terug  begin  verderprepost

33

Luxembourg Belge

Mont-lez-Houffalize

11 Juli 1888

 

Amice,

Ik ben zoo vrij je nu in-eens een kort briefje te schrijven, waarin ik de vragen zet, die mij in den laatsten tijd aan je door het hoofd zijn gegaan.

Eerst deze twee, die ik je kan doen, zonder er direkt verontschuldiging voor te vragen:

In je brochure over mijn roman Een Liefde, schrijf je, dat ik niet ‘logisch’ ben, en speciaal, dat de redeneeringen in mijn brochure, ‘Over Literatuur’ door elkaâr liggen, als had de poes er meê gespeeld. Ik verzoek je niet mij die door elkaâr liggende redeneeringen aan te wijzen. Maar éen maar, éen onlogieschheid, om dat ik dan kan weten wat je bedoelt want ik weet niet wat je bedoelt.

De tweede vraag. Ik heb opgemerkt, dat je in de laatste drie N.G.-afleveringen,81 waarin bijdragen van mij zijn opgenomen, in 't geheel geen hoofdartikel of andere aanzienlijke bijdrage hebt gegeven. Vind-je dat niet in de zelfde aflevering omvangrijke bijdragen van ons allebei te gelijk moeten voorkomen, of vergis ik mij en is het toeval?

Als je deze vraag onbescheiden vind, wees dan zoo vriendelijk net te doen als of ik haar niet gesteld had en 't hier aan te wijten, dat mijn afgezonderd leven mij de omgangskunst langzaam-aan doet verliezen.

 

Nu moet ik mij verontschuldigen, dat ik je ook over administratieve zaken ga schrijven. Maar dat komt om dat de personen, die de Nieuwe Gids met de administratie heeft belast, hun taak begrijpen op een manier, die het voor de medewerkers uiterst moeilijk doet zijn met hun te onderhandelen.

[p. 69]

Ik ben bezig met een artikel over Emants, dat echter in de eerste twee maanden waarschijnlijk niet af zal komen,82 daar ik het te druk heb met mijn roman ‘De Kleine Republiek’. Ik heb nu, met dank voor je expeditieve bemoeyingen, van Emants: Op reis door Zweden, Monaco, Langs den Nijl, Een drietal novellen, Jong-Holland. Nu ontbreekt er, geloof ik, nog aan: ‘Goudakkers illusiën’.83

Ik heb aan honorarium op 't oogenblik circa 200 francs te pretendeeren. Ik heb aan den niet andwoordenden penningmeester verlof gevraagd voor een gedeelte van die som, voor rekening dus van den N.G., bij Schröder eenige fransche boeken te bestellen van jongere prozaïsten, zoo als Paul Margueritte,84 om daarover een aan den N.G. aan te bieden artikel te schrijven. Zoû ik dat nu mogen doen?

Ik heb aan den niet-andwoordenden sekretaris gevraagd,85 of het met de ekonomie van het tijdschrift, waarin ongetwijfeld door jouw, Kloos of Van Eeden iets over Vosmaer zal worden geschreven, over-eenkomt, dat ook ik voor Augustus86

[p. 70]



illustratie
Het door Albert Verwey anoniem aan De Nieuwe Gids van augustus 1888, p. 325, bijgedragen sonnet ‘Mr. C. Vosmaer. In memoriam’

[p. 71]

daar iets over stuurde. Zoû dat kunnen? Enfin, 't zoû nu toch te laat zijn denk ik.

 

tt

K.J.L. Alberdingk Thijm

81Van februari, april en juni 1888.
82Dat artikel is nooit afgekomen. Het daarin op Carel Vosmaer betrekking hebbend gedeelte werd afgedrukt in Dertien close-ups, p. 19-22.
83Marcellus Emants, Op reis door Zweden (1877; tweede druk 1880); Monaco (1878; tweede druk 1886); Langs den Nijl (1884); Een drietal novellen (1879); Jong Holland (1881) en Goudakker's illusiën/Een verhaal (1885).
84Paul Margueritte (1860-1918) was in Nederland geïntroduceerd geworden door Frans Netscher in een artikel Paul Margueritte. Een proeve van naturalistische kritiek, in het weekblad De Amsterdammer van 11 en 15 oktober, 20 en 27 november 1885. In Margueritte's Tous quatre (1885) had Van Deyssel ‘het in de hoog artistieke beteekenis droge, niet bevochtigde van diens stijl’ gewaardeerd; zie Verzamelde Opstellen, Amsterdam, 1894, p. 69. Eerst in januari 1889 kreeg hij, door bemiddeling van Arij Prins, Margueritte's Confession posthume (1886) in huis. De daarin voorkomende novelle L'Impasse maakte ‘een geweldige impressie’ op hem, zoals hij op 29 januari 1889 aan Prins liet weten; zie De briefwisseling tussen Arij Prins en Lodewijk van Deyssel (editie Harry G.M. Prick), 's-Gravenhage, 1971, p. 115, en aldaar ook noot 302 (voortaan: Briefwisseling Prins/Van Deyssel).
85Op 20 juni 1888 had Van Deyssel aan Kloos geschreven: ‘Dat Vosmaer dood was, las ik in een fransche krant: “On annonce de La Haye la mort de Mr. Van Maer”. Toen ik 'et begreep schrok ik en ontroerde ik. Ik zoû juist een artikel over Amazone begonnen zijn, maar dat zal niet gaan’; en op 29 juni 1888: ‘Ik veronderstel dat gij, Verwey, van der Goes of Van Eeden, in den Nieuwen Gids van 1 Augustus, over Vosmaer zult schrijven. Zoû het ook met de ekonomie van uw tijdschrift over-een te brengen zijn, dat ook ik iets over Vosmaer schreef, zoo dat hij door verschillende stemmen van “Jong-Holland” werd uitgeluid?’
Carel Vosmaer was op 12 juni 1888 te Territet-sur-Montreux overleden. Kloos' eerste reactie op Vosmaer's dood werd vastgelegd in zijn brief aan Van Deyssel, d.d. 15 juni 1888, grotendeels afgedrukt in Gesch. Nieuwe Gids, p. 136. De alinea, die onmiddellijk volgt op de passages over Vosmaer werd niet door 's-Gravesande openbaar gemaakt. Ze luidt: ‘Verleden week zijn wij op hol geweest, met twee paarden, Paap, Verwey, Mevrouw Douwes Dekker en ik. Het begon op de Utrechtsche zij, bij den gebiedpaal, en is er meê geëindigd, dat wij op de Sarphatistraat tegen een lantaarn zijn opgereden. De schuld lag aan den koetsier, die dronken was.’
86De Nieuwe Gids, derde jrg., deel II, aflev. 6, augustus 1888, opende (p. 325) met in rouwrand het niet ondertekende, maar door Albert Verwey geschreven sonnet Mr. C. Vosmaer. In Memoriam. Op 10 juli 1888 had Kloos Van Deyssel laten weten: ‘Verwey schrijft waarschijnlijk over Vosmaer. Maar als gij iets hebt, dat voor ons geschikt is, ook heel graag. Dan kunnen best allebeî er in.’
prepostterug  begin  verder