172Het door Verwey aan Frank van der Goes
opgedragen
Bij den dood van J.A. Alberdingk Thijm,
verscheen in De Nieuwe Gids, vierde jrg., deel II, aflev. 5, juni 1889, p.
244-231, voor de eerste maal herdrukt in de
Verzamelde
gedichten, Amsterdam, 1889, p. 218-230. In déze uitgave wordt het
gedicht afgedrukt conform de Nieuwe Gids-publicatie. De twee op 3 mei 1889
aan Van Deyssel aangeboden exemplaren zijn niet door mij teruggevonden. Op
14 mei 1889 berichtte Hein Boeken aan Alphons
Diepenbrock: ‘Er is een brochure van Albert uitgekomen in rijmelooze
vijfpooten, op den dood van den ouden Alberdingk. Goes en Kloos komen er ook
in voor. Als ik een exemplaar machtig kan worden zal ik het meebrengen.
Kloos en ik vinden het natuurlijk niet mooi,
Gorter wel. Maar het is toch niet zoo
antipathiek als van het Leven.’ (Alphons Diepenbrock,
Brieven
en Documenten, I, p. 187-188). Al op 5 mei 1889 had Van Eeden aan Kloos geschreven: ‘'t Had een aardig
prozastukje kunnen worden - maar ik begrijp niet hoe iemand plezier heeft
daar jamben van te maken. Vind jij er werkelijk versregels in? Dan toch niet
veel. Als ze er zijn dan hebben ze nog geheel den klank van “Van 't Leven”,
't Is bedaarder, wijzer en vriendelijker, maar weinig mooier.’ Aan de
keerzijde van deze brief schreef Van Eeden echter: ‘dit vind ik wel mooi
‘En 'n oud mansbeeld, schoon levende in mijn ziel
Valt om, en leit, 'n grijs lijk, in mij, droefst
woud.’
en dit, maar minder
‘Wat een mensch doen moet om ééns zóo te zijn,
Dat hij zichzelf glimlachend leven ziet.’
Bij dit gedicht, waarover Maurits Uyldert
in
De jeugd van een dichter, p. 270-272, allerlei
bijzonderheden heeft verstrekt, stond Kloos wat langer stil in zijn
bespreking (De Nieuwe Gids, vijfde jrg., deel II, aflev. 2, december 1889,
p. 281-292) van Verwey's
Verzamelde Gedichten. Kloos
oordeelde toen zoals eerder Van Eeden: ‘Dit is verstandswerk, geen
gevoelsuiting, maar verstandswerk hoort in het proza tehuis.’