terug  begin  verderprepost

74

Noorwijka/Z

Villa Nova

13 Decr. '90

 

Sta me toe, amice, uit het donker van mijn zwijgen een hand te laten blinken in het licht van je geestdrift.187 - Ik óok geloof dat het huis van onzen staat zijn kroonlijst hebben moet èn zijn riolen, - het heelal van ons volks-zijn zijn zon èn zijn poelen. - Ik vind niet dat Kunst luxe is188 - niet de Kunst, want niet de zon, want niet de kroonlijst. Maar de kroonlijst, de zon en de Kunst vind ik dat het hoogste zijn.

[p. 127]

Het pijnt je - zeg je - dat Goes, die zoo voor dat hoogste voelt, werk doet aan het laagste. Maar waarom? Van alle huizen moeten riolen en fundeeringen éerst gelegd worden, en zoolang dááraan gewerkt wordt staan de beeldhouwers op een afstand, en vóórbereiden ze hun kronende mooi.

't Volk is het fundament van het Staats-huis. Door het volk gaan de rioleeringen. Opperlui en metselaars, daarin bezig, zijn pamflettenschrijvers, redenaars, agitators, oprichters van klubs, leiders van besprekingen: - de beeldhouwers op een afstand zijn kunstenaars, staatslieden, vorsten. Zij bereiden voór in stilte. Als een vriend, een die voelt voor hen, onder 't volk werkt, zullen ze dan klagen! Waarom toch? Zal 't schade aan 't huis doen als de legger van de fundeeringen ook iets voelt van de begeestering waarmee heilige handen den beitel zullen voeren aan de kroon? Ik geloof het niet.

Nu is het de tijd van het grondleggen: 't werkvolk is bezig. Hier en daar zoo'n ontwikkelden. Goes is een van die. Hij, die van 't grootste voelt, werkt aan het laagste. Laat er ons blij om zijn. Zijn eerbied zal zitten in de muren, zijn veneratie voor wat hoog zal staan in de bindten die 't zullen dragen.

Aanstonds komt jouw beurt wel. Goes, die dan klaar is zal je toejuichen. En later, als wij dood zijn, zullen vreemdelingen opzien en zeggen: Zie, Holland daar: is het niet prachtig? En heel hoog, kijk, dat deê Van Deyssel, dat - en dan nog andere namen - en een die een goed werker was aan de fundeeringen en oók een goed vriend van die kunstenaars, was Franc van der Goes.

Laat me, amice, mijn hand nu terugtrekken, maar niet, hoop ik, dan nadat je ze hebt gedrukt.

Schrijf me eens en geloof me

 

tt

Alb. V.

187Verwey reageert hier op Van Deyssels open brief, ‘Aan den Heer F. van der Goes’, over Gedachte, kunst, socialisme, enz., verschenen in De Nieuwe Gids, zesde jrg., deel I, aflev. 2, december 1890, p. 249-262; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, p. 43-57.
188Van Deyssel had betoogd, a.w., p. 253: ‘Niet alleen is Kunst luxe, maar ook is luxe kunst. De japonnen, de rijtuigen, de huizen der rijken behelzen veel meer kunst dan die der armen. Alle begrip van luxe [is] gegrondvest op een begrip van kunst. Juist de luxe, juist het óverbódige, is de kunst. Daar waar het alleen-komfort eindigt en waar de wéelde, de overdaad, begint, dáar begint ook de kunst.’
prepostterug  begin  verder