terug  begin  verderprepost

53

Luxembourg Belge

Mont-lez-Houffalize

5 Novemb. '88

 

Amice,

Ik stuur je hier-bij mijn, kort, stuk over La Terre, pardon, over Le Rêve, bedoel ik. Dat verloopen van proza in mijn verzen, pardon, ik ben zoo zenuwachtig, dat ik mij telkens verschrijf; dat verloopen van proza in verzen, waarvan je in je laatsten brief schreef, - ja waarlijk, amice, dat is mij nu ook, als heelemaal van zelf, eventjes gebeurd. Ik geloof ten-minste dat een gedeelte van mijn stuk zoo-wat in half-en half

[p. 90]

maat-houdende poëzie is overgegaan, in de maat van Perks Iris geloof ik, maar 't loopt niet precies rond. Enfin, dit kan ik zeggen, dat nooit iemant zoo spontaan en in weêrwil van zich zelf verzen is beginnen te maken. Het komt misschien van al die verzen van jouw en Kloos, die den heelen dag hier in mijn eenzame hoofd rond-bonken en opjuichen.

 

Of dat stuk over Le Rêve nu heel gek is, weet ik niet.131 Dat moet jij maar zoo goed zijn van eens te zien. Ik zal ook niets liever hebben dan dat je me détail-verbeteringen, die te maken zijn, aanwijst.

 

Wat den omvang van mijn stuk aangaat, - ter gelegenheid der verschijning van een nieuw boek, dat zúlk een impressie maakt, dunkt mij deze schreeuw voldoende. Voor uitgebreider Zola-studiën is later al tijd nog tijd te vinden.

 

Wees zoo vriendelijk mij ook eens te andwoorden over je ‘geen-kunst’, waarom dat namelijk geen Kunst is, wat of je daarmeê bedoelt, want ik ben van zins te beproeven in den Amsterdammer over jouw en Kloos te schrijven,132 niet als een god, die de sterren weegt in zijn handen, maar als een sterrenkundige, die, van zijn laagte uit, zijn waarnemingen doet. Ik heb wel eigelijk geen verstand van verzen, maar ik zeg maar: wie, behalve jullie zelf dan, heeft er meer verstand van dan ik? Hélène Swarth kán geen kritieken of zoo schrijven, dat heeft zij getoond,133 Winkler Prins heeft geen oordeel over verzen, Rutger Dinger134 ook niet, Van Eeden is jullie mederedakteur. Maar ik weet nog niet hoe ik het doen zal, ook om het stuk voor de redaktie aannemelijk te maken.

Je spreekt ook hierom zeer juist van Michel-Angelo,135 om dat je mij den indruk maakt van ook híerin iets van die Italiaansche kolossen te hebben, dat je, zeer gezond van lichaam en zonder zenuwziekte, een hoogte bereikt, waar anderen niet dan half dood of half gek half toe kunnen komen.

 

tt

Karel Alb. Thijm

131Een zelfde onzekerheid blijkt uit Van Deyssels brief over dit stuk, aan Arij Prins, d.d. 11 november 1888; zie Briefwisseling Prins/Van Deyssel, p. 87-88.
132Zie Van Deyssels brief van 6 december 1888.
133Onder meer in De Nederlandsche Spectator en in De Leeswijzer. Voor een volledige bibliografie van haar critische opstellen, zie Herman Liebaers, Hélène Swarths Zuidnederlandse jaren, Gent, 1964, p. 220-222.
134Rutger Dinger heeft maar eenmaal meegewerkt aan De Nieuwe Gids, en wel aan de tweede jrg., deel I, aflev. 2, december 1886, p. 467, met een sonnet: Weemoedig zie ik uwe beeltenis aan! Kloos' brief van 9 juli 1886, waarin dit sonnet werd geaccepteerd, werd openbaar gemaakt in De Nieuwe Gids, 1933, II, p. 492-493.
135Namelijk in Van Het Leven, I, 3; zie over Verwey en Michel Angelo het opstel van Mea Nijland-Verwey, Verwey en Kloos/Van het Leven, in De Nieuwe Taalgids, dl. 58 (1965), p. 217-229, speciaal p. 225-227. Vertrouwdheid met Michel Angelo blijkt bij Van Deyssel uit Verzamelde Opstellen, III, p. 288; IV, p. 119, 148; VI, p. 5; VII, p. 102; IX, p. 49; Werk der laatste jaren, p. 65; Nieuwe Kritieken, p. 166.
prepostterug  begin  verder