terug  begin  verderprepost
[p. 142]

1896 [Naar aanleiding van een portret]

Tegen het portret van prof. S.A. Naber in het Weekblad De Amsterdammer van 1 Maart moet geprotesteerd worden, omdat het voortkomt uit een dwaling, 't zij een bewuste of onbewuste, en omdat zóó de liefde tot een hoogere aesthetisch-moreele beschaving der toekomst het eischt, in deze jaren van tengere verwachtingen te midden der radelooze anarchie in het intellectueele leven, en deze liefde zelfs de Epicuraeërs geen rust laten maar tot spreken zou moeten dwingen, wien anders het zwijgen zoo zoet was en zoo natuurlijk. Want het verkeerde moet niet ongelaakt voorbijgaan, en door één enkel woord van afkeuring kan men reeds het beleedigde Ideaal verzoend en gewroken achten. Het zijn dus nimmer de personen, maar ook nu weer alleen de ideeën die het volgende, wat misschien den heer Hart Nibbrig zal mishagen, dwingen te zeggen. Ook is het goed er aan te herinneren, dat er in het rijk van iedere afzonderlijke kunst een provincie of een sfeer is, die boven het ressort van het artistieke métier gaat, en dus alleen op een algemeen gedachtenplan wil en moet worden beschouwd en begrepen. Door deze aanschouwing geleid kan men intuïtief tot een oordeel geraken over de verhouding der stoffelijke en geestelijke factoren van het kunstwerk, dus van de verhouding, waarin het object staat tot de ziel van den kunstenaar en het werk van de hand tot de beweging der ziel, en zeer wel is het te weten, wat in den grond der zaak het bewegende, de sterkste drijfkracht was, de eerste en sterkste oorzaak van het ontstaan van een kunstwerk: òf het object, òf het handwerk, òf die voor woorden onaantastbare geestelijke wezenheid, die den zingenden Toon geeft aan het werk, die het doet spreken, die dieper-muzikale wezenheid, waarnaar wij met de grove netten onzer woorden ‘emotie’, ‘liefde’, te vergeefs als naar fladderende vlinders slaan.

Nu is - wat zeer natuurlijk was, daar het geestesleven der laatste dertig jaren hier te lande een absoluut-reactionnaire wedergeboorte was, waarbij het niet te vergeten is dat de schilderkunst, als de oudere, haar jongere zuster, de litteratuur, een heel eind weegs heeft geleid, - nu is de verhouding tusschen object en subject natuurlijk niet een harmonische geweest, zooals dat alleen was in de groote cultuurperioden, maar alles bestond door een zekere wanverhouding tusschen de natuur en den mensch (object en subject), waarbij het zeer natuurlijk was dat de mensch zich tegenover eene ontgoddelijkte natuur de machtigere gevoelde, te meer daar hij meende de eerste te zijn die na lange jaren van geestelijken sluimer wederom in staat was de natuur te begrijpen. Zoo is ook het betrekkelijk weinige aan kunst, wat in deze dertig jaren niet op fictie berustte, maar een zelfstandig

[p. t.o. 142]



illustratie
Het potret van Prof. Naber, getekend door Hart Nibrig.

[p. 143]

bestaan bezat, zoowel in woord- als in schilderkunst van een geprononceerd lyrisch karakter, wat misschien juist wel uit de werken van een meester als Bosboom het duidelijkste blijkt.

Nu schijnt het dat in de laatste jaren deze geestesneiging bezig is in een andere over te gaan, ook ditmaal weer volgens den weg der reactie. Gorter vertaalt Spinoza; van Deyssel schrijft een levensleer; het lyrische pathos van jongere persoonlijkheden als de hooge dichteres der Sonnetten en Terzinen is door een hier te lande vreemde, contemplatieve neiging vergeestelijkt. In samenklank hiermede herleven de bouw- en decoratieve kunsten, wier wezen van nature objectief is, en de geestelijke lyriek der oude toonkunst, wie het moderne lyrisch pathos in haar mystiek-liturgisch karakter vreemd is, vindt nu ook reeds bij de jarenlang door vulgaire concerten bedorvenen iets als een eerbiedige bewondering.

In de schilderkunst is deze wending des geestes het zuiverst en universeelst geopenbaard in het werk van Derkinderen. Bij anderen, die allen eenigermate door hem zijn geleid, openbaart zij zich in hun angstvallig streven naar objectieve nauwkeurigheid en hun bijna benepen vrees voor de orgieën en improvisaties der kleuren, voor het fantastisch vagabondeeren der lijnen, en soms zou men geneigd zijn op hen toe te passen Verlaine's woorden:

 
Désormais le Sage puni
 
Pour avoir trop aimé les choses
 
Rendu prudent à l'infini,

als er niet wel eens tegen de toepassing van den vierden regel:

 
Mais franc de scrupules moroses,

bezwaar kon zijn.

En juist dit is van zooveel gewicht, en als het aangenaam is in de portretten van den eene een ontwikkeling en langzame veredeling van het stroeve, gemanierde en geforceerde, van het verkeerd begrepen monumentale en pseudo-synthetische tot het edel-reëele waar te nemen, dat evenver is van een brutaal naturalisme als van leven- en liefdelooze, onmuzikale pseudo-monumentaliteit, - dan is het noch onnoodig, noch ongepast den ander aan het gevaar te herinneren van in de Scylla te vallen voor hem die de Charybdis wil ontwijken. Want ook dit is een van de moeilijkheden in het leven eens kunstenaars, dat men ook nog voor zijn eigen streven op zijne hoede moet zijn, opdat het streven niet over den strever heersene, en Wil noch Abstractie de Liefde doen verdorren, noch de eerste liefde tot het geestelijk aanschouwde, dat is de Idee, noch de tweede tot het zinnelijk aanschouwde, dat is de liefde tot het werk en zijn zichtbare schoonheid.

prepostterug  begin  verder