De wereld is één grote ranch en het leven draagt zijn colts verduiveld laag. Als vee hebben ze ons gebrandmerkt.
In de woonkamer hangt mijn oude, vertrouwde jas, maar nu ineens lijkt hij me zo anders, zo vreemd. Ik durf hem niet aan te trekken en ermee de straat op te gaan. Misschien went het nog wel, die gele ster.
Vanmiddag moet Bubi dan maar voor niks op me wachten! Ik zit voor het raam en staar naar de toren van de Jacobskerk. De klokken zijn gevlogen. Als het gaat schemeren, hoor ik ons afgesproken fluitje onder het raam. Maar ik doe alsof ik het niet gehoord heb. Even later stampen bekende stappen de trap op. De bel gaat tekeer.
‘Niet opendoen, moeder!’ Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Niet opendoen! Alsjeblieft!’
Maar het is al te laat. In de deuropening staat Bubi, blauw van de kou. Hij groet, radeloos frommelt hij aan zijn pet. Moeder gaat zonder een woord naar de keuken. Bubi en ik staan onwennig tegenover elkaar, net twee vreemdelingen.
‘Waarom ben je niet gekomen? Ik heb twee kaartjes voor de film.’
Ik bal mijn handen tot vuisten. De gang begint te slingeren als een schip op stormzee. Aan de kapstok hangt flodderig mijn oude regenjas.
‘Trek je jas aan, we gaan,’ hoor ik vanaf heel ver. ‘Schiet op.’
En dan gebeurt het.
Hij neemt mijn jas van de kapstok, terwijl hij me helemaal verliefd blijft aanstaren. Hij kijkt naar me met zijn
ogen wijd open. Hij ziet niet eens het gele versiersel voor op mijn jas, dat er vroeger niet geweest is.
Ik steek mijn gloeiende handen in de mouwen en druk bliksemsnel mijn kale tasje tegen die plek, tegen mijn borst.
‘Voel je je niet goed?’ vraagt hij bezorgd.
‘'t Is niks. We gaan.’
‘Waarom ben je niet gekomen?’ Hij blijft erover doorzagen. ‘Ik dacht al dat je ziek was.’
Ja, ik ben ziek. Doodziek van ellende, schaamte, vrees en vernedering.
Bij de ingang van de bar Oriënt blijft Bubi staan voor een vitrine met foto's die er niet om liegen. De straat is uitgestorven.
‘Kijk 'ns, wat een moordgriet!’ zegt Bubi met kennersstem en hij klakt met zijn tong. ‘Daar moeten we een keer naartoe.’
Als een jongen van vijftien zoiets wenst, meent hij het ook. Maar ik begin hysterisch te schateren.
‘Wij gaan nooit meer ergens naartoe, Bubi!’ Ik gier het uit, met kramp van het lachen. ‘Nooit en nooit meer, nergens naartoe. Snap je!’
Mijn tasje valt uit mijn handen. De gele avondster komt op. Onthutst staat Bubi ernaar te staren.
‘Jude.’ Niet begrijpend spelt hij de tekst op mijn ster. ‘Jude, Jude ...’ en hij raakt het onding met zijn vingers aan.
Ja, Jood!
Opeens voel ik me spiernaakt voor hem staan, net zoals die griet in de vitrine. Ik zet het op een lopen als een aangeschoten haas. Ik ren een binnenplaats over. Bubi komt achter me aan gehold, buiten adem, klampt zijn vingers in mijn schouders.
‘Stel je niet zo aan,’ fluistert hij. ‘Stel je niet zo aan, alsjeblieft!’
Zijn greep verslapt niet.
Ik kijk naar hem op en dat wat ik op zijn gezicht lees, snijdt mijn adem af. Ik begraaf mijn hoofd in zijn jas en
het kan me niet schelen dat ik op het bruine uniform van de Hitlerjugend jank; dat ik mijn tranen met zijn bruine uniformzakdoek droog; dat míjn ster tegen zíjn hakenkruis ligt.
Allebei voelen we dat er op dit ogenblik iets gebeurt.
Van de ene op de andere seconde zijn we volwassen.
‘Wees verstandig,’ herhaalt moeder, ‘gebruik je verstand, meisje! Je stort ons allemaal in het ongeluk.’ En steeds weer opnieuw moet ze haar tranen drogen.
Ik weet niet wat me bezield heeft, maar ik heb haar alles opgebiecht: hoe Bubi met zijn dolk mijn ster heeft losgetornd en hoe wij daarna samen naar de bios zijn gegaan en naar wat voor soort film. Eén ding heb ik toch wel voor me gehouden: hoe Bubi al die tijd mijn hand in zijn hete, trillende vingers heeft vastgeklemd.
‘Onder de kandelaar is het meestal donker,’ zegt mijn vader wijsgerig en hij maakt er verder geen woorden over vuil.
Vader zegt nooit zoveel en daarom ben ik hem dubbel dankbaar voor dat ene zinnetje, want het betekent een stilzwijgende toestemming. Ook in het vervolg mag ik met Bubi optrekken, zodat er alles bij elkaar niet zoveel verandert.
Zonder Bubi kan ik me het leven niet meer voorstellen. Wij kennen elkaar van kindsbeen af. Híj kan het toch niet helpen dat hij in een andere atmosfeer is opgegroeid dan ik? Gemakkelijk heeft hij het niet gehad. Hij komt uit een familie van variété-artiesten, die veel reisde en trok. Toen zijn moeder hertrouwde, braken er voor Bubi moeilijke tijden aan. Zijn nieuwe vader kwam uit Duitsland, uit Neurenberg en hij probeerde zijn nieuwbakken zoon te drillen volgens de strenge, Duitse geest.
