terug  begin  verderprepost

79

Bergen-Op-Zoom,

23 Januari 1891

Hoek Wassenaer- en

Van-Hasselt straten

 

Amice,

Misschien heb ik mij op mijn briefkaart verkeerd uitgedrukt. Ik bedoelde, dat ik mij, op je vraag naar mijn geestelijken inboedel, een te officiëel andwoord had veroorloofd. Dat andwoord bestond in een beschrijving van mijn denken over de verschijnselen Kunst en Geloof,198 waarvan het rapport in dezen tijd veel van mijn mijmeringen in beslag neemt. Het verschil tusschen visionnairen als Dante en Shelley en visionnairen als de oud-testamentische David en de nieuw-testamentische Heiligen. Ik maak er nu een openbaar opstel van, maar denk niet dat voor februarie klaar te krijgen.

De questie van het Socialisme preökkupeert mij óok nog al, meer dan ik in

[p. 132]

andere uren weêr vind, dat voor een letterkundige eigenlijk passend is. Van der Goes heeft nu een andwoord op mijn stuk geschreven, dat weldra verschijnen zal.199 Nu zit ik te aarzelen of ik daar weer op andwoorden zal of niet. (Hij heeft namelijk de vriendelijkheid gehad mij zijn andwoord in proef reeds te zenden). Het voortzetten der polemiek door mij vind ik onvriendelijk en zonder waarschijnlijkheid van uitkomst, dus zoû ik het maar niet doen...; ja maar, ik heb er op 't oogenblik juist een heeleboel over in mijn hoofd, en nu is de gelegenheid mooi om dat eens te luchten, dus zoû ik het maar wèl doen...200 Jouw, die Bellamy en Tindal niet hebt gelezen, zal het nu komend Goes-stuk voldoende inlichten. Kenmerkend is vooral zijn appreciatie van Napoleon,201 hierin ligt, dunkt mij, de essenzie van het tegenovergestelde van artisticiteit. Zij bewijst de juistheid van mijn flair van het Socialisme.

[p. 133]

Er zijn geen menschen, wier konversatie zoo suggestief op mij werkt als de jouwe (en die van Erens,202 vooral zes jaar geleden). Niet alleen wat je 'ereis geschreven hebt over iemant die Het Boek zoû schrijven voor weêr twintig eeuwen mensch-heid,203 maar ook wat je mij eens op je kamer gezegd hebt over de manier-van-zien van Rembrand. Je had die manier eens gevoeld-merkt toen je op een ochtend een vrouw uit een dakvenster zag kijken. Weet je het nog? Ook de verhouding van Van Deventer (in zijn Dialogen) tot Plato, heb je mij met een unieke dadelijkheid van konversatie-bekwaamheid duidelijk gemaakt. Ik schrijf hierover om dat ik het laatst met iemant, ik geloof met Van Looy,204 hierover gehad heb. Die Witsen is voor mij ondoorgrondelijk, die zegt geen woord.205 Van Looy noemt dat mooye sprakeloosheid. Maar ik vind het inferieur om dat er dédain of affektatie in is.206

Ik ben op 't oogenblik verdiept in Ellen, het gedicht van Van Eeden, waarover ik iets schrijf.207 In mijn schatting is dit gedicht onbegrijpelijk veel beter dan al v. Eedens overige werk. Ik vind het heel mooi en zeg er dingen van in mijn eigen op zonder het te weten.

 

Ik ga nu werken aan korte stukjes208 in den trant van Menschen en Bergen, maar steeds intenser, en te gelijk aan een roman209 iets minder violent. Juist in de laatste maand is mijn werklust weêr bizonder opgekomen. Maar och, ik zoû zoo graâg buiten wonen, het liefst van alles in de buurt van waar ik van-daan gekomen heb. Heb-je de Brieven van Multatuli210 gelezen?

Kómt er nu nog iets van je uit dezer dagen? Maak je geen drama? Ik houd mij

[p. 134]

zeer aanbevolen om daar iets naders over te vernemen. Je woont daar wel heerlijk aan de zee; maar ik geloof toch, dat ik bergen en dalen zoû verkiezen.

 

Vaarwel

tt

Karel Alberdingk Thijm

 

Heb je al gezien, dat er is opgericht: het Tijdschrift der Nederlandsche Renaissance-literatuur, getiteld Wat wij willen,211 hoofdredakteur J. Winkler Prins?

