Zùlk een uitnemende daad was de uitvoering van Tristan und Isolde, en ontwijfelbaar van zóó duurzame werking, dat het ook twee weken later nog wel geoorloofd is in dankbare bewondering en blijde herinnering daarvan te gewagen, nu zij door tijdsomstandigheden in het vorig nummer van dit weekblad onvermeld moest blijven.
Nu kan men de Tristan-opvoering onder zooveel verschillende aspecten zien, dat voor een eenigszins sceptisch beschouwer het zwijgen daarover verleidelijker is dan het spreken, maar het doel is hier noch een beoordeeling der uitvoeringen, noch een beschouwing over het werk te geven, daar het eerste overbodig en voor het laatste de tijd nog niet is gekomen. Overbodig daar de gebreken der eerste opvoering, wat het muzikale betreft, aan den heer Viotta niet kunnen geweten worden en bij de tweede voor een groot deel vervielen. Als de Tristan-figuur voor het gehoor vaak een minder ideale verschijning was en men voor deze niet puur-Germaansche (als die van Siegfried) maar van een Celtisch mengsel van mysticisme en sensualisme gesatureerde muziek niet alleen een fijnere toonvorming maar een geheel ander stemkarakter zou hebben gewenscht - zóó, als zij te zien was, zou men ze zich nauwelijks voortreffelijker kunnen voorstellen, althans voor zoover in de actie de verzinnelijking van het innerlijke werd gegeven.
Omtrent de mise-en-scène, het decoratief en de costumes blijven wij de al te Duitsche neigingen, die hier leidend waren, betreuren, maar al moge men vinden dat er over den smaak wel te twisten valt, dit is nog geen reden om het te doen. Men kan twijfelen of de eischen der theater-optiek met haar element van materieele grofheid vereenigbaar zijn met die van een door de tonalisten der Hollandsche schilderkunst verfijnden smaak. Toch is het zeer mogelijk dat zulk een twijfel tegen grondige overweging niet bestand is. Hier zou een probleem voor de toekomst der schilderkunst kunnen liggen, maar wij hebben geen drama en nauwelijks een theater. Toch zou dit juist voor jonge schilders een aanleiding kunnen zijn tot de studie van Wagner's drama.
Het drama van Wagner - of het nakomelingschap zal hebben, of eene steeds hernieuwde incarnatie van Wagner's idee niet afhankelijk is van de daemonische dualiteit van zijn genie, of het probleem van de muziek, in Schopenhauer's geest opgevat, en de met die opvatting samenhangende antinomie tusschen rede en gevoel door hem voor de toekomst een definitieve oplossing heeft ondergaan, - van deze
vragen is thans nog aan niemand de beantwoording gegeven. Maar wat het drama van Wagner is, daarvan gaf ons de verschijning van Isolde een onuitwischbare zekerheid en een onverwelkbare aandoening.
Ook dan eerst wanneer het theater gezuiverd zou zijn van de laatste overblijfselen van het negentiend'eeuwsch burgerlijk realisme met zijn indecente probleempjes van kleine moraal, zijne mystificatiën van idealisme en symbolisme, als men ooit weer eens het orgaan zal hebben herwonnen voor den grooten Latijnschen spraakritus, als men Corneille, Racine en Vondel zal kunnen doen spreken zonder eenige andere hulp of traditie dan die van een klare heroïsche visie der Oudheid en van het innerlijk gehoor van den hoog-edelen klankgang der antieke rede - eerst dan zal men misschien èn het klassieke drama met zijn vergoddelijkt Rede-woord èn het nieuwe, uit de bron der muziek ontwelde, zoowel als het aan beide verwante van Shakespeare tegen elkaar kunnen wegen, en weten, van welk de beteekenis voor het leven de grootste is, dit is van welk dezer drie men het krachtigst en gelouterdst tot zijn eigen leven terugkeert.
Maar voor 't oogenblik willen wij liever nog eens met vereering zien naar den man, wien Nederland dit alles te danken heeft. Het pathos van den discipel, zooals de Ouden dien kenden, van een die zich geeft aan zijn meester onvoorwaardelijk geheel, kennen onze in het geestelijke oneindig meer lijdende dan strevende tijden niet meer. Wagner heeft ook bij ons vele aan- en nabidders gehad, maar slechts één leerling en dit is Henri Viotta. Vele ‘bare bazuinen’ zijn er reeds in dit over het geheel nuchtere land over den meester gestoken, en er zijn er die, behalve het stilzwijgen (helaas), voor menigen Pythagoraeër in orthodoxie niet onderdoen. Slechts één is er die als toonkunstenaar - als toonkunstenaar, zeg ik opzettelijk, want aan den publicist willen wij in dit verband niet denken - naar Wagner's ideeën geleefd heeft, en dit is Henri Viotta. Deze algeheele overgave, deze bezonnene en hartstochtelijke piëteit is het ook, die aan de opvoeringen der Wagnervereeniging den stralenden glans der wijding verleent, het feestelijk en plechtig bewogene, dat een zoo onmisbaar vereischte is voor groote muzikale en dramatische acties. En waar wij Amsterdam in dit opzicht eenig zien in Europa, is het niet ongepast, dat wij te midden der tegenwoordige apathie in het intellectueele leven met des te grootere overtuiging in Henri Viotta den man vereeren, die niet slechts voor de muziek alleen, maar voor den geheelen kring van het aesthetische en intellectueele leven waarlijk groote dingen onder ons heeft gedaan.