terug  begin  verderprepost

62

Mont-lez-Houffalize

Luxembourg Belge

6 december 1888

 

Amice,

Ik zit te schrijven aan een artikel, getiteld ‘Over Willem Kloos en Albert Verwey’ en dat ik aan het Weekblad De Amsterdammer wil aanbieden.145 Maar het valt mij moeilijk. Zoodra ik bizonder en geestdriftig ga schrijven, wordt het ongeschikt. En nu doe ik moeite om het begrijpelijk te schrijven en toch geen erge gemeenplaatsen en herhalingen te zetten. Maar ik weet niet of ik slagen zal.

 

‘Irraisonnable’, ja, ik zal niet vragen wat je bedoelt. Heb ik je echter wél begrepen, dan spreek je wel deugdelijk van het zuivere verzen-gedeelte. Je denkt dit er van, als je in je werk zit, schrijf je. Dán ben je ook de hoogste rechter. Nu raken hier

[p. 96]

de uitersten elkaâr weêr, want v.d. Goes schrijft mij, dat de laagste rechters uit mijn stuk afleiden, dat ik in mijn verstand getroffen ben.146

‘Kleurloos en burgerlijk’, neen, in welke ‘inspiratie’-toestand ik ook was, ik kan je verzekeren, dat ik dat nooit van je werk heb gedacht. Ik wil je wel bekennen, dat je lijkzang met de ‘droomen en uren’147 en dat het meest gepassioneerde van je Christus-sonnetten147 en dat verscheidene gedichten van Kloos mij meer dádelijk emotionneeren dan je ‘Van het Leven’. Hoewel ik je mij onlangs geschreven bewering, dat Kunst is aandoening in geluid, beäam, zoo vind ik toch, dat niet de direktheid en de hevigheid der emotie de eenige maatstaven zijn om de voortreffelijkheidsgraad van kunst te meten. Ik vind bij-gevolg, ook in mijn innigste oprechtheid, ‘Van het Leven’ daarom niet minder mooi dan de lijkzang, enz. Ik vind, dat ‘Van het Leven’ door andere qualiteiten weêr boven de lijkzang, enz. uit-munt.

Maar als je jouw en mijn verzen nu tot de hoogste kunst rekent, hoe zeer ook verschillend in soort, dan hoef je daarom toch niet, dan, enfin, ik bedoel, ten eerste, dat jij d'r al zoo veel gemaakt hebt en ik maar zoo weinig, en dat jij zeer zeker nog veel meer verzen maken zult, terwijl dat van mijn volstrekt nog niet gezegd is. Ik vermoed nog-al aanmerkelijk, dat over vijftig jaar jij een dichter zult zijn geweest, die ook wel proza heeft geschreven, en ik een prozaïst, die ook wel eens verzen heeft gemaakt.

Ik ben benieuwd naar den roman, dien je me ter bespreking zult zenden. Voor zoo-ver jullie geen van allen de volgende boeken zelf beöordeelt, ontving ik er gaarne een of meer ter bespreking van:

 

Byvanck, Poëzie en Leven 148

De Chateleux, Indrukken v/d dag 149

[p. 97]

Pierson, Oudere tijdgenoten

Scheidius, Een blik in de wereld

Pierson, Willem de Clercq

Vosmaer, Inwijding

Schimmel, De kapitein v/d lijfgarde

 

Ook zoû ik dolgraâg Hélène Swarth haar ‘Sneeuwvlokken’150 eens ter leen hebben. Maar noch hierom noch om de Revue Indépendante vraag ik je meer vóor dat jij ook een sekretaris hebt, die de bezending kan doen.

Ik kan tot nu toe niet gelooven dat ík Hélène Swarth haar werk óok het mooiste zoû vinden.151

Bestaat ‘Holland Vlaanderen’ nog? Want anders noem ik het in een journalistiesch artikel weêr op, onder de tijdschriften, die, na dat ik er over geschreven had, hebben opgehouden te bestaan.152

De literaire fantasie van Trifouillard, ja, dat is ‘mijn genre niet’. Ik heb er veel op tegen. Ik ben het buitendien ook niet met hem eens.153 Ook meen ik dat elders zijn ‘fort’ ligt. Het stuk van Ary Prins154 vin ik bizonder. A-propos, ken jij Poe,155

[p. 98]

en wat vind je van Poe? Ken jij Quincey,156 en wat vind je van Quincey?

Heb de goedheid mij eens te schrijven of de poep-scène in ‘Menschen en Bergen’, die romanfragmenten van me, die je in Katwijk gehad hebt en die jullie wildet plaatsen, en je niet mooi maar bizonder vond, - of die poep-scène in den Nieuwen Gids zoû kunnen gedrukt worden, ik bedoel of die er in zoû kunnen blijven.157

 

tt

Karel Alb. Thijm

 

Mijn vrouw en kind maken het heel goed. Dank-je.

