terug  begin  verderprepost

61

[poststempel Amsterdam, 1 December 1888]

 

Amice,

Onder de drukte voor de afl. door heb ik me meermalen met een zeker genoegen herinnerd dat ik je nog een brief over je verzen zou schrijven. Ik dacht er met des te meer pleizier aan, omdat ik vooruit zeker wist dat ik er niets beoordeelends of bedenkingen-opperends over schrijven zou; maar alleen mijn aangenaam aangedaan zijn door het feit dat je zoo heel van-zelf beleefd hebt wat ik je geschreven had van hoe proza verloopen kan in verzen.142 't Is aardig, juist als ik jouw proza las, dacht ik altijd: hoe, wanneer, door wat voor verandering van klank, maat, onderwerp misschien, wordt dit proza verzen? Dat het kon voelde ik, zoo goed als ik wist dat het bij mij zoo was, maar ik was altijd verbazend benieuwd naar hoe het gebeuren zou.

Ik wou je eigenlijk bedanken voor dat je me dit hebt laten zien. Ik zie jou nu ook vollediger, en wat we toch altijd allemaal doen, ons eigen werk vergelijken met dat van onze tijdgenoten, - dat heb ik nu volkomen kunnen doen, nu ik ook het verzen-gedeelte in je gezien heb, al is het maar een stukje ervan, en de soort ervan mooi zie staan naast mijn soort.143

Wij zijn verbazend ándere menschen, en het is maar heel gelukkig dat twee menschen zoo anders en, elk voor zich zoo tevreden met zijn eigen, zijn kunnen.

Als ik nu in mijn werk zit ben ik geneigd het jouwe ‘irraisonnable’ te noemen. Het woord is van Looy, die 't eens van iets van hemzelf zei. Maar ik voel ook dat jij, als je in 't jouwe bent, lust kunt voelen het mijne kleurloos en burgelijk te vinden. En nu maak ik het mijne maar en geniet van het jouwe, blij dat we allebei iets anders doen.

[p. 95]

Als je me nu plagen wil moet je me dringend gaan vragen wat Van Looy met ‘irraisonnable’ bedoelde. Ik zou 't niet kunnen uitleggen en ik zou me wreken door jou een definitie van burgelijk op te geven, wat je minstens een opstel in de encyclopedie van Winkler Prins zou kosten.

De afl. is gister verschenen. Wat zeg je van Trifouillard,144 die erin geslaagd is de fijne draden die door het bosch van zijn konversatie drijven bij elkaar te weven tot een beeldrijk borduursel.

Ik schreef daar straks dat ik tevreden met mijn eigen ben - dat is maar bij wijze van spreken: ik moet je nu namelijk weer verzoeken een roman te bespreken die buiten mijn bespreek-vermogen valt.

Ik hoop dat het je vrouw en kind goed gaat en groet je zeer.

 

Albert Verwey

142Zie de eerste alinea van Van Deyssels brief van 5 november 1888.
143Op 12 december 1888 zou Van Deyssel in zijn dagboek aantekenen: ‘De brief dien ik, in de eerste dagen van deze maand, van Verwey heb gekregen, is goed te bewaren en zeer sienjiefiekatief. Want datgene waarover hij zóo schrijft, dat behoort in elk geval tot mijn literatuur 2e graad. Dat stuk over Le Rêve is en blijft passive literatuur, het is geen móet-áf-literatuur, maar passive dus al tijd nog 2e graad.’
144Trifouillard, waarbij men zal moeten denken aan trifouiller, d.w.z. rondscharrelen, rondsnuffelen, was geen pseudoniem maar een bijnaam van Frans Erens, die aan De Nieuwe Gids, vierde jrg., deel I, aflev. 2, december 1888, p. 194-198, een Literaire fantasie had bijgedragen; voor de eerste maal herdrukt in Dansen en Rhytmen, Amsterdam, 1893, p. 98-105. In dezelfde aflevering publiceerde Willem Kloos het gedicht Zelf-verandering, met de opdracht Aan Trifouillard (p. 266). Mij is slechts éen uitlating van Erens bekend over die naam Trifouillard. Toen André Jolles onder de titel Trifouillard in De Gids, februari 1925, p. 264-267, Frans Erens' bundel Litteraire overwegingen besprak, vroeg Andries Bonger aan Erens of deze zich daaraan niet had gestoten. Op 28 maart 1925 reageerde Erens: ‘Ik heb er altijd over gelachen en het nooit kwalijk genomen in mijn jeugd. Ik droeg zelf een monoloog voor, waarin dat woord veel werd gebruikt. Daardoor noemde Van der Goes mij soms voor de grap Trifouillard. In die tijd nam niemand het als een schimp op. Later is dat mogelijk anders geworden.’
prepostterug  begin  verder