terug  begin  verderprepost

22

[niet door Verwey voltooid en verzonden]

 

Rozengracht 57

Amsterdam

20 Jani. '88

 

Amice,

Ik stuur je met deze post proef en kopij van je stuk over La Terre.52 Stuur het

[p. 56]

gauw weerom, dan kan het een beetje vooraan in de febri.-aflevering geplaatst worden.

Van dat stuk gesproken wou ik zeggen, dat ik nog nooit een stuk gelezen heb, waarmeê ik het zoo frappant on-eens was en dat ik toch zóo kranig vond, en zóo graag in de Nieuwe Gids zou zien. Ik vind het het duidelijkste en volledigste exposé van meeningen dat je ooit geschreven hebt, - als zoodanig beter dan de Broch. Netsch. Ook vind ik het heel bizonder ver van je, nu al zoo vast en volledig gezeid te hebben wat, naar jou idee, het komische is en het tragische en het melancholische, en zóo heelemaal en in-eens te hebben uitgeschreven wat je den éenen grootsten indruk uit je levens-ochtend noemt.53 Wat ik óok heel goed vind in dit stuk, veel beter dan in de Brochure - dat is de kompositie, de bouw. Die is zeldzaam eenvoudig, zoo eenvoudig als de noodzakelijkheid. Ik zeg je deze dingen niet om je nu eens vlak voor je neus aangenaam te wezen, maar alleen omdat ik je óok zeggen wou dat ik het èn in je oordeel over Zola, èn over Shakespeare, èn over Homerus, over het komische, het tragische, het melancholische, de belangrijkheid van den koïtus, enfin, dat ik het over al die zaken heelemaal niet eens met je ben.

Jij vindt die dingen zóo, omdat je zús bent.

Ik vind die dingen zus, omdat ik zóo ben.

Je zult zeggen dat het er heelemaal niets toe doet of ik het al of niet met je eens ben, zoolang jij de eenige bent, die je meening hebt gezegd, en ik aan dat zeggen nog niet toe ben. Dat is wel zoo, maar ik wou later niet geacht kunnen worden door het prijzen en doen plaatsen van je stuk over La Terre aansprakelijk te zijn geworden voor de idee daarin.

 

Je sprak in je voor-vorigen brief van een plaats in mijn voor-vorigen brief, waarin ik iets geschreven had van minder goede plaatsen in je roman. Die plaats, in mijn brief nl., was een fraze. Ik bedoelde wat anders. Ik bedoelde eigenlijk gezeid het zelfde dat ik

52Zie noot 32. Het opstel over Zolaas laatste werk: ‘La Terre’ zou het licht zien in De Nieuwe Gids, derde jrg., deel I, aflev. 3, februari 1888, p. 434-456, gedateerd 22 Jan. '88 en voorzien van een noot: ‘De Redactie wil niet geacht worden alle in dit stuk vervatte meeningen te deelen. De Redactie.’ Het opstel werd voor de eerste maal herdrukt in L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen, Amsterdam, 1894, p. 117-142, uiteraard zonder die redactionele noot, met weglating ook van de datering en onder de titel ‘La Terre’. Op 25 februari 1888 liet Alphons Diepenbrock Van Deyssel weten: ‘Er kan naar mijn meening niet grooter over een boek geschreven worden dan jij in de N.G. over La Terre hebt gedaan. Dat nootje van de redactie onder het stuk is een klooterig nootje, ik geloof dat er geen een “meening” in het heele stuk “vervat” is; of het ook voor een ander waar is kan mij niet schelen, maar ik vind het heerlijk om iemand te ontmoeten die niet meent maar gebiedt, en op zijn tijd brult omdat hij 't niet laten kan.’ (Diepenbrock, Brieven en Documenten, dl I, p. 140).
Intussen distantieerde de redactie van De Nieuwe Gids zich, bij monde van Willem Kloos, twee maanden later nogmaals van Van Deyssels meningen. Uit de literaire kroniek, door Kloos aan Marcellus Emants' Adolf van Gelre gewijd (De Nieuwe Gids, derde jrg., deel II, aflev. 4, april 1888, p. 153-158), citeer ik: ‘Ziet, - en luistert hiernaar ernstig, gij allen die het hooren wilt, - juist, zeg ik, omdat De Nieuwe Gids, d.i.: wij, die hier spreken, geene partij is, met eenzijdige beginselen, maar een partij bóven de partijen, die het goede en het kwade keurt en rangschikt, omdat zij al het goede van al het kwade onderscheidt, juist daarom zijn wij in staat figuren als Marcellus Emants en Van Deyssel te waardeeren, en beiden te zetten op de hun toekomende plaats. Want waarom prijzen wij v. Deyssel en plaatsen zijn artikelen? Om de zeer eenvoudige reden, dat zijn werk groot werk is, van het beste in het land. Maar daarom zijn wij nog niet verantwoordelijk voor zijn meeningen en zijn daden, wij, De Nieuwe Gids. Hij is mans genoeg om daar zelf voor te staan, hij, Karel Thijm. En waarom vinden wij den heer Emants een respectabele verschijning? Omdat hij, schoon ook niet groot, dan toch het groote wil. Wij, in het hart der revolutie gezeten, wij letten op hen die strijden, en zien hoe een ieder oog en handen beweegt.’ (a.w., p. 156-157; lichtelijk geretoucheerd voor de eerste maal herdrukt in Veertien jaar literatuur-geschiedenis, dl. II, Amsterdam, 1896, p. 98.)
53Zinspeling op de aanhef van de voorlaatste alinea van het opstel over La Terre: ‘Ja, laat ik het van hem zeggen nu men mij wel een man noemt, zoo als zij vroeger jongen van mij zeiden, dat ik uit mijn literairen levensochtend maar éen heel breede vereering heb meêgenomen en dat dat Zola is.’
prepostterug  begin  verder