je moet me niet kwalijk nemen, maar als jij zoo iets zegt, dan wil ik absoluut weten wat je bedoelt. Wees dus zoo bizonder vriendelijk van eenige opheldering te geven. Ik hecht daar speciaal aan, want vroeger dacht ik van mij zelf, dat ik toch eigelijk geen-een aan-

[p. 38]

merking op mijn werk kon velen. Dit heb ik gedacht tot aan het moment, dat jij, na dat mijn brochure over Netscher verschenen was, in den Molsteeg43 mij daarop aanmerkingen hebt gemaakt op een avond dat ik je een eind naar huis bracht, aanmerkingen, die ik niet alleen velen kon, maar waar ik zelfs blij meê was. De verzoek je dus dringend om al is 't maar éen voorbeeld te noemen van waar ik mij in Hoofdst. XIII van Een Liefde slecht d.i. onjuist heb uitgedrukt.

Dat woord van ‘opgevelen’44 uit je verzen in 't Amsterdamsche Jaarboekje, heb ik ook gebruikt in Menschen en Bergen,45 een roman waaraan ik bezig ben. Weet je bij wien van de vorige generatie ik geloof dat men nog 't meest van die van substantieven en adjektieven gemaakte, door den auteur gemaakte, verba en adverba vindt? Bij Hofdijk.46 Zie Aeddon.

Doortje Vlas, dat je me in je brief annonceert,47 heb ik niet gekregen. Zoû je 't me nog willen sturen?

Ik zal zoo vrij zijn, als je 't goed vindt, mij in 't vervolg tot jou te richten voor Nieuwe-Gids-korrespondenties, want de sekretaris schijnt het korresponderen met de auteurs van kopie voor zijn tijdschrift niet tot zijn taak te rekenen. Ik schreef hem althands in de laatste zes weken drie brieven, maar hij andwoordt op geen van de drie. Vooral het niet-andwoorden op den eerste dier drie brieven, een lange van zoo een intiem karakter dat er dadelijk op geandwoord had moeten worden, is mij zeer onaangenaam geweest.48 Stel je voor, iemant daar je bíj komt zitten en daar je je

[p. 39]

hart aan uitstort met vele innige vertrouwelijke mededeelingen en die, als je uitgepraat bent, net doet of je niets gezegd hebt en een eind ver met iemant anders van het gezelschap over andere dingen gaat zitten praten.

Het is heel plezierig een artiest te zijn en een stijl van te schrijven zoo als Kloos, maar een beetje wél-opgevoedheid te hebben is toch ook wel plezierig voor de menschen waarmeê je verkeert. Als Kloos mijn eerste brief, van twaalf zijtjes, nog heeft, en jíj wilt je verwaardigen hem te lezen, zeg dan eens of het niet strijdt met de meest elementaire beleefdheidsregelen den schrijver niet betrekkelijk gauw op zoo een brief te andwoorden.

Een man, die tegen je zegt: hoor eens, vriend, laat ik je eens onder-ons vertellen hoe gelukkig of hoe ongelukkig ik ben, zie-je, mijn vrouw doet zus en zoo en ik doe zus en zoo, en zoo'n man die je dat haarfijn uitlegt in een paar uur spreken, - als je zoo'n man dan aankijkt en laat staan en niets tegen hem zegt, dan maakt hij 't aller-bespottelijkste figuur van de wereld. En dát is de onbeleefdheid. Het is onbeleefd iemant anders een mal figuur te laten maken. En ik geloof, dat het ook zeer onbeleefd is iemant langduriglijk te onderhouden over een questie die voor hem absoluut onbelangrijk is. Daarom schei ik uit.49

 

tt

Karel Alb. Thijm

43Vlak bij Die Port van Cleve doorsnijdt deze steeg de Nieuwezijds Voorburgwal.
44Zinspeling op vers 3 van Een oud Amsterdamsch Burgwalletje, voor de eerste maal openbaar gemaakt in het Amsterdamsch Jaarboekje voor geschiedenis en letteren, onder redactie van N. de Roever, Archivaris van Amsterdam, 1e jrg., 1888, maar hier geciteerd conform Oorspr. Dichtwerk, I, p. 76-77:
 
't Rijk dak-zicht, steil-schoorstenig, roodt en blauwt
 
Op 't oud stads-stukje en 't zwart burgwalke is zwaar
 
Bouwvalgen warbouw, vlug opgeevlend....
45Menschen en Bergen/Proza-gedicht, in L. van Deyssel, Prozastukken, Amsterdam, 1895, p. 207-250; voortaan: Prozastukken. De aankomst van Van Deyssel, op 19 april 1885, te Laroche in de Belgische Ardennen wordt op p. 212 aldus geëvoceerd: ‘De bok [van de malle-poste die de verbinding onderhield tussen Laroche en het stationnetje van Melreux] wiepte, het blauwe voermansbuis daalde snel, de bruingrijze [Van Deyssel] stapte uit, suf en vreemd, zag in de beginnende duisternis de huizing donkergeel opgevelen, ging door een hekopening, over een kleine groezelige open plek, een trapjen op, een deuropening door, door een laag donker gekamerte met een grooten ros een vet vrouwengezicht ontstekenden haard, naar rechts met het van zijn hand afhangend koffertje naast hem, de koetsier achter hem, de kleine rare aanluwende donkerte in de nauwe rondte.’
46Over W.J. Hofdijk (1816-1888), alsook over diens Aeddon (1850-1851), zie De scheldkritieken, p. 286-289.
47Op 31 december 1887 had Van Deyssel al aan Willem Kloos geschreven: ‘Doortje Vlas heeft Verwey mij geannonceerd. Ik dank je zeer voor het voornemen der afzending. Ik heb alleen echter nog niets gekregen’; geciteerd naar Gesch. Nieuwe Gids, p. 155.
48De tweede van die drie brieven op 21 oktober 1887, de derde op 31 december 1887. De eerste, ‘van zoo een intiem karakter dat er dadelijk op geandwoord had moeten worden’, heeft Kloos helaas niet bewaard, als hij hem al niet - juist vanwege dat intieme karakter - na lezing vernietigd heeft.
49Onmiddellijk na de verzending van deze brief kwam bij Van Deyssel binnen Kloos' brief van 10 januari 1888, in zijn geheel afgedrukt in Gesch. Nieuwe Gids, p. 156-157. Kloos berichtte daarin o.m. dat hij Van Deyssel om een bijzondere reden zo lang liet wachten op antwoord: ‘Ik heb nl. gelezen de twee-en-twintig bladzijden eener brochure over je roman door Verwey, die overmorgen het licht zal zien, en waarover ik geloof dat je tevreden zult wezen. Albert werd er toe aangespoord, ze te schrijven, omdat eenige onzer vrienden-literatoren zich minder achtend dorsten uitlaten over je roman. Zij heet: Albert Verwey, Mijn meening over den roman “Eene Liefde” van L. van Deyssel. Zij is opgedragen aan François Erens. Tegelijk daarmede ontvang je Doortje Vlas, dat in Verwey's handen is, en met de zending waarvan hij heeft willen wachten, uit een gril waarschijnlijk, tot zijn brochure af zou zijn.’
prepostterug  begin  verder