terug  begin  verderprepost

83

[verzonden op 9 Februari 1891]

 

Bergen-Op-Zoom,

16 Januarie 1891

Hoek Wassenaer-

en Van Hasseltstraten

 

Amice,

Als vervolg op de mededeelingen, die ik zoo vrij was je in mijn vorigen brief te doen, bericht ik, dat ik sinds een paar weken tocht-vrij zit en mijn stoffelijke inboedel mij nu met rust laat.

Op je vraag naar mijn geestelijken inboedel is het mij moeilijker te andwoorden. Die leit nog al tamelijk ongeordend, en het is niet onmogelijk dat ik aan 't verhuizen ben. Er gaan stroomingen naar het ‘Geloof’215 door mij heen, waarvan ik niet weet of zij alleen uit herediteit en reaktionairheid te verklaren zijn. Het komt hierop neer - het is een gevoel, dat Erens ook goed kent -, dat, terwijl ik vroeger de toestand, de algemeene geestes-staat, het zielewezen, van den kunstenaar iets vond, superieur aan het zielewezen van den geloover, en dat de kunstenaar in zijn stemmingen de verschillende gelooven (god-visiën) der tijden even reëel als de geloover, maar te gelijk bewuster, uit de hoogte van zijn kunstenaarheid beurt om beurt als goddelijke liefhebberijen, kon beoefenen en doorleven, - ik tegenwoordig nu en dan niet ongeneigd ben het Geloof voor iets hoogers te houden dan de Kunst. Ik bedoel, dat er in den Heiligen Augustinus en in Thomas a Kempis een mooyere ziel, een hoogere toestand van zieleleven was dan in Dante of Milton. Ik bedoel, dat er in David iets essentiëel anders omging dan in Shelley, dat David zíjn God essentiëel intenser zag dan Shelley de Grieksche Goden.

Toen de Kunst in mij wèrd, had ik een dagelijksch, van den ochtend tot den avond ononderbroken verheerlijkt leven. Dat heb ik nu sinds jaren niet meer. Daar heb ik behoefte aan, en het komt mij voor, dat iemant, die ‘gelooft’ met de hevigheid der visionnairen, die de Katholieke Kerk als heiligen vereert, dat wèl heeft.

[p. 137]

Elke dag is een ononderbroken vergoddelijke reeks uren voor den geloover.

 

9 Februarie 1891

 

Amice, Hierbij stuur ik je een mijner briefbeginnen aan je, waaruit je zal zien, dat je veronderstelling van de stad met de palen niet heelemaal uitkomt.

Ik vroeg of je een drama schreef, om dat je dat al tijd van plan bent geweest en men in langen tijd niets van je had gehoord.

 

Ja, met wat ik je gevraagd heb over dat Beaumarchais-stuk216 zit ik nu eigelijk niet weinig verlegen. Ik kan je toch eigelijk moeilijk verzoeken of je mijn schoenen wilt poetsen, niet waar? Wil het beschouwen als of wij samen op reis waren en je, om dat ik zoo moe was, een half uurtje mijn koffertje droeg. Het is ook méer dan ik dacht toen ik vroeg. Als je niet gedisponeerd bent om dit even te vertalen, wil dan zoo goed zijn het mij te melden. Ik weet nog niet wat ik dan doen zal. Waarschijnlijk laat ik het er dan eenvoudig uit; maar dit zou leelijk tegen den uitgever zijn.

Ik ben zeer verheugd je weder-intrek in den N.G. te hebben gezien. Mij dunkt, dat deze Neuriïng precies in het zelfde accent is als de korte gedichten, waarin de visschen schemer-in schemer-uit zwemmen.217

Het eigenaardige van de lektuur van je verzen is, dat men ze niet kan lezen, zonder te gelijk jouw stem te hooren die ze zegt:

 
Lacht in 't hel-óppe
 
Gedicht...218

Ik hóor je dat ten aller-duidelijkste zeggen.

Vaarwel. Ik ben al-weêr aan een stuk over het Socialisme219 bezig. Maar ik ben ziekelijk, suf, duf, van het opgesloten werken220 en bezocht door Milton-achtige fantasiën,221 waarin duivelen als ketting-kogels door het Heelal vallen.

 

tt

Karel Alberdingk Thijm

215Zie noot 198.
216Voordat Van Deyssel zich op 9 februari 1891 zette tot het schrijven van deze brief had hij weer eens vijftien pagina's uit Beaumarchais' Figaro vertaald.
217Dit slaat op de versregels uit de tweede van de Vijf idyllen; zie Oorspr. Dichtwerk, I, p. 111: ‘In 't stil en frisjes,/ Zwemmen veel visjes,/ Zonder geluid,/ Schemer in, schemer uit,/ En dan even van zilveren schubjes 't geflonker,/ En wegschieten van zwart in 't doorzichtige donker.’
218Dit zijn de slotregels van Neuriïng, no. III; zie noot 212.
219Zie noot 200.
220Al op zondag 1 februari 1891 had Van Deyssel moeten vaststellen dat zijn algemene gesteldheid alles te wensen overliet: ‘Overwerkt, bekookt, mijn oogen zijn er van ingevallen (Never mind! Dóorgaan!), met kleine tijdelijk verergeringen door te weinig uitgaan en konstipatie. Je wéet wel, Kareltje, dat, al voel je je nóg zoo beroerd, en je gáat maar aan den gáng, het werk dan juist op de beroerd-voeling kalmeerend ageert.’
221Verwerkt in de vierde zang van Apokalyps; zie de Tweede bundel Verzamelde Opstellen, Amsterdam, 1897, p. 261: ‘Onder de loeyingen van de woedende boven-zee ging hij, door de knetterende en roode vonken spattende dampen. Als vlammende geele worpen striemden fluitingen rond, met grauw-geele kogels, die butsten op den schedel.’
prepostterug  begin  verder