198Zoals ten dele kan worden nagelezen in Dertien close-ups, p. 93, werd Van Deyssel sinds zondagmiddag 21 december 1890 in beslag genomen door zijn plan aan De Nieuwe Gids van februari 1891 een Akte van Geloof bij te dragen, nu hij in de nacht van 20 op 21 december in ‘een luid en koortsig gedachteleven’ plotseling ‘het katholieke dogma, in meêdogenloze konsequencie, als de eenige waarheid’ was gaan construeren, daarbij ook de hel aanvaardend. Over deze ervaring wilde Van Deyssel verslag uitbrengen in een aan François Erens op te dragen Akte van Geloof, een ‘redeneerende fantazie’ in de trant van Edouard Dujardin's, in 1885 aan de februari-aflevering van de Revue Moderniste (p. 44-51) bijgedragen, Le Kabaliste, en voorzien van een aan Maurice Barrès ontleend motto: ‘Aujourd'hui j'habite un rêve fait d'élégance et de clair-voyance.’ Met deze laatste zin opende Maurice Barrès het twaalfde hoofdstuk (Mes conclusions) van de in 1889 verschenen roman Un homme libre, de tweede in de reeks egotistische romans, uitgegeven onder de verzameltitel Le culte du moi in deze volgorde: Sous l'oeil des barbares (1888), Un homme libre (1889) en Le jardin de Bérénice (1891).
Van Deyssel had er uiteraard geen idee van hoe deze Akte van Geloof door zijn vrienden en bentgenoten zou worden ontvangen. Hij besloot daarom aan dit document humain een misleidende ondertitel mee te geven, te weten: ‘Redeneerende fantasie’ en het hele stuk in de trant te houden van Edouard Dujardin's Le Kabaliste. Zoals diens lezers hadden moeten gissen of Dujardin's zich manifesteren als kabalist, dus als adept van de geheimleer die in de Kabala besloten ligt, al dan niet ernstig kon worden genomen, zo zouden de lezers van De Nieuwe Gids maar dienen te raden naar Van Deyssels diepste gronden voor het schrijven en openbaar maken van de Akte van Geloof. Bij het afwegen van die gronden zouden de lezers stellig een conclusie trachten te verbinden aan de opdracht waarmee François Erens begunstigd was. Erens toch was, anders dan Van Deyssel, de Moederkerk niet ontrouw geworden en had zich niettemin, binnen de kring van de a-religieuze Tachtigers, weten te handhaven als een allerwegen warm gerespecteerde figuur, aan wiens oordeelvellingen meer dan gewone waarde werd toegekend.
Zie in dit boek ook Van Deyssels op 9 februari 1891 verzonden brief van 16 januari 1891.
199F. van der Goes, Studies in socialisme, I, Over socialistische aesthetiek. Antwoord aan L. van Deyssel, in De Nieuwe Gids, zesde jrg., deel I, aflev. 3, februari 1891, p. 369-404.
200Dat gebeurde overigens precies een jaar later met het stuk over Socialisme in De Nieuwe Gids, zevende jrg., deel I, aflev. 3, februari 1892, p. 365-396; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, p. 277-311.
201F. van der Goes, Studies in socialisme, I, p. 371-372: ‘Ik zeg het u en gij zult mij gelooven, maar ik kan niet lezen over Napoleon en zijn heldendaden zonder de fyzieke onrustigheid en somtijds de daarvan groeiende walging te gevoelen, die het ruiken van stank of het hooren van een valschen vioolsnaar of het zien van een vies beest teweeg brengt. Voor zulke menschen als Napoleon ga ik in mijn lektuur uit den weg, als voor een wagen van de privaat-reiniging in de straat. De zuivere waarheid is, dat als ik hoor van zijn overwinningen en zijn krijgsroem, ik dadelijk zooveel vrouwen zie huilen over hunne mannen en aanstaande mannen en zoons, en tegelijk zooveel verbrande huisjes en geroofde eigendom van arme opspaarders, en mij zooveel angst en pijn van gewonden voorstel en de verliederlijking van zooveel fatsoenlijke menschen in de veldtochten verbeeld en de ontzettende ongerustheid van hun familie en de treurige vernedering van de verslagenen, dat ik den naam van den onvermoeibaren maaier van menschen, zoo afzichtelijk vind als Zwarte Dood en baarlijke Satan. Ik