terug  begin  verderprepost

65

Rozengr. 57

3 Mei '89

 

Amice,

Ik tref het dan maar altijd even ongelukkig. Die van gisteravond was de tweede uitgang in éen week die ik met het gemis van jouw gezelschap bekoopen moest. Ik

[p. 104]

wou nu dat ik de een of andere diskreete manier wist om je te suggereeren vanavond of morgenavond naar me toe te gaan, omdat ik dán zeker thuis zal zijn.

Intusschen stel ik mezelf schadeloos door je een exemplaar van mijn pas gedrukt vers172 te sturen. Een tweede Exempl. dat ik bijleg zou ik graag je moeder hebben aangeboden, als ik niet dacht dat het beter zou wezen jou te verzoeken dat voor me te doen, te doen als jij geloofde dat het haar niet onaangenaam zou zijn. Vin je 't mogelijk beter dat ik 't zelf stuur, zeg me dat dan, dan zal ik 't doen.

Groetend

 

tt

Albert Verwey

[p. 105]


illustratie
Josephus Albertus Alberdingk Thijm, na zijn overlijden op 17 maart 1889 opgebaard in zijn woning aan de N.Z. Voorburgwal 161 te Amsterdam

[p. 106]


illustratie
Bidprentje ter commemoratie van Josephus Albertus Alberdingk Thijm

[p. 107]


illustratie
J.A. Alberdingk Thijm in zijn studeervertrek, het zogeheten ‘kabinetje’. Tekening (niet naar het leven) door Johan Braakensiek (1858-1940) in het weekblad De Amsterdammer van 24 maart 1889

172Het door Verwey aan Frank van der Goes opgedragen Bij den dood van J.A. Alberdingk Thijm, verscheen in De Nieuwe Gids, vierde jrg., deel II, aflev. 5, juni 1889, p. 244-231, voor de eerste maal herdrukt in de Verzamelde gedichten, Amsterdam, 1889, p. 218-230. In déze uitgave wordt het gedicht afgedrukt conform de Nieuwe Gids-publicatie. De twee op 3 mei 1889 aan Van Deyssel aangeboden exemplaren zijn niet door mij teruggevonden. Op 14 mei 1889 berichtte Hein Boeken aan Alphons Diepenbrock: ‘Er is een brochure van Albert uitgekomen in rijmelooze vijfpooten, op den dood van den ouden Alberdingk. Goes en Kloos komen er ook in voor. Als ik een exemplaar machtig kan worden zal ik het meebrengen. Kloos en ik vinden het natuurlijk niet mooi, Gorter wel. Maar het is toch niet zoo antipathiek als van het Leven.’ (Alphons Diepenbrock, Brieven en Documenten, I, p. 187-188). Al op 5 mei 1889 had Van Eeden aan Kloos geschreven: ‘'t Had een aardig prozastukje kunnen worden - maar ik begrijp niet hoe iemand plezier heeft daar jamben van te maken. Vind jij er werkelijk versregels in? Dan toch niet veel. Als ze er zijn dan hebben ze nog geheel den klank van “Van 't Leven”, 't Is bedaarder, wijzer en vriendelijker, maar weinig mooier.’ Aan de keerzijde van deze brief schreef Van Eeden echter: ‘dit vind ik wel mooi
 
‘En 'n oud mansbeeld, schoon levende in mijn ziel
 
Valt om, en leit, 'n grijs lijk, in mij, droefst woud.’
en dit, maar minder
 
‘Wat een mensch doen moet om ééns zóo te zijn,
 
Dat hij zichzelf glimlachend leven ziet.’
Bij dit gedicht, waarover Maurits Uyldert in De jeugd van een dichter, p. 270-272, allerlei bijzonderheden heeft verstrekt, stond Kloos wat langer stil in zijn bespreking (De Nieuwe Gids, vijfde jrg., deel II, aflev. 2, december 1889, p. 281-292) van Verwey's Verzamelde Gedichten. Kloos oordeelde toen zoals eerder Van Eeden: ‘Dit is verstandswerk, geen gevoelsuiting, maar verstandswerk hoort in het proza tehuis.’
prepostterug  begin  verder