terug  begin  verderprepost
[p. 122]

1895 [Louis Coenen]

De piano is niet meer wat zij voor vijftig jaar was. Het orkest heeft haar van zijn rijkdom medegegeven, en is op zijn beurt door het klavier geïnfluenceerd, althans kan men niet zonder juistheid wellicht een dergelijken invloed van het klavier op het orkest in de orchestrale werken van Liszt vinden. Van het verlangen naar grootere sonoriteit, naar een zekere bedwelmende, wazige kleurenschemering getuigt de moderne instrumentale toonkunst steeds luider. De zucht naar het pittoreske, dat ook nog altijd zijn huldigers vindt, leidt tot dezelfde uitdijing van het klankvolume, een mengsel van mystischsensueele bekoring mist nimmer zijne werking, en al zijn ook de ideëele doeleinden, waartoe Wagner zijn groote geluidsharmonieën in hunne oneindig geschakeerde kleurenpracht aanwendde, ver te zoeken, - met zijne middelen en zijn materiaal tracht men den hoorder dien zachtnarcotischen prikkel te geven, dien men nu veel van de kunst verlangt.

Dit te laken of zelfs maar met gemelijkheid te constateeren zou van een kortzichtigen blik getuigen. Men zit nu aan in het beloofde land, aan de gulden tafelen; het is de groote feestdag dien de meester bereid heeft, en waarlijk, de tafelen zijn rijker beladen dan in het hol van den zonderling Zarathustra. De lieve, teedere, malsche, sappige, donzige, milde, lachende, toornige, gierende, bruisende, zwalpende, donderende, jubelende, weenende, mijmerende, bleeke, verwelkte, vale en kleurlooze geluiden en timbres, - men kan er zich nu aan verzaden, zij hangen als blinkend ooft in den boomgaard des meesters. De vraag is niet wie er van plukken zal, maar wie het genot te boven komt en wien de vruchten tot meerderen bloei zullen gedijen. Een nieuwe polyphonie is nu ook geboren; het is alsof de toonkunst rijker geworden is door eenigen afstand harer domeinen en krachtiger door eenige zelfverloochening, nu zij de Idee, of wil men het noemen de Poëzie, althans de suggestie van dichtkunst en beeldende kunst heeft ondergaan.

Dit alles maakt en zal beslissend een einde maken aan het kinderachtige vermaak dat onze voorvaders schiepen in de kunst van den virtuoos. De virtuositeit is nu reeds bijna alleen beperkt tot het klavier en de viool, de cello begint als solo-instrument reeds meer dan zwaar op de hand te worden, en een solist op een blaasinstrument zou thans iets bij uitstek ridicuuls zijn. Het is ons onbegrijpelijk hoe men voor veertig en zelfs voor dertig jaar zoo iets beleefde en daarbij zijn ernst bewaarde. Dat dus ook hier eene beweging is waar te nemen in den geest eener cultuur, die men wel eens architecturaal heeft genoemd, dit wil zeggen van eene beschaving die hoe langer hoe meer de wanverhoudingen zal doen verminderen tusschen het

[p. 123]

doel en de middelen, waarin dus het besef zal leven, welke dingen doel, welke middel moeten zijn, en men althans zal streven, de ware (natuurlijke) verhouding tusschen beiden te scheppen, valt niet meer te loochenen. En zooals het waarschijnlijk is dat men in de wetenschappen aan sommige, als de philologie om-haar-zelve, haar bescheidener rol van dienstmaagd der hoogere wetenschappen zal toewijzen, kan men zich in de beeldende kunsten het isolement harer verschillende uitingen allengs afnemende, in de toonkunst - om van andere, gewichtiger dingen thans niet te spreken - een beter inzicht gewonnen denken van de ondergeschikte verhouding waarin het technisch-materieele tot het ideëele behoort te staan, met andere woorden: de techniek om-haar-zelve, de virtuositeit in den nu reeds verouderenden zin, een langzamen maar zekeren dood tegemoet gaande.

Deze en dergelijke gewaarwordingen konden door het spel van den heer Louis Coenen op zijne onlangs gegeven auditie van pianowerken worden gewekt, namelijk zóó dat de verruiming van het klavier tot miniatuur-orkest en de tegenstelling tusschen het ideëele spel en het leege gedachtenlooze der virtuozen en daardoor de zelfstandigheid van het klavier naast koor en orkest en zijn recht van bestaan beslist werd bewezen, al kon men ook niet zeggen dat al de door den artist gekozene stukken evenveel daartoe bijdroegen; het is althans zeer mogelijk dat de Etude van Tausig als schuim of rook uit de herinnering van velen der toehoorders is vervlogen en dat enkelen in het Air van de Holberg-Suite van Grieg de onaangename eigenschappen van dezen mode-componist al te rijkelijk terugvonden, vermenigvuldigd als de affectatie (die men het merk van Grieg's latere werk zou kunnen noemen) daar is door de affectatie van het geaffecteerde, - zóó doet zich de copie van den achttiend' eeuwschen pompeusen ariastijl voor.

Ook de bizarre sonate van Liszt, die zoo een juist beeld geeft van de bizarre ziel haars auteurs, zou men in dit verband niet het belangrijkste der auditie kunnen noemen; wel was het een streeling voor den geest en de zinnen, de oneindig wisselende kleur en waarde van den klank waar te nemen, de intelligentie te bewonderen en de fijngevoeligheid van den kunstenaar die zijn technisch vermogen tot zulk een expressie wist te veredelen. Maar in het werk van Franck uitte zich boven dit alles de ziel van den speler, die hier zelve tot instrument werd getransfigureerd uit eerbiedige liefde voor den welbeminden meester. Het was hier de poëet die het werk van den poëet deed herleven door de volkomene overgave aan zijne gedachten, door de bijna hartstochtelijke zelfverloochening die hem al zijn kunnen en willen deed wijden aan het bewonderde werk. Dit is de grootste triomf van den reproduceerenden kunstenaar, en het is met groote genegenheid en hartelijke bewondering, dat den heer Coenen daarmee geluk zij gewenscht.

prepostterug  begin  verder