terug  begin  verderprepost
[p. 85]

1895 [De muziek van Bernard Zweers bij den Gysbrecht]

Als ik op de tinnen ga staan van den toren mijner observatie om de groote litteratuur te overzien, dan ontwaar ik Huet niet.
van Deyssel

Tusschen de aesthetici en de argelooze menigte komt het natuurlijk niet tot een vergelijk. Maar men zou zich een derde opinie kunnen vormen van optimistische indulgentie, en nemen het ontoereikende als belofte voor het eenmaal te bereiken mogelijke. Onder de histrionen (wellicht van goeden wil) met hun tong als dorschvlegels der Alexandrijnen zag men ènkele gebaren en hoorde men ènkele tonen die spraken van een andere dan beroepsmatige ijver. In de weinige van geestdrift doorademde klanken van den zegger der Rey van Edelingen in het laatste bedrijf kon van een toekomstige Vondelherleving, uit liefde, eerbied en kunde geboren, eene voorspelling worden vernomen, en nog een enkele maal voelde men den boog van het groote rhythmische spreken, van den Latijnschen spraakritus, welvend zich over de eeuwen, neerdalen op onze lage landen, beschamend en verheffend tevens. Misschien was het nog niet de piëteit, die hier het meest ontbrak, maar wel het geringste zweempje begrip van het solenneel-sonore karakter der verzen, en het is met alle achting voor het talent van den heer Zweers niet mogelijk, niet hetzelfde bezwaar tegen zijne muziek te gevoelen, zijne composities der reyen in 't bijzonder.

Als de heer Zweers deze reyen vergelijkt met zijne cantate Kosmos, waarmede hij zich voor tien jaren als componist voorstelde, moet er een melodie van tevredenheid door zijn gemoed ruischen, maar het blijft niettemin waar, dat deze muziek niet uit de woordmelodie is ontstaan, maar integendeel op hare wijze aan het strophisch verband en het rhythmisch karakter der lyrische verzen evenzeer afbreuk doet als dit geschiedt met de Alexandrijnen door de dictie der spelers. Men hoort daardoor niet, dat de Rey van Amsterdamsche Maegden een triomfgezang is van het hoogst-geïntoneerde accent, en het episch-visionnaire der Kerstnacht-rey gaat te loor door het nu eens populair-eenvoudige, dan weer modern-dramatische type der compositie. Nu mag ik niet verheelen, dat die bij de woorden: ‘Waar is de reus met al zijn stoffen’, waar de muziek een pseudo-dramatisch karakter draagt in plaats van bewust-triomphantelijk, overmoedig-jubelend te zijn, in de sopraanmelodie bij de heerlijke strophe:

[p. 86]
 
Des hemels reien wiegen hem
 
in slaap met hunne zoete stem

en in de korte instrumentale inleiding der eerstgenoemde rey mij verre beneden de waardigheid van des heeren Zweers' talent dunkt te staan, niet alleen in hare verhouding tot Vondel's werk, maar ook op zichzelve. Maar toch was het een verrassing, daar de heer Zweers als vocaalcomponist ons niet anders dan uit de cantate Kosmos bekend was, deze reyen te hooren, met name ook de Rey van Burchtsaeten (‘Waar werd oprechter trouw’), waar de heer Zweers het moeilijke stuk ondernam, zonder hulp der instrumenten onze aandacht gaande te maken en gaande te houden. Er is hier naar populariteit - en waarlijk niet zonder succes - gestreefd.

Maar in het voorspel der derde acte, waar het orkest den droom van Badeloch verhaalt, is de heer Zweers het rijk der emotie genaderd en heeft hij een werkelijk aangrijpende bladzijde geschreven. Maar ook hier gevoelt de hoorder voortdurend het gevaar dat den componist dreigde om aan het andere einde van het bereikte gebied de grenzen te overschrijden en tot het land der reflexie terug te keeren, waar de zon zooveel bleeker schijnt, een gevaar dat den heer Zweers allicht nog zwaarder bedreigde dan andere componisten van dezen tijd, wier kennis der technische middelen de zijne niet evenaart. Het moderne orkest met zijn oneindigen rijkdom van klankeffecten bij de opvoering van Vondel's werk aan te wenden zonder dat er een disharmonie ontstond, - is het wel mogelijk?

Hoe het ook zij, den heer Zweers is het soms te machtig geweest; om één voorbeeld te noemen: in den schoonen, soberen en eenigszins in Gregoriaanschen trant gehouden lofzang van den ouden Simeon, waar het met werkelijk al te weelderige vioolintervallen gedurig den ernst der stemming verbreekt.

Maar het is een overwinning dat de verzen gecomponeerd en van het tooneel af gezongen zijn, al moge men ook in naam van het hoogere stijlidee de wijze, waarop dat geschied is, niet kunnen huldigen.

De heer Zweers is iemand die het zich niet, zooals Verhulst, gemakkelijk gemaakt heeft.

In geen sfeer van het Nederlandsche geestesleven dezer eeuw heerscht een zoo groote desolatie als in die der muzikale schepping. Mogen wie na den heer Zweers zullen komen, hem in het hoogere stijlbegrip overtreffen, zooals hij Verhulst overtreft in geestkracht zoowel als in kunstvermogen.

prepostterug  begin  verder