terug  begin  verderprepost
[p. 101]

1895 De wijze bouwmeester

Zoo zij het opschrift dezer regelen ontleend aan Jan Veth, die in de vorige Kroniek enkele ‘gulden’ woorden in herinnering bracht van het door dr Cuypers gesprokene den 11en Mei in de groote hal van het Rijksmuseum tot zijne vele vrienden en leerlingen, daar vergaderd tot het aanbieden eener oorkonde ter betuiging hunner dankbare vereering den Meester. En omdat wij menige reden hebben, in dr Cuypers een onzer Meesters te zien, een van de weinigen eener vroegere periode der Hollandsche beschaving, wiens levenswerk, wel verre van ons een hinderpaal tot onze toekomst te zijn, als een wegwijzer is voor verdere, vreemdere, nieuwere wegen, en ook deze bijeenkomst ondanks hare op zich zelf onbelangrijke aanleiding voor beteekenisvoller mag gelden, naarmate men meer geneigd mocht zijn, de beteekenis der verschijnselen in de idee te zoeken die in hen is belichaamd, - dáárom zij thans nog eenmaal in deze bladen gewaagd van het toen door dr Cuypers gesprokene, - ter betuiging eener lang en diep gevoelde vereering, ter herinnering tevens voor latere tijden, wier bewondering de onze zal overstralen, daar zij grooter zal zijn en gelouterder door het reiner begrip van wat deze zeldzame man voor de cultuur der toekomst zal blijken geweest te zijn.

Want bij het nu opgroeiend geslacht, waarvan er enkelen tot zijn onmiddellijke leerlingen behooren, zijn de teekenen reeds te bespeuren van een mogelijke, langzaam naderende wedergeboorte, ondanks of wellicht juist wegens de in alle districten des geestes heerschende anarchie en onzekerheid dezer zonderlinge jaren. Dat een volgend geslacht in hem zal eeren den voorspeller van wat het tot zijn beste bezit zal rekenen, dat een volgende periode zijner dankbaar gedenken zal als den inluider van de herleving der bouwkunst in Holland, als den inwijder wellicht van het gebouw eener nieuwe Hollandsche Renaissance, gepijlerd op het verdrag van Geest en Materie, kunst en handwerk, als den eenige onder zijne tijdgenooten, die met Josef Alberdingk Thijm het besef eener monumentale aesthetische beschaving bezat, te midden der Hollandsche negentiend'eeuwsche décadence, naast het flauwe dilettantisme van een Vosmaer, naast het al te uitsluitende, bijna bekrompen lyrisme van de vertegenwoordigers der Hollandsche schilderkunst, - dit alles is ontwijfelbaar zeker, ook waar het vooruit is te zien dat wie nà hem kwamen en nog zullen komen weer andere wegen zullen bewandelen, wetend waarin zij van Hem verschillen.

Neen, het is niet als een bijzonder feit aan te merken - gelijk een der redenaars op die bijeenkomst deed -, dat Cuypers door zijn tijdgenooten werd gewaardeerd en het jongere geslacht niet van hem ver-

[p. 102]

vreemd is. Want zijne tijdgenooten hebben hem niet begrepen, omdat het zoo goed als onmogelijk is voor onproductieven, een schepper te begrijpen, maar nog meer omdat zij de geestesverwantschap misten en de voeling met het algemeen-Katholieke in den ruimsten zin van het woord, het geestelijk milieu waaruit Cuypers voortkwam, een niet Hollandsch-Protestantsche maar Gallo-Germaansch-Katholieke luchtstroom in de historische Romantiek, welke laatste bij ons hier te lande een eenzijdige vereering van ‘den worstelstrijd der vaderen’ nauwelijks te boven gekomen is.

Met het begin van het Tweede Keizerrijk in Frankrijk en de historische Romantiek in Holland, toen de oude achttiend'eeuwsche traditie van burgerlijke bouwkunst in Holland verkwijnde, was de verschijning van Cuypers, en naast hem die van Alberdingk Thijm, in het drooge, burgerlijke, academisch-pedante Holland het morgenrood eener wedergeboorte. En daarom is het beter de zeldzame wils- en geestkracht van ‘den wijzen bouwmeester’ van het Rijksmuseum lief te hebben, die ondanks miskenning, afgunst, partijhaat en wanbegrip onwankelbaar en met onbreekbaar geloof in zijn zending zijn weg ging, dan hem al te heftig te laken, dat zijn werk een anderen geest zoude ademen dan de schilderkunst onzer zeventiend'eeuwers. Want vooreerst is die kunst niet de geheele erfenis onzer voorvaderen, en vervolgens moge men wel bedenken, dat een vorst liever te gast gaat bij een vreemden vorst die zijns gelijke is, dan bij een landgenoot die zich door leening en woeker verrijkt heeft.

