terug  begin  verderprepost

64 A

Op 30 april 1889 bracht Albert Verwey om 9 uur 's morgens schriftelijk verslag uit aan Kitty van Vloten over een bezoek door hem op 29 april gebracht aan Karel Alberdingk Thijm: 161

‘Ik ben maar plotseling naar hem toe gegaan en ga je d'r alles van schrijven. Ik heb met hem gepraat van ½ 8 tot ½ 12 en heb geen spijt dat ik 't gedaan heb. Eer 't tegendeel. Hij is niets veranderd, zou ik zeggen, maar hij geeft zich meer zooals hij is. Hij doet natuurlijker. Vroeger zaten we altijd tegenover elkaar, elk in zijn vesting, en wou'en er niet uit komen: we waren bang, ons bloot te geven. Nu is hij hierin veranderd, en ik óok, is 't niet, dat we niet-bang-zijn en alles-open-zetten wel eens pleizierig vinden. Dit hebben we dan ook gedaan, en met het beste gevolg.

[p. 100]



illustratie
Willem Kloos (1859-1938). Foto Joseph Jessurun de Mesquita (1865-1890) ‘Kloos was mijn vriend en mijn dichter. Hem stelde ik, zoo wel den auteur als den dichtermensch, boven allen. Geen tweede man ter wereld heeft ooit zulk een reddeloos meêslependen indruk op mij gemaakt.’ Lodewijk van Deyssel, 14 juni 1937

[p. 101]



illustratie
Lodewijk van Deyssel (1864-1952). Foto George H. Breitner, 1889

[p. 102]

We hebben gepraat en gelachen als twee broertjes. Toen ik kwam was Erens er - maar die ging gauw weg. Weerszijde hebben we alle mogelijk literaire oudjes nog eens opgefrischt, toen onze herinneringen, toen bizonderheden verteld over onze manieren van werken en de buien waar je als schrijver last of pleizier van hebt. Toen literaire opinies. Hij zei o.a. Ik zou zeggen dat Gorter162 zich verhoudt tot de eerste dichters zooals Couperus tot de eerste naturalisten. - Hij leest met pleizier de stukken van Bolland,163 wat een van zijn liefhebberijen is, schoon hij ze ook om hun verdienste zou kunnen lezen. - Op v. Deventers dialoog164 gaf hij erg af. Boeken vond hij een grapjas-iemand.165

We spraken over de vrienden. Kloos: Die domineert graag / hij meende: speelt graag domino, en drinkt veel bittertjes. Dat zal wel zoo door gaan. Hij is nu 30. En er zijn zoo veel voorbeelden van o.a. Poe. Het eigenaardige van Kloos is juist dat altijd passief zijn en alleen in beweging komen door de omstandigheden. Er moet in hem geroerd worden.

Over Free. Die was bij hem geweest voor twee weken.166 Ja, twee weken geleden is hij hier geweest, zat op dien stoel waar jij nu op zit. En hij was verschrikkelijk lief, zie je, deê al zijn best vriendelijk te zijn, wezelijk welmeenend, - maar ik voelde tóch den heele tijd dat er een heele diepe onnaspeurbare ongelijksoortigheid van wezen in me zat die maakte dat ik niet met hem kon opschieten. Niet, dat ik hem niet mocht of iets tegen hem had, maar iets veel diepers, iets dat in onze natuur zit. We zijn niet voor elkaar gemaakt.

[p. 103]

Verder: Ja, hij schreef me eens167 waarom ik indertijd de correspondentie had afgebroken. Toen heb ik hem geantwoord: Amice, Ik weet niet of je dat bedoelt, maar ik krijg uit jouw brieven het gevoel dat je mij iemand vindt die onder je staat. En dat is nu best mogelijk dat ik dat doe, maar toch wil ik dat als ik omga met iemand die superieurder is dan ik, dat die dan toch doet alsof hij niet superieurder is. Ik gedraag me tegenover mijn minderen altijd als of ik iets minder was dan hun gelijke. En dat vind ik een pleizierige huichelarij, die ik nu eenmaal niet missen wil.’168

Wat later zei hij over 't zelfde: En, God, ik ben, ook al door dat schrijven en altijd me invoelen in de menschen, erg aantrekkelijk en ik vond het deplorabel toen hij daar op dien stoel zat en zoo lief deê, - maar ik kon toch niets anders doen dat ertegen aan kijken.

Ik zei hem dat ik ook altijd dat gevoel had dat v. Eeden als hij tegen me praatte 't nooit tegen mij had, maar tegen een kleiner mannetje, waar hij best bij kon. En ik zei dat ik daartegenover 't best vond in mijn eigen humeur door te gaan, net of V.E. er niet was; zooals je ook doet tegenover kinderen.

Hij heeft me beloofd dat ik de Van Vl. Varia169 zal kunnen overnemen. Hij vertelde me - en dat mag je aan Mama170 vertellen - dat zijn moeder indertijd een dagboek hield, en dat hij toen hij dat dezer dagen doorbladerde, daar o.a. in vond: Heden avond is de heer van Vloten hier geweest. Hij is een hoofsch man. Jammer dat hij geen andere beginselen heeft.’171 [...]