verbeeld mij deze Napoleon als een van den duivel bezeten boozen boer uit de middeleeuwen, die des nachts zijn woning verlaat en met zware zakken beladen, de kwalijk beploegde akkers betreedt van zijn buren, waar het met groote moeite gewonnen zaad juist gestort is in de ongelijke vore; een doodend werk met gebrekkige gereedschappen, het eenige levensmiddel van ellendige dorpen vol hongerige menschen; de verwachting van een op zijn best schralen oogst; de magere hoop van de massa overgegeven aan de genade van de natuur, aan de verwoestingen van wilde dieren, aan de inbreuken van onstuimig edelvolk op de jacht. De behekste boer zet den voet op de velden door hoop en offer zoo eerbiedwaardig als een armoedig kerkje in een dorp van strooien hutten. Hij zet den voet op de velden en bestrooit ze rijkelijk met zaad van onkruid, branderig, vol vergif en woeker; de nacht ziet hem zwoegen met onveranderd gezicht, gebogen onder den verdervenden arbeid van zijn handen, met groote en snelle stappen voltooiend wat de anderen met dagen en weken van moeilijke schreden moesten doen, en voor de ochtend geheel is gerezen trekt hij terug in zijn huis, zwijgend en alleen, begeerig te hervatten in het donker wat hij moest staken in het licht. In plaats van met halmen, geel en vol, bedekt zich de bodem met een dicht gewas van onuitroeibaar wanloof, verslagen en met stille tranen zien de menschen, voor wie het voedsel moest groeien uit den akker, het wonder aan dat hun hongersnood brengt, zij weten niet dat een hunner, een schrikkelijke zaaier van leed, in den nacht de kiemen van hun nooddruft heeft verstikt...’
202Zie Gedenkschriften, p. 643-655.
203Zie noot 111.
204Jacobus van Looy had van 17 tot 22 oktober 1890 bij Van Deyssel gelogeerd.
205Tijdens zijn laatste verblijf in Amsterdam (zie noot 192) had Van Deyssel in de nacht van zondag 14 september 1890 Kloos bezocht op diens toenmalige adres Jan van der Heydenstraat 259 (in juni 1892 werd dit adres door vernummering gewijzigd in Jan van der Heydenstraat 87) en daar toen ook Willem Witsen en Hein Boeken aangetroffen, die eerst om half vier 's morgens huiswaarts keerden, waarna Van Deyssel en Kloos zich te ruste begaven.
206Eerst in latere jaren zouden Van Deyssel en Witsen elkaar gaan waarderen; zie Gedenkschriften, p. 639-643. Op 19 december 1892 schreef hij nog aan Arnold Ising: ‘Witsen ken ik absoluut niet - als ik er bij ben, zegt hij nooit een woord’, waarop Ising repliceerde: ‘Witsen zegt geen woord tegen U, als hij U ziet omdat hij verlegen is, en een enorme consideratie voor U heeft.’ (Briefwisseling Van Deyssel/Ising, p. 177, 180).
207Van Deyssels bespreking van Van Eeden's Ellen verscheen in De Nieuwe Gids, zesde jrg., deel I, aflev. 3, februari 1891, p. 429-436; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, p. 75-83.
208Te weten: In de zwemschool, Een huwelijksaanzoek en Afsterven. in De Nieuwe Gids, zesde jrg., deel II, aflev. 4, april 1891, p. 30-35; idem, aflev. 6, augustus 1891, p. 467-469; idem, zevende jrg., deel I, aflev. 1, oktober 1891, p. 120-122; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, p. 133-138, p. 169-171 (onder de titel De koning der eeuwen) en p. 201-203.
209Te weten: Jeugd, in De Nieuwe Gids, zevende jrg., deel I, aflev. 3, februari 1892, p. 342-360; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, p. 253-273.
210Onder de letters A.J. zou Van Deyssel schrijven over De brieven van Multatuli, in Nederland, jrg. 1891 I, p. 125-166; p. 320-370; p. 431-478; idem, 1891, II, p. 423-474. Zie daarover Van Eedens brief, d.d. 14 april 1891 (Briefwisseling Van Eeden/Van Deyssel, p. 111).
211Terloops zou Van Deyssel daarover schrijven in De Nieuwe Gids, zesde jrg., deel II, aflev. 4, april 1891, p. 130-132; voor de eerste maal herdrukt in De scheldkritieken, p. 218-219.
prepostterug  begin  verder