O ja, het is al dikwijls gezegd dat het licht beter was in het Trippenhuis, dat men beter het intieme karakter van vele der zeventiend'eeuwsche schilderwerken genieten kon in de stille bescheidene en kleurlooze vertrekken op den Kloveniersburgwal; maar het is ook een levenvermeerderende gedachte dat er één is geweest in dezen tijd, die als de oude Hollandsche meesters den wil en de macht had zichzelf uit te spreken, in steenen hymnen van ‘de beginselen’, waarin hij geloofde en die hem golden voor ‘eeuwig’ en ‘van goddelijken oorsprong’, te getuigen en, vernieuwende den bouwritus, die in lang vervlogen eeuwen belijdenis was van de Eenheid des Levens, te doen wat geen in dit land had vermocht.

‘Er zijn drie oorzaken die de ware kunst in den weg staan. Ten eerste de hoogmoed; de jongeling die zich onafhankelijk gaat voelen, schudt van zich af het erkennen van zijne meerderen. Ten tweede de luiheid, die daar is waar de verantwoordelijkheid ons dreigt. Ten derde genotzucht; men wil zonder offer en zonder gedurig offeren het hoogste bereiken.’

Zoo sprak de bouwmeester tot zijne leerlingen. Maar al mocht een minder gepassioneerde, een minder krachtige hier allicht ‘den hoogmoed’ bemanteld hebben met de erkenning van een zekere vijandschap van den geïnitieerde jegens den initiator, als een nood-

[p. 103]

wendigheid in de natuur, al mocht hij ‘de luiheid’ en ‘de genotzucht’ met de overweging verbloemen, dat velen geroepen zijn maar weinigen uitverkoren om hun streven met de opperste eer der Daad te bekronen, - de jeugd van nu en die der toekomst zal liefdevoller zijn werk gedenken dan zijne tijdgenooten bij machte waren te doen, en het zal niet alleen aan de meerdere duurzaamheid zijner werken, noch ook uitsluitend aan de ideeën, waarvan zij de dragers zijn, maar ook aan de magische kracht moeten worden geweten, die van ieder op waarheid gegrondvest bouwwerk de oorsprong en tevens het gevolg kan geacht worden.

Hij had ‘beginselen’, die hem de waarheid golden en waarover met hem niet te twisten viel, uit liefde voor welke geen zelfopoffering hem te zwaar was. Maar hij wist ook dat men alleen door die zelfopoffering de vrijheid deelachtig werd, waaruit hem die allesomvattende zin was geboren ‘voor het Noorden als voor het Zuiden, voor den zomer als voor den winter’, de vrijheid ‘die niemand een ander kan geven, maar ieder zich zelf moet veroveren, zonder welke het niet mogelijk is het hoogste te bereiken.’

Zoo stond hij, een andere Frederik Barbarossa, en sprak met den krachtgloed der jeugd, zoodat het scheen alsof de tijd geen macht had gehad over dit leven en zijne liefde, zoo stond hij hoog en recht in den fieren trots van een edel verleden, overwelfd door het geweldige bouwwerk, dat eens uit zijn geest was gerezen om ‘een paleis te zijn voor het Volk’. Welwillend aanvaardde hij de hem gebodene huldiging, niet als geldend hem persoonlijk, maar ‘de beginselen van goddelijken oorsprong’, die hij verkondigd had voor zijne leerlingen, zooals hij ook de inroeping van de hulp der toonkunst bij die plechtigheid wilde beschouwen als ‘hulde aan de Eenheid der Kunsten.’

En wie zoo naar waarheid sprak van zich zelve, bóven zijn dwalingen bouwde hij òp de zware of tengere maar steeds trotsche torenen ter eere van wat hij het hoogste kende, en, dienend in deemoed de hem heilige beginselen, gaf hij zijn tijdgenooten het zeldzame schouwspel van een bouwmeester, die, belijdend de Eenheid der Kunst, de Eenheid van Kunst en Leven, en ‘de Schoonheid als afstraling der Waarheid’, zijn leven stelde tot een hecht bouwsel van reine en dappere daden.

Ons nu gaf hij het zieleversterkende voorbeeld van Trouw-in-Liefde, Kracht-in-Geloof en Wijsheid-in-Kunnen. Hij, de stichter van een nieuw Amsterdam naast ‘de oude en wijdvermaarde stad’, een nieuw Amsterdam onder het schutspatronaat van Joost van den Vondel.

prepostterug  begin  verder