Juist in die tijd werd onze vriendschap nog hechter. Bubi klaagt niet, maar af en toe vertelt hij me wel hoe het bij hem thuis toegaat. Een heleboel dingen snapt hij gewoon-
weg niet, maar hij voelt dat zijn stiefvader aan de verkeerde kant staat.
‘Ik heb hem al 'ns willen doodslaan,’ heeft hij op een keer gezegd. ‘Misschien sla ik hem echt nog 'ns dood. Ik weet waar hij 's nachts naartoe gaat. Allemaal zijn ze bang voor hem, zelfs moeder.’
Op een dag gaf Bubi me een flesje Franse parfum en een potje varkensvet.
‘Dat heb je zeker gepikt!’ riep ik uit. Ik heb die spullen dan ook met geen vinger aangeraakt.
‘Ook erg! Het is oorlog, suffie, en wij hebben van alles.’
Vaak begrepen we elkaar niet, soms hadden we slaande ruzie, maar we maakten het wel altijd weer goed.
Die nacht, na ons heimelijk bioscoopbezoek, kan ik niet in slaap komen. Ik ben één brok onrust. Die hand van mij, die hij in zijn handen heeft geklemd, is de mijne niet meer geweest.
De volgende dag hoef ik niet meer - zoals gewoonlijk - om zeven uur op. Voor mij geen school meer. Maar wat dan? Eerst maar 'ns gaan informeren waar ik me mag melden om toch wat lessen te krijgen.
En dan komt het geknoei van de pastoor aan het licht. Eigenhandig heeft hij de datum op het uittreksel van mijn geboorteakte vervalst. Daardoor heb ik een jaar langer naar school kunnen gaan dan volgens de nazi-wet is toegestaan. Maar in het geboortenregister zelf heeft hij niet kunnen knoeien, jammer genoeg.
Hoeveel mensen heeft die goeie pastoor van de Sint Jacobskerk geholpen in deze moeilijke dagen? En daar is moed voor nodig.
De volgende dagen lummel ik maar wat aan en ik maak me niet eens druk over wat de toekomst brengen zal. Vader gaat regelmatig naar zijn winkel, maar moeder mag hem daar niet meer helpen. Zij is ook een ‘gebrandmerkte’.
Op een avond belt er iemand aan. Bubi, die steeds bij ons over de vloer is, gaat opendoen. Ik hoor geroezemoes van stemmen en nog geen tel later staat mijn nichtje Jarka met tante Marie midden in de kamer. Allebei hebben ze rode ogen van het huilen. Er is zeker iets mis.
‘We zijn er bij!’ stoot tante uit en ze zakt in een stoel.
Uit haar handen valt een wit kaartje.
Allemaal weten we wat dat betekent, ook Bubi. Stilletjes sluipt hij weg. Ik weet waar hij aan denkt. Een boze vlam brandt in zijn ogen. Naar huis gaat hij vast en zeker niet. Maar hoe kan ik hem tegenhouden? Bij ons zal hij zich opgelaten voelen.
Wazig staart Jarka voor zich uit als een pop uit het wassenbeeldenmuseum.
‘Willen jullie thee?’ vraag ik om de pijnlijke stilte te doorbreken.
Als moeder maar niet gaat huilen, bid ik stilletjes en ik doe alsof er helemaal niets aan de hand is.
Vader poetst zeer lang en zeer uitgebreid zijn bril en zegt kordaat: ‘Nu de oorlog bijna afgelopen is, zal het reizen best meevallen.’ Hij brengt het tot een geforceerd glimlachje.
‘De familie Weiner gaat ook,’ fluistert tante en dan is het weer even stil.
Opeens voel ik me schuldig dat wíj nog niet weg hoeven, omdat wij onder de zogenaamde Misch-ehe vallen, de gemengde huwelijken. Allemaal voelen we het zo. Pijnlijk, ontzettend pijnlijk!
Ik ga naar de keuken om thee te zetten, mijn handen beven. Vader een Ariër, moeder joods en daardoor ben ik ook joods. Want volgens de wet weet je alleen met honderd procent zekerheid wie je moeder is.
‘Ze hebben Kosina opgepakt, je weet wel, onze buurman van de overkant. En hij is geen Jood. Ik weet wel wie hem dat geflikt heeft.’ Dat is vaders stem, terwijl ik weer de kamer binnenkom. Het heeft als een geruststelling geklon-
ken: ook de Ariërs, de niet-Joden, kunnen zich tegenwoordig niet meer veilig voelen.
Daarna ratelt hij het hele verslag van die arrestatie af. Hij praat met een hoge stem, steeds maar praten, praten ...
De kamer zinkt weg in de schemering, de muren spitsen hun oren. Tante slurpt thee, moeder zit onder haar schort haar nagels kapot te knakken.
‘Morgen kom ik je helpen pakken, Marie. Voor de Kerst is alles achter de rug, zal je zien. Sterke zenuwen, dat is het enige wat we nodig hebben.’
Als ze weg zijn, steekt vader zijn hoofd bijna in de radio om de nieuwsberichten op te vangen.
‘De Russische bevrijders zijn in aantocht,’ mompelt hij. ‘Wat ik je al zei: de meisjes blijven beslist niet lang weg.’
Hij gelooft er zelf in. Dat doen we op dit moment allemaal nog.