Mont-lez-Houffalize
Luxembourg Belge
6 december 1888
Amice,
Ik zit te schrijven aan een artikel, getiteld ‘Over Willem Kloos en Albert Verwey’ en dat ik aan het Weekblad De Amsterdammer wil aanbieden.145 Maar het valt mij moeilijk. Zoodra ik bizonder en geestdriftig ga schrijven, wordt het ongeschikt. En nu doe ik moeite om het begrijpelijk te schrijven en toch geen erge gemeenplaatsen en herhalingen te zetten. Maar ik weet niet of ik slagen zal.
‘Irraisonnable’, ja, ik zal niet vragen wat je bedoelt. Heb ik je echter wél begrepen, dan spreek je wel deugdelijk van het zuivere verzen-gedeelte. Je denkt dit er van, als je in je werk zit, schrijf je. Dán ben je ook de hoogste rechter. Nu raken hier
de uitersten elkaâr weêr, want v.d. Goes schrijft mij, dat de laagste rechters uit mijn stuk afleiden, dat ik in mijn verstand getroffen ben.146
‘Kleurloos en burgerlijk’, neen, in welke ‘inspiratie’-toestand ik ook was, ik kan je verzekeren, dat ik dat nooit van je werk heb gedacht. Ik wil je wel bekennen, dat je lijkzang met de ‘droomen en uren’147 en dat het meest gepassioneerde van je Christus-sonnetten147 en dat verscheidene gedichten van Kloos mij meer dádelijk emotionneeren dan je ‘Van het Leven’. Hoewel ik je mij onlangs geschreven bewering, dat Kunst is aandoening in geluid, beäam, zoo vind ik toch, dat niet de direktheid en de hevigheid der emotie de eenige maatstaven zijn om de voortreffelijkheidsgraad van kunst te meten. Ik vind bij-gevolg, ook in mijn innigste oprechtheid, ‘Van het Leven’ daarom niet minder mooi dan de lijkzang, enz. Ik vind, dat ‘Van het Leven’ door andere qualiteiten weêr boven de lijkzang, enz. uit-munt.
Maar als je jouw en mijn verzen nu tot de hoogste kunst rekent, hoe zeer ook verschillend in soort, dan hoef je daarom toch niet, dan, enfin, ik bedoel, ten eerste, dat jij d'r al zoo veel gemaakt hebt en ik maar zoo weinig, en dat jij zeer zeker nog veel meer verzen maken zult, terwijl dat van mijn volstrekt nog niet gezegd is. Ik vermoed nog-al aanmerkelijk, dat over vijftig jaar jij een dichter zult zijn geweest, die ook wel proza heeft geschreven, en ik een prozaïst, die ook wel eens verzen heeft gemaakt.
Ik ben benieuwd naar den roman, dien je me ter bespreking zult zenden. Voor zoo-ver jullie geen van allen de volgende boeken zelf beöordeelt, ontving ik er gaarne een of meer ter bespreking van:
Byvanck, Poëzie en Leven 148
De Chateleux, Indrukken v/d dag 149
Pierson, Oudere tijdgenoten
Scheidius, Een blik in de wereld
Pierson, Willem de Clercq
Vosmaer, Inwijding
Schimmel, De kapitein v/d lijfgarde
Ook zoû ik dolgraâg Hélène Swarth haar ‘Sneeuwvlokken’150 eens ter leen hebben. Maar noch hierom noch om de Revue Indépendante vraag ik je meer vóor dat jij ook een sekretaris hebt, die de bezending kan doen.
Ik kan tot nu toe niet gelooven dat ík Hélène Swarth haar werk óok het mooiste zoû vinden.151
Bestaat ‘Holland Vlaanderen’ nog? Want anders noem ik het in een journalistiesch artikel weêr op, onder de tijdschriften, die, na dat ik er over geschreven had, hebben opgehouden te bestaan.152
De literaire fantasie van Trifouillard, ja, dat is ‘mijn genre niet’. Ik heb er veel op tegen. Ik ben het buitendien ook niet met hem eens.153 Ook meen ik dat elders zijn ‘fort’ ligt. Het stuk van Ary Prins154 vin ik bizonder. A-propos, ken jij Poe,155
en wat vind je van Poe? Ken jij Quincey,156 en wat vind je van Quincey?
Heb de goedheid mij eens te schrijven of de poep-scène in ‘Menschen en Bergen’, die romanfragmenten van me, die je in Katwijk gehad hebt en die jullie wildet plaatsen, en je niet mooi maar bizonder vond, - of die poep-scène in den Nieuwen Gids zoû kunnen gedrukt worden, ik bedoel of die er in zoû kunnen blijven.157
tt
Karel Alb. Thijm
Mijn vrouw en kind maken het heel goed. Dank-je.