terug  begin  verder
[p. 12]

2. Joannes Vollenhove(1)

Joannes Vollenhove werd op 2 juni 1631 (oude stijl) geboren in het Overijsselse Vollenhove, als tweede van de negen kinderen die ons bekend zijn van de advokaat Arnoldus Vollenhove en diens vrouw Geertijen Berents Alten. In Kampen heeft hij de Latijnse school van rector Joannes Willemsz Wendbeiel bezocht,

 
Daar eertyts onze jeugt
 
Ter schole, 't zaat van taalkunde en van deugt
 
Ontving, om wel [deugdzaam] te leven,

schreef hij in 1682 (Vollenhove 1686: 217; zie ook 219). Van deze school heeft hij in april 1648 afscheid genomen met het uitspreken van de Oratio pro electivo imperii statu contra haereditariam successionem, exercitii causa habita in publico Scholasticae promotionis acta (Kampen: Rudolph Worst, 1648). In datzelfde jaar werd ‘Joannes Vollenhovius Vollenhovianus’ ingeschreven aan de Utrechtse universiteit (Alb. Stud. 1886, kol. 19) waar hij, ter voorbereiding op zijn theologiestudie, aanvankelijk werd onderricht in o.a. recht, geschiedenis, talen en wijsbegeerte, en zich vervolgens aan de Godgeleerdheid heeft gewijd. Op 13 juli 1653 is ‘Joannes Vollenhovius, Trans-Isalanus’ in Groningen ingeschreven als student in de theologie (Alb. Stud. 1915, kol. 68), onder andere bij de orthodoxe Samuel Maresius dus. In januari 1654 heeft hij het peremptoir examen voor de classis Meppel afgelegd, en in de eerste maanden van dat jaar is hij benoemd tot predikant in het Drentse Vledder. Van die kleine gemeente is hij op 8 november 1655 alweer heengegaan, wegens zijn beroeping naar het veel grotere Zwolle. Daar heeft hij Kruistriomf voltooid, zijn dichtwerk over Christus' dood op het kruis en de gebeurtenissen die onmiddellijk daarna hadden plaatsgevonden. Dit stuk meditatieve poëzie, waaraan hij in Vledder begonnen was, heeft hem een goede naam als dichter bezorgd: het werd door zijn tijdgenoten en door achttiende-eeuwers zeer gewaardeerd (Stronks 1996: 184-185) en wordt ook nu nog als zijn beste dichterlijke schepping bestempeld(2).

In Zwolle trouwde hij op 3 maart 1657 met de juist achttienjarige Gesina Ha(ec)ke(3), dochter van een Zwolse burgemeester. Na een bijna tienjarig leraarschap hield hij op 18 augustus 1665 zijn afscheidspreek te Zwolle, mogen we Moonen geloven, tot groot verdriet van de Zwolse gemeente (Moonen 1700: 183):

[p. 13]
 
Toen myn geboortestadt zyn goude lessen hoorde,
 
Die om zyn afscheit in een' vloet van traenen smoorde(1).

Hij vertrok naar een nog belangrijker stad: naar Den Haag, zijn derde en laatste(2) standplaats, waar hij op 30 augustus in zijn ambt werd bevestigd en op 2 september 1665 zijn intrede heeft gedaan in de Grote of Sint-Jacobskerk. Behalve stadhouder Willem III, later tevens koning van Engeland, diens gemalin Mary en vele andere hooggeplaatsten en ‘gewone’ burgers, heeft Constantijn Huygens, ‘'t licht van 't geestryk 's Gravenhage’ (Vollenhove 1686: 470), voor wiens tweede druk van Korenbloemen (1672) Vollenhove een drempelgedicht heeft geschreven(3), hem daar horen preken. Deze heeft, één jaar na Vollenhoves komst naar Den Haag, zijn ‘Gesanten van om hoogh, Basuijnen van Gods woord’ zonder een naam te vermelden gekapitteld om hun streven de preken ‘mooi’ over de kanselrand te brengen in ‘Aen sommighe Predikers’ van 27/28 oktober 1666(4). In een gedichtje van 16 oktober 1679, dertien jaar later, heeft hij Vollenhoves wijze van (s)preken vriendelijk plagend(5) gekarakteriseerd:

Aen de heer Vollenhoven
 
Mijn Vriendt-e Vollenhove-e,
 
't Is niet te gelooven-e
 
Dat ghij niet- verstaet-e
 
Hoe vreemt- dat het staet-e,
 
Daer ghij so wel-e preeckt-e
 
Gods woordt-e, dat ghij spreeckt-e
 
Met staerten-e veel woorden-e
 
Die Hollandt- noijt hoorden-e.
 
