In carne autem ambulantes non secundum carnem militamus.
II. Cor. X. 3
Waarde vriend!
Wel weet ik dat wat gij in uw vorig hoofdartikel over de kroning van den Czaar hebt gezegd, voor de meeste ooren liefelijk klinkt en gewoon, maar mij ware liever als een gek opgesloten dan met u omtrent deze zaken van gelijke meening geacht te worden. En al zou ik ook gansch met mijn afkeer alleen staan, niet dit zal mij weerhouden, luide en nadrukkelijk te zeggen dat ik met allen eerbied voor uw talent en genegenheid voor uw persoon, uwe naar aanleiding van de kroning des Czaars geuite meeningen over de ‘kinderlijkheid’ des volks en zijne ‘langzame emancipatie’ voor verwerpelijk en verderfelijk houd. Onmogelijk in dezen strijd niet te kiezen, - onmogelijk nù reeds, en steeds onmogelijker, totdat, zoo ooit, het probleem zal zijn opgelost dat onder den strijd van geest en materie verborgen ligt als de reus Enkelados onder den Etna.
Niet mij zou het passen, dáárover iets in het midden te brengen, noch ook over de maatschappelijke beteekenis van het koningschap in deze tijden met u te twisten. Het is ook niet uw socialisme als zoodanig, wat ik als leek tegenover u het recht van bestrijden zou hebben, maar wel de zich daarin uitende materialistische wereldbeschouwing met hare kenmerken van oppervlakkigheid en gemis aan philosophisch historiebegrip, die als iedere andere op een algemeen gedachtenplan wil en moet worden beoordeeld. En al zou het schijnen, dat wij redeneerende het eens waren over de woorden, - ook dit zou nog weinig beteekenen en gelijk staan met harmonie te verwachten van twee instrumenten die in verschillende stemming één melodie zouden geven. Want juist dit is het, dat deze dingen nog met een andere maat dan die van het verstand moeten worden gemeten.
Die andere maat heeft een oorsprong misschien nog geheimzinniger dan die der Rede, en om het u kort en goed te zeggen, - nu ik zie dat ook de zeer krachtigen beginnen te twijfelen1, - is haar te bezitten, haar als een onvervreemdbaar kleinood te bewaren, het pand eener aristocratie naar den geest, weliswaar in deze eeuw een
hoe langer hoe zeldzamer wordende wezenheid, maar wellicht nog niet zóó zeldzaam geworden, dat ik althans niet uit enkeler naam hier zou spreken, wanneer ik u daag voor het forum van al wat sinds menschen-geheugenis den ter aarde gerichten blik van den lijdenden en zwoegenden mensch zich omhoog te richten gedwongen heeft, van al wat ooit als teeken der godheid in sprakelooze schittering gestraald heeft door de duistere nachten.
Al ware het dan nog duizendmaal ijdeler en nog tienduizendmaal nutteloozer, toch wil ik zeggen, dat ik de vergoding van wat men nu ‘volk’ noemt, en de materialistische miskenning van het geestelijke, van wiens luister wij nog slechts zeldzaam van verre een enkele flauwe afglans vermogen te scheppen in de enkele manifestatiën van levensmagnificentie, die de dalende zon van Koning- en Keizerschap als afscheidsgroet zendt aan deze steeds glansloozer wordende aarde, - toch wil ik zeggen, dat ik de miskenning der goud-geworden Idee als ook van de groote mystieke emotie der volksbewondering haat en verfoei en daarmede de leer waaruit zij voort is gekomen.
Want die leer van het verouderde materialisme, dat zich thans in den sociologischen mantel vermomt, beperkt zich niet in haar werk voor de toekomst tot de sfeer van het enkel-stoffelijke leven, maar wel verre van daar meent zij recht te moeten wijzen in de hemelhoog boven die sfeer verheven levenslagen, omdat zij het recht loochent van eenige sfeer om door eenig ander moment dan dat van het stoffelijk welzijn te worden bepaald.
Geen deernis nu met het lot van wie ook kan den niet door deze beginselen begoochelde zijn uit het bloed ontwelde overtuiging ontnemen, dat de menschheid niet leeft van brood alleen, maar dat ook de ziel als iedere vlam behoefte heeft aan gestadige voeding, dat eindelijk de in den dynastischen luister zich manifesteerende Idee onder de weinige overblijfselen van de heerlijkheid der oude tijden eenig recht heeft op onzen eerbied - onafhankelijk van onze sociale begrippen - als (wel verre van een ‘mascarade’) de bijna vergetene bronwel waaraan, in de kille avondschemering na den ondergang der groote eenheid des levens, de volksziel haar dorst naar de groote emotie kan lesschen.
Moge het den nieuwen Czaar zijn gegeven, de wenschen die gij koestert voor het heil van het Russchische volk te verwezenlijken. Ik zal er met u mij over verblijden.
Thans echter moet ik (en wederom) betreuren, in uw stuk de materialistische denkbeelden en volksvergoding met een lichtelijk idyllisch accent tot verlokking voor vele vage, gemoedvolle maar krachtlooze dweepers gemengd te zien. En al zou u de toekomst gelijk geven, - wat ik niet geloof, want de wereld kan niet bestemd zijn, in de grauwe verveling te verschimmelen die haar wacht aan het eind van den langen, door de nivelleeringsbeginselen van dit
tijdperk in de toekomst geprojecteerden weg, - maar al zou u de toekomst gelijk geven, - wij (want zeker weet ik dat ik spreek niet voor mijzelven alleen), wij, uwe tegenstanders, wij weinigen die nog met liefde belijden de Schoonheid en de gruwbare schoonheid van het noch door sociologie, noch door welke wetenschap ook te ontraadselