terug  begin  verderprepost

75

Bergen-Op-Zoom,

17 December 1890

Hk. Wassenaer- en

v. Hasseltstraat

 

Amice,

Ik had je al lang eens willen pogen te schrijven en je nu ook per keerende post willen andwoorden als teeken van het aangename dat weêr eens iets van je te hooren mij bezorgde, indien het gemis aan evenwicht in mijn karakter zich sinds eenige weken niet ook weêrkaatste in mijn wanbeheer van mijn werkkamer-temperatuur. Den heelen dag door heb ik het beurtelings veel te koud en veel te warm, zoo dat met gesprekken met smidsknechts, met het bekleeden mijner deur- en vensterreten, met het verwisselen van kachels, het manoeuvreeren van vuurschermen en het met mijn schrijftafel en stoel door de kamer dansen van de eene plek naar de andere, het aan- en uit-doen van verscheidene lagen onder- en boven-kleêren, en zoo meer, díe gedeelten der dagen verpulverd worden, die niet door langdurige moedeloosheids-buyen over dien zelfden toestand worden ingenomen.

[p. 128]

De questie-Goes stel je, met je welnemen, m.i. verkeerd. Immers, níet pijnt mij, dat iemant, die aan de fundeeringen werkt, veel voelt voor de kroonlijst-houwers, maar alleen dat hij de fundeeringen op zolder wil maken. Terwijl ik boven op den steiger de eerste beitelstooten in de kroonlijst geef, word ik gehinderd door de rioolreuk die door de luikkozijnen komt. Maar ook, al blijven zij beneden, wie kan er rustig bóven werken als het werken in de fundeeringen zoo wild toe gaat dat het heele gebouw er van schudt? - Buiten-dien is hier iemant in de riolen bezig, die, naar ik meen, beter als glazenmaker op de eerste en tweede verdieping dienst zoû kunnen doen. -

Houd mij ten goede, als ik vermoed, dat je noch van ‘In het Jaar 2000’189 noch van Goes' brief aan Tindal190 hebt kennis genomen. Want heb jij niet in der tijd geschreven, dat je liever in je vuisten de Hollandsche aarde in de zee zoû dragen dan te dulden dat die door vreemden werd in beslag genomen191 en is onze vriend niet van gevoelen, dat Nederland bij Duitschland ten spoedigste ingelijfd moet worden? Als van der Goes een Held-met-kunstliefde was, zoû je in je brief gelijk hebben, maar hij is een Domela-Nieuwenhuis-met-kunstliefde; en dit kan op den duur niet volgehouden worden noch goede uitkomsten hebben. Geen socialistiesch lijf kan met goed-fatsoen in een hovelingen-mantel gekleed gaan, maar wel kan iemant een tijdje gevierendeeld worden, terwijl aan zijn beenen de magneet van het socialisme trekt en de luchtballon der Kunst aan zijn armen. -

Ik vind Kunst ook geen luxe, maar ook vind ik dat luxe geen luxe is. Als luxe luxe is, is m.i. Kunst ook luxe. Als ik zeg: Kunst is luxe, meen ik: de socialisten moeten vinden dat Kunst luxe is. Als ik zeg: Kunst is luxe, zeg ik daarbij, dat luxe naar mijne meening iets hoogs en onmisbaars is.

Lees ‘In het Jaar 2000’ - je zult buiten of tegen alle redeneering in - een aan het mijne analoge gevoel niet kunnen ontkomen. -

In Amsterdam192 gaan allerlei zonderlinge geruchten over je: dat je de Kunst vaarwel-zegt, dat je ‘studeert’, dat je een werk over Literatuur-geschiedenis onder handen hebt. Niet menschen die het direkt kunnen weten zeggen dat, maar zij die

[p. 129]

minder in de buurt zijn; ook in provinciesteden193 wordt dat gemompeld. Ik hoop, dat, met je blinkende hand, je heele stijlgestalte, met haar groote gestes, dat gerucht zal komen verpletteren zonder te veel uitstel.

In April hoop ik in de gelegenheid te zijn een uurtje belet bij je te komen vragen. Ik druk je intusschen de hand, waaruit ik voor me zelf ook wat versche schrijfkracht hoop te krijgen.

Je moet overigens een inspireerender horizon hebben dan ik, jij de zee en ik twee muren. -

 

tt

Karel Alberdingk Thijm

189Edward Bellamy, Looking Backward, vertaald als In het jaar 2000, door Frank van der Goes, Amsterdam, 1890; ook door Van Deyssel besproken, onder de letters A.J. en onder de titel Philantropische zeepbellen, in het weekblad De Amsterdammer no. 693, 5 oktober 1890.
190Bedoeld wordt Van der Goes', als brochure verschenen, open brief Aan den Heer Henry Tindal, Amsterdam, z.j. [1890].
191Van Deyssel citeert hier, en dat duidelijk uit zijn hoofd, een uitlating van Verwey die hij destijds had aangetroffen in De Nieuwe Gids, derde jrg., deel II, aflev. 5, juni 1888, p. 232. Verwey richt zich daar tot de Vlamingen: ‘Geloof me, - het gaat niet aan tegen elkaar op te bieden in vaderlandslievendheid, - máár geloof me, ik weet er hier, niet-opgewondenen, niet-naieve-verblinden, die de aarde van dit land met hun vuisten in zee zouden dragen, eer dan te dulden dat ze ont-hollandscht werd.’
192Laatstelijk had Van Deyssel Amsterdam bezocht van vrijdag 12 september tot en met dinsdagnamiddag 16 september 1890. Voor bijzonderheden over dat verblijf, zie p. 132, noot 231, van de Briefwisseling Van Deyssel/Ising.
193Van Deyssel dacht hierbij aan de gesprekken met J.J. van Laar bij wie hij op 14, 15 en 16 juni 1890 te Middelburg logeerde. Over Johannis Jacobus van Laar (1860-1938), auteur van o.m. de in 1889 anoniem bij A. Rössing te Amsterdam verschenen brochure Physiologie van De Nieuwe Gids, verschaft Karel Reijnders, Couperus bij Van Deyssel, Amsterdam, 1968, p. 107-108, tal van gegevens.
prepostterug  begin  verder