terug  begin  verderprepost
[p. 94]

1895 Les Béatitudes van César Franck

Voor wie zoeken met hun ziel, zooals Goethe's Iphigenia het land der Grieken, zoo zij zoeken de nieuwe muziek - niet de ‘noviteit’, maar de nieuwe muziek die als een groene vreemde prairie is om onze verlangens op te doen weiden -, is in de Fransche muziek van de laatste twintig jaren wel eens een verrukking te vinden en een verkwikking. Want Wagner kan niet het laatste woord der toonkunst hebben gesproken; veel is er ook dat uit Gallië komt, dat hij niet heeft gekend, en wellicht is hij niet altijd in staat om ons den reinigenden vrede te schenken, dien wij ook van de toonkunst verwachten en zonder welke het leven aan evenwicht al te veel missen zou. Want heeft Novalis - die een van de grootste en diepste menschen was, die ooit in Europa hebben geleefd - niet gezegd: ‘Das Leben eines gebildeten Menschen müsste mit Musik und Nicht-Musik wie mit Schlafen und Wachen abwechseln’?

Welnu, als Wagner in de derde acte van Parsifal niet alles en niet zóó alles heeft uitgesproken, dat de heete dorst naar het bovennatuurlijke in de gespletene ziel der tegenwoordige menschheid zou kunnen stillen, als hij ook dáár niet geheel het verlangen naar heiliging en verlossing uit de macht der natuurlijke banden van al wat er leeft in Geest en Natuur aan levensadem en geestelijke liefde, aan verlangen naar wat boven beelden en woorden is, heeft kunnen bevredigen, dan komt Franck's werk van de Zaligsprekingen ons welkom tegen, en kunnen wij zelfs onze oogen sluiten voor de schamele armoede der woordenstellage waarop dit toonwerk is opgebouwd.

Neen, het is niet mogelijk de hooge heiligheid der bergrede erger te schenden dan de auteur van dit slap-humanitaire en soepel-bazelende libretto gedaan heeft.

Tous les hommes étaient
Ou bourreaux ou victimes
,

en zoo gaat dat bladzijden achtereen door!

En toch is aan Franck gelukt ons deze desolatie te doen vergeten, door de liefde van het doorleefde, waarmede hij de ethische kern uit het schamele woordengewaad heeft ontwikkeld en in de vertaling der tonen gehuld heeft.

Er is één moment geweest in deze eeuw, waarin haar liedgeworden Lijden en Glorie bewust werd aan Hem, die een van ons aller geestelijke vaderen is. Het was toen de 30-jarige Richard Wagner dien symbolischen hymnus schreef, die den tocht vergezelt van de uit Rome naar het Noorden terugkeerende pelgrims (in Tannhäuser):

[p. 95]
 
Zu Dir wall' ich, mein Jesus Christ,
 
Der du des Sünders Hoffnung bist,

dien eenen zang, die zoowel de Béatitudes van Franck als de derde acte van Parsifal in diepte en grootheid verre te boven gaat, zooals de zon het schitterendste kunstlicht verduistert.

Maar welaan, het is ook niet om zijn grootheid, dat wij Franck liefhebben. Het is ook niet omdat hij, zooals Alfred Bruneau van hem zeide, de eenige toonkunstenaar was in Frankrijk, die de neiging tot de mystieke zielstoestanden, welke nù over het jongste geslacht daar heerscht, het eerst heeft gekend bij voorgevoeling. Want noch Wagner heeft de tragische hoogte, de ‘contritio cordis’ (hartevermorzeling), in de derde acte van Parsifal weder kunnen bereiken, die zich uitzingt in dien pelgrimszang, - hoezeer ook in de geëxalteerde octaven-intonaties der violoncellen in de scène van den Charfreitagszauber dit verlangen zich uitweent -, noch ook kunnen wij Franck zoo bijzonder eeren omdat hij een voorgevoel zou hebben gehad van iets wat te midden der frivole ambitie van het Parijsche kunstenaarsleven weldra tot een uiterlijken schijn of een macabere maskerade verlaagd is. Maar het is ook niet waar wat Bruneau bedoelde in zijn bij den dood des meesters vol eerbied en liefde geschrevene beschouwingen. Als ik mij althans Bruneau's bedoelingen (waarop wellicht naar aanleiding van l'Attaque du moulin gelegenheid zal zijn terug te komen) juist herinner, is het niet zoo en zocht Franck niet met eruditie en bewustheid de verbeeldingen van het mystieke zieleleven. Als hij ze vond, dan was het zijns ondanks, uit kracht van de reinheid van zijn gemoed, waardoor hij God zag, en de sublieme kinderlijkheid van zijn hart.

Want Franck was een naïeve kunstenaar. Met hetzelfde naïeve optimisme, waarmede hij het libretto, dat door de gruwelen der Parijsche Commune geïnspireerd schijnt te zijn, door welke omstandigheid het misschien eenigszins verontschuldigd zou kunnen worden, - met hetzelfde naïeve optimisme, waarmede hij dit libretto aanvaardde, ontzag hij zich niet, deze pure gevoeler, die om de sereniteit zijner ziel met Gluck en Bach was vermaagschapt, wiens geest door Wagner tot rijpte en rijkdom gekomen was, wiens melodische gave door den omgang met Beethoven's werk was gelouterd, - ontzag hij zich niet, aan de mode der Fransche theater-conventie te offeren en nu en dan uit de hoogte zijner contemplatieve lyriek in de lagere sferen van het gewoon-oratorische pathos te vallen.

Hij was ook geen melodist, Franck, zooals die andere (groote) naïeve was - Franz Schubert, bedoel ik -, en de meeste zijner motieven krijgen eerst hun zoetheid en stillen glans door de trouwe liefde waarmede de devote kunstenaar ze verwerkte. Hij was ook geen moderne zoeker naar nieuwe stijlvormen, juist omdat hij een

[p. 96]

naïeve was, en als hij er toch gevonden heeft (zooals in enkele zijner instrumentale werken, niet in de Béatitudes), dan kwamen ze tot hem als ongeroepenen. Men vergelijke de Béatitudes met dat gedeelte van den Christus van Liszt, dat ook den tekst der bergrede tot onderwerp heeft, om het onderscheid te zien tusschen de zekerheid van het pure gevoel en het duistere tasten van het analyseerende intellect.

Dat Franck ook een opmerkelijk realistisch vermogen bezat bleek helaas niet op de onlangs door de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst gegeven uitvoering (waarbij zeer ten onrechte de tenorsoli door een Duitschen zanger werden gezongen, wien het eigenaardig stemkarakter hiertoe ten eenenmale ontbrak), door de coupure van de zeer drastische gezangen der Pharizaeers: ‘O Seigneur, à ta loi fidèle’, etc. Waarom dit, of was men bevreesd voor de losbarsting van anti-semitische gevoelens? Hoe is deze lyricus er in geslaagd het type van den harden Pharizaeer (‘dur comme un juif et têtu comme lui’, zegt Verlaine) zoo naar lijf en ziel in tonen te herscheppen? Wat zou de componist van Paulus en Elias hiervan wel gezegd hebben? Misschien ook zijn beroemde gezegde: ‘Jeder componirt so gut wie er kann.’

prepostterug  begin  verder