161Omdat Van Deyssels vader, J.A. Alberdingk Thijm op 17 maart 1889 was overleden, had zijn jongste zoon begin april Mont-lez-Houffalize voorgoed verlaten om nu tijdelijk, tot 10 augustus 1889, met zijn gezin in Amsterdam te verblijven, ten huize van zijn moeder, dus op het adres N.Z. Voorburgwal 161-163.
162De eerste zang van Herman Gorters Mei was verschenen in De Nieuwe Gids, vierde jrg., deel I, aflev. 3, februari 1889, p. 345-383. Volgens het Nieuwsblad voor den boekhandel was 9 maart 1889 de officiële verschijningsdatum van Mei.
Blijkens Enno Endt's Herman Gorter Documentatie over de jaren 1864 tot en met 1897, Amsterdam, 1964, p. 174, schreef Gorter in het exemplaar dat hij aan Hein Boeken gaf, de datum 1 maart. Eerst op 30 september 1889 had Van Deyssel Mei volledig gelezen; zie de Herman Gorter Documentatie, p. 194.
163G.J.P.J. Bolland had op dit tijdstip tweemaal aan De Nieuwe Gids meegewerkt. In de vierde jrg., deel I, aflev. 1, oktober 1888, p. 23-52: Natuurwetenschap en wijsbegeerte, en in de vierde jrg., deel II, aflev. 4, april 1889, p. 8-48: De lichamelijke verschijnselen en hunne gewaande zelfstandigheid. Zie ook Van Deyssels In memoriam professor G.J.P.J. Bolland, in de bundel Nieuwe Kritieken, Amsterdam, 1929, p. 8-16. Overigens had Van Deyssel, na kennisneming van de door Bolland aan De Nieuwe Gids, vijfde jrg., deel I, aflev. 2, december 1889, p. 210-255, bijgedragen studie over De wereldbeschouwing der toekomst, op 23 december 1889 genoteerd: ‘De Hartmann-filosofie, door Bolland in den Nieuwen Gids vertolkt, heeft, zooals ik steeds intuïtief en door ragfijne gevoelsdeduktie gedacht heb, niets van die ik maken wil.’
164Charles M. van Deventer had aan De Nieuwe Gids, vierde jrg., deel I, aflev. 3, februari 1889, p. 307-344, de aan Willem Kloos opgedragen dialoog Glaukon of over de moeite bijgedragen. Op 3 februari schreef Van Deyssel hierover aan Kloos: ‘Glaukon van uw vriend v. Deventer gaat waarschijnlijk mijn bevattingsvermogen te boven, dat is ten minst geen lektuur voor mij. Het proza van v.d. Goes en van Eeden vind ik dertig maal beter. Glaukon vind ik een stuk voor den studenten-almanak. Het zijn meestal gymnasiasten, ik bedoel gymnasium-leerlingen, die zich met zulke redeneer-oefeningen, in den trant van v. Heusdens Socratische School, vermaken.’
165Zie noot 28.
166Dinsdagavond, 16 april 1889.
167Op 19 november 1888; zie Briefwisseling Van Eeden/Van Deyssel, p. 27.
168Voor de letterlijke tekst, zie Van Deyssels brief aan Van Eeden, d.d. 21 november 1888 (Briefwisseling Van Eeden/Van Deyssel, p. 29-32).
169Een omvangrijke collectie overdrukken van verhandelingen en artikelen van Johannes van Vloten, uit de bibliotheek van J.A. Alberdingk Thijm, wellicht grotendeels identiek met no. 61 in de Catalogus van de verkoping, bij Burgersdijk & Niermans te Leiden, op 5-7 november 1945 van de bibliotheek van wijlen Prof. Dr. Albert Verwey.
170Verwey's toekomstige schoonmoeder, mevr. J.E.H.C. van Vloten-van Gennep (1824-1906).
171Onder de letters A.J. zou Van Deyssel meedelen in zijn biografie van J.A. Alberdingk Thijm, Amsterdam, 1893, p. 218: ‘Van Vloten en Thijm tutoyeerden elkaâr, meer dan eens kwam Van Vloten bij Thijm aan huis het déjeûner gebruiken. Mevrouw Thijm mócht Van Vloten ook zeer en teekende, heel in het begin van haar huwelijk met beminnelijke naïeveteit reeds in haar dagboek aan, dat het voor een man van zulke hoofsche manieren jammer was, dat hij zulke slechte “principes” had.’ Op 12 november 1942 zou Van Deyssel schrijven: ‘Mijn moeder, die een “godvruchtige” katholieke vrouw was, schreef over hem, in haar dagboek, het te betreuren, dat een man met zulke hoofsche manieren niet in God geloofde’ (Gedenkschriften, p. 491).aant.
prepostterug  begin  verder