Lett eens-e hoe ghij mist dus-e:
 
Wat's Iesus-e, wat Christus-e?
 
Hoe is 't met ons gelegen-e?
 
Wij spreken-e te deghene-e,
 
Soo wij niet beter weten-e.
 
Wilt ghij ons' Ingeseten-e
 
Een niewe taele leeren-e?
 
Nogh vrouwen-e, noch Heeren-e,
 
Ben ick-e niet bedroghen-e,
 
En sullen-e 't gedooghen-e.
 
Eij laet het u berouwen-e,
[p. 14]
 
En onse sotte vrouwen-e,
 
Bij u niet onbegrepen-e
 
Haer' staerten-e na slepen-e,
 
Op dat ghij niet bedrijft-e
 
Daer gh' andere om bekijft-e.
 
Ick segg het u ten besten-e
 
Als zijnde van de lesten-e
 
Van uwe vrienden niet-e,
 
Gelyck ghij hier aen siet-e,
 
Ghij hebter veel sçavanter-e
 
Maer geene veel Constanter-e.

Huygens' persiflage -want zó bont zal de predikant het toch niet hebben gemaakt- laat zien dat er mogelijk een dubbele bodem verborgen zit in ‘sleept’, dat Moonen in zijn huwelijkszang voor Vollenhove en Katharina Rozeboom uit 1683 (Moonen 1700: 182-185) heeft gebruikt:

 
een tong, die 't Haegsche hof bekoort
 
En in triomfe sleept, wanneer hy uit den hoogen
 
Neerdondert, blixemt, quetst, verbrandt,
 
[...] verteert, vermoordt.

Sinds 22 februari 1667 bezat het gezin Vollenhove, dat tot dan toe aan de Veerkade had gewoond, een huis aan de Haagse Prinsengracht, waar het zich ongetwijfeld kort na de aankoop zal hebben gevestigd.

Nadat op 21 juni 1681 Vollenhoves vrouw Gesina Ha(e)ke in Kampen(1) was overleden, hertrouwde de tweeënvijftigjarige dominee op 7 november 1683 met de drieëndertigjarige Katharina Rozeboom(2), weduwe van Johan Goethals en kleindochter van Simon Stevin, wiens dochter Levina gehuwd was met de Haagse procureur Johan Rozeboom. Verschillende dichters verwoordden hun gelukwensen in een gedicht(3). Zij overleed op 21 februari 1691.

Vollenhove, die in 1675 doctor honoris causa in de Theologie van de universiteit van Oxford(4) was geworden, moest in 1705 zijn ambt neerleggen wegens toenemende doofheid en daarmee samenhangende stemproblemen, gevolgen van ‘een musketschoot, al te naby en al te sterk van geluit’ een jaar of vijf, zes eerder afgevuurd (Vollenhove 1706: 14-15). Zijn afscheidspreek van ‘myn wellust en myn last’, zoals hij in 1677 zijn Haagse gemeente noemde (Vollenhove 1686: 153(5), heeft hij op 6 mei 1705 gehouden, al evenzeer als in 1665 door zijn gemeenteleden beweend:

[p. 15]
 
Hoe woekerde elk omstryt de schatten uit uw mondt!
 
Hoe wiert de zerk besproeit met traanen uit elks oogen!
 
Toen gy voor 't leste om hoog voor uw gemeente stondt.
 
Hoe kon uw afscheitgroete, als wasch, de harten kneden!
 
Dat afscheit viel, helaas! den burgren zuur en bang,

(Vollenhove 1706: ***3r) schreef de dichter Lukas Rotgans kort nadien; niet voor niets zal Vollenhove aan het slot van zijn Haagse afscheidspreek verwezen hebben naar Handelingen 20: 37-38, waar beschreven is hoe bij Paulus' afscheid van Ephese alle inwoners van die stad tot tranen waren bewogen! ‘Spierwit van baert en haeren, Hoewel nog jong van geest’ (Moonen 1720: 38) overleed hij op 14 maart 1708 in Den Haag, na een kort ziekbed. Hij werd daar zeven dagen later naar zijn graf in de Grote Kerk gedragen(1).