145Dit artikel, voltooid op 10 december 1888 en door Justus van Maurik, op 16 december 1888, voor het weekblad De Amsterdammer geweigerd, werd integraal afgedrukt in Dertien close-ups, p. 57-60. Aldaar ook, p. 56-57, Van Mauriks brief.
146Op 3 december 1888 schreef Van der Goes aan Van Deyssel o.m.: ‘Velen leiden uit uwe aankondiging van Le Rêve af dat gij eenigszins in uw verstand getroffen zijt; dat is mijn gevoelen niet; gij hebt m.i. de vroegere toppen van uw proza weder overgletscherd.’
147Doode uren, uit Persephone en andere gedichten, Amsterdam, 1885, p. 46-48; laatstelijk in Oorspr. Dichtwerk, I, p. 31-32, echter zonder de oorspronkelijke opdracht aan Martha van Vloten en ook zonder de datering 1 October 1885. Met de Christus-sonnetten bedoelde Van Deyssel de drie sonnetten, verschenen in De Nieuwe Gids, eerste jrg., deel I, aflev. 2, december 1885, p. 298-300: Engelenzang (Van verre komt het als een schoon gerucht), Christus aan het kruis (O man van Smarten met de doornen kroon!) en Christus van het kruis (Vestig die oogen niet op mij: hun blik). Het eerste sonnet bleef ongebundeld, het tweede en het derde laatstelijk in Oorspr. Dichtwerk, I, als no. 8 op p. 38 en als no. 11 op p. 39-40.
148W.G.C. Bijvanck, Poëzie en leven in de 19e eeuw. Studiën op het gebied der Letterkunde, Haarlem, 1889, werd eerst in juni en juli 1890 zeer indringend door Van Deyssel bestudeerd. Wat hij daarna hierover op papier bracht, werd postuum gepubliceerd in De scheldkritieken , p. 351-353. Aldaar ontbreekt het nadien achterhaalde gegeven dat Van Deyssel zich op 4 augustus 1888 had voorgenomen in De Nieuwe Gids een Varium te wijden aan Goethe, Matthew Arnold, Bijvanck, intellektueele beschaving, en kunst, dit naar aanleiding van W.G. Bijvanck, Matthew Arnold, 1822-1888, in De Gids van juni 1888, p. 385-408 en juli 1888, p. 116-152.
149Engelbert de Chateleux, Indrukken van den dag, Amsterdam, 1888, werd door Van Deyssel besproken in De Nieuwe Gids, vijfde jrg., deel II, aflev. 4, april 1890, p. 90-92, bespreking die laatstelijk werd herdrukt in De scheldkritieken, p. 121-122; zie aldaar ook p. 323-324. Over de vijf andere werken op dit lijstje heeft Van Deyssel zich niet uitgelaten.
150Over deze bundel had Verwey geschreven in De Nieuwe Gids van december 1888, p. 238-242.
151Van Deyssel reageert hier op het slot van Verwey's bespreking: ‘Dit is niet het einde, dit is het begin van haar dichterzijn. Ik zeg dat niet voor de menschen, want die zullen haar grootste werk niet haar mooiste noemen. Dit zeg ik alleen voor haar zelf. Zij zal het begrijpen en gelooven en er naar doen. Want er zijn dingen die alleen poëten weten, en uitspreken en van elkaar verstaan.’
152Zie in dit verband de slotalinea van Realisme, in De scheldkritieken, p. 58. Van Holland-Vlaanderen. Tweemaandelijksch tijdschrift voor Noord- en Zuid-Nederland, was op 1 juli 1888 het eerste nummer van de eerste jaargang verschenen, onder redactie van Edward B. Koster, T. Pluim, G.H. Priem, Mari J. Ternooy Apèl en Omer Wattez.
153Uit Erens' brief van 11 december 1888 zou Van Deyssel vernemen dat Verwey niet alleen Erens' oorspronkelijke titel had veranderd, ‘maar ook nog meer. Ik neem namelijk het eerste gedeelte tot aan Stendhal niet voor mijn rekening. Ik heb namelijk in mijn stuk volstrekt niet van de alléénheerschappij van Zola gesproken. Dit is geheel het werk van den slimmen Verwey. Om het stuk nu zonder tegenstand opgenomen te krijgen schreef ik aan Verwey dat het ten doel had om de Zolasche alléénheerschappij tegen te gaan: wat ik wist dat aan Verwey welkom zou zijn.’ Zie voor de context: Dertien close-ups, p. 150-151.
154Aan deze decemberaflevering van De Nieuwe Gids had Ary Prins Een executie bijgedragen (p. 190-193), laatstelijk herdrukt in Ary Prins, Een Koning. Met een nawoord van Harry G.M. Prick, Amsterdam, 1980, p. 206-213.
155Edgar Allan Poe was op dit tijdstip alleen maar een naam voor Van Deyssel, overigens precies een maand eerder, op 6 november 1888, voor de eerste maal ontvloeid aan zijn pen in een nooit verzonden en trouwens onvoltooid gebleven brief aan Gustave Kahn, door mij openbaar gemaakt in Briefwisseling Prins/Van Deyssel, p. 88, noot 207. Eerst in maart 1889 verdiepte Van Deyssel zich in de Poe-vertalingen door Charles Baudelaire; zie dezelfde Briefwisseling, p. 119-120, noot 315, alwaar alle beschikbare gegevens over Van Deyssels lectuur van Poe.
156Met Quincey is uiteraard bedoeld Thomas de Quincey, wiens naam Van Deyssel voor de eerste maal was tegengekomen in een door Gustave Kahn bijgedragen artikel aan de Revue Indépendante van november 1888. Ook Verwey was op dit tijdstip waarschijnlijk nog niet met De Quincey vertrouwd. Diens The English Mail-Coach (1849) werd in latere jaren door Verwey vertaald als De Engelsche postwagen. De in de Kerstdagen van 1896 verschenen inleiding tot die vertaling beslaat in het Tweemaandelijksch Tijdschrift, derde jrg., vierde aflev., maart 1897: p. 1-15. Daarna volgt, in dezelfde aflevering, het eerste deel van de eigenlijke tekst (p. 16-43), gedateerd 15/29 november 1896. De vijfde aflev., mei 1897, p. 205-224, bevat het tweede deel, gedateerd 7/13 december 1896, onmiddellijk gevolgd door het derde deel (p. 225-235), gedateerd 14/15 december 1896. Eerst in 1952 verscheen deze vertaling afzonderlijk te Utrecht, in een bibliofiele serie, uitgegeven door de Stichting ‘De Roos’.
157Zie noot 96.
prepostterug  begin  verder