(1) Zie hiervoor Spex 1750, Lesturgeon 1866 en Posthumus Meyjes 1921. Op deze laatste studie wordt ook gesteund in Exalto 1974: 170-191. Vgl. ook Toebes 1978: 108-111, Janse 1981 en Schipper 1985. Drs M. te Wilt bezorgde me enige aanvullende biografische gegevens. Zie over Vollenhove ook Stronks 1996. Een biografie die, behalve op de zojuist genoemde secundaire bronnen, gebaseerd zal zijn op de informatie uit Vollenhoves preken, gedichten, brieven, dagboek, en op ambtelijke en kerkelijke archivalia, heb ik in voorbereiding, mét een editie van Vollenhoves resterende correspondentie.
(2)Vgl. Jonckbloet 1890: 354, Kalff 1909: 500 (‘een zijner voornaamste gedichten’), Posthumus Meyjes 1921: 108, Moll 1924: 1306-1308, Te Winkel 1924: 98, Heeroma 1950: XXII. Het werk werd in 1656 voor het eerst uitgegeven (Amsterdam: wed. Abraham de Wees) en in 1657 opgenomen in deel 2 van de bloemlezing Klioos kraam (Leeuwarden, 1657: 61-83). Zie ook Vollenhove 1686: 1-19.
(3)Haar portret in Vollenhoven 1917: 28. Zij was, zo blijkt uit Vollenhoves gedicht ‘Aan myn liefste, op haar' verjaardag’ van 23.2.1679 (Vollenhove 1686: 211-212), veertig jaar eerder geboren:
De zon, na datze u eerst bescheen,
Quam veertigmaal verjagen
De sture wintervlagen;
Bragt veertigmaal de zomervrucht
Tot rypheit door een zachter lucht.
Een aantal gedichten van Vollenhove voor Gesina Ha(e)ke is opgenomen in Vollenhove 1686: 548-549: ‘Aan myn liefste’ (1657); 194-196: ‘Op het jaargetyde van myn ega’ (1663); 211-212: ‘Aan myn liefste, op haar' verjaardag’ (23.2.1679); 213-214: ‘Aan de zelve’ (1681). Vgl. voor enkele niet opgenomen gedichten voor Gesina: Stronks 1996a. Joannes en Gesina kregen veertien kinderen. Verschillenden hiervan stierven al op jeugdige leeftijd: toen Vollenhove in 1683 voor de tweede maal huwde, waren er nog slechts zeven in leven (vgl. Brandt 1688: 349: ‘Uw zevental een trouwe moeder vint’), toen hij stierf in 1708 nog slechts drie.
(1)Vgl. ook de brief van 21.4.1666 van Vollenhoves vriend Johannes Coccius, rector van de Latijnse school in Zwolle, aan Vollenhove (UBL BPL 885): de kanselrede van uw opvolger bevat o.a. niet uw ‘vermogen om het hart van allen te bewegen en tranen voor de dag te brengen’.
(2)Beroepen uit Leiden en Amsterdam wees hij in 1670 na overleg met de Haagse kerkeraad af. In zijn afscheidspreek uit 1706 memoreert hij dit nog: ‘Uwe liefde heeft my sterk aan u verbonden, en afgeraden, wanneer voor vyfendertig jaren twee beroepingen my eischten in twee grote Hollantsche steden, (beroepingen, die ten aanzien van eigen huisbelang voordeel op dien tydt beloofden) my toen afgeraden, en vriendelyk aldus verboden van hier te scheiden’ (Vollenhove 1706: 38). In 1658 had hij een uitnodiging om naar Leeuwarden te komen, afgeslagen.
(3)Vollenhove 1686: 473: ‘Aan den heer van Zuilichem, op den niewen druk van zyn edts Korenbloemen’. Vgl. ook Worp VIII: 361. Huygens vereerde Vollenhove een exemplaar van Korenbloemen met een gedichtje d.d. 4.11.1672 (Worp VIII: 85).
(4)Zie A. van Strien, Constantijn Huygens. Mengelingh. Amsterdam, 1990: 134-168.
(5)Worp VIII: 242-243. Hieraan is toegevoegd Huygens’ opmerking dat hij niet kan verdragen dat al het goede dat Vollenhove verkondigt, op zo slechte wijze wordt uitgesproken:
Da veniam, Vir amice, joco censoris Amici;
Tam bona tam male te dicere non patior.
De opmerking in Beversluis z.j.: 4: ‘De deftige, rhetorische schrijfwijze van Vollenhove, die vaak achter een woord de stomme ‘e’ voegde om het sierlijker te doen klinken, heeft Huygens zelfs eens tot een kostelijk spotliedje geïnspireerd’ raakt dus kant noch wal: Vollenhove schreef geen ‘stomme e’ waar deze niet thuishoorde. De inleiding van Beversluis laat overigens op verschillende plaatsen zien dat de schrijver het werk van Vollenhove nauwelijks serieus heeft bestudeerd.
Worp VII: 153 geeft een gedicht d.d. 22.1.1668 van Huygens ‘Op de Heerlickheit vande rechtvaerdige bepredickt ende beschreven door J. Vollenhove’ (ook afgedrukt voorin Vollenhove 1706: *3v) en ‘Aen hem self’ van 23.1 van hetzelfde jaar. Worp VIII: 354-355 bevat een Nederlands en een Latijns gedicht van Huygens d.d. 30.9 resp. 29.12.1686 bij een portret van Vollenhove. Zie ook Vollenhove 1750: ***2v.
(1)Vgl. de brief van Vollenhove aan Brandt d.d. 24.6.1681 in De Haes 1740: 217-218: ‘Myne lieve huisvrou Gezina Hake ... is te Kampen, in de voorlede weke, ... van Godt ... opgeëischt’, waarop Brandt met een gedicht reageerde (Brandt 1688: 410-411, dd. 4.7.1681). Vgl. ook Vollenhove 1686: 317-320: ‘Gedachtenis van myn ega, joffrou Gezina Hake’ (1681). Zij werd volgens dit gedicht te Zwolle begraven, en volgens de brief aan Brandt ‘in het vaderlyk graf alhier te Zwol’ bijgezet.
(2)Haar leeftijd blijkt uit Vollenhoves gedicht ‘Op het jaargetyde van myn liefste’ van 8.2.1684 (Vollenhove 1686: 542-544), waar hij haar ‘Drymaal tien en twee paar jaren’ toeschrijft. Vollenhove 1686: 550-551 bevat een drietal liefdesgedichten van Vollenhove voor Katharina uit 1683. Zie ook Stronks 1996a.
(3)Vgl. Antonides 1714 afd. 3: 67-69, Brandt 1688: 348-350, Worp VIII: 329-330 en 330, Moonen 1700: 182-185; Brandt duidde op de afstamming van de bruid: ‘de lieve Bruit, .../ In wie Stevin, haar grootvaar, adem haalt./ De grootvaar, die helt Maurits hof vereerde,/ Hem, 't lant ten dienst, de nutte wiskunst leerde,/ En Hollants taal holp bouwen met een pen,/ Leeft in deez' nicht, daar ik zyn' geest in ken’. Vgl. ook Moonen: ‘Stevin, de grootvaer zelf, de wakkre legermeeter/ ... Riep uit zyne asschen: wien schenk ik myn nanicht beter,/ Dan Vollenhove, die zoo vast myn voetspoor houdt’. Zie Bruiloftsgedichten op het huwelijk van den heere Joannes Vollenhove ..., en joffrouw Katharina Roseboom, getrout den VII van Slagtmaant MDCLXXXIII. 's-Gravenhage, 1683.
(4)Hij had in 1674 als gezantschapspredikant deel uitgemaakt van het gevolg van een buitengewone ambassade naar Engeland. Zie Dibbets 2001.
(5)Vgl. ook Vollenhove 1686: 589: ‘de Haagsche kerk, Myn last en lust’. Ook Vollenhoves brief aan Brandt d.d. 17.1.1675: ‘In Engelant moght het my gebeuren nu en dan tot vermaak en verquikkinge van den geest een Gedicht te dichten. Maar hier heeft myn oude last my strax weder gevonden, te weten zulk een menighte van allerhande bezigheden, en beletselen, dat ik voor my zelven niet min aan tijdt te kort schiete, dan voor myne beste vrienden’ (De Haes 1740: 165).
(1)In Moonen 1720: 38-43 vinden we uit 1708 ‘Godtgaf, of Herdersklaghte op de doot van den heere Joannes Vollenhove’.
terug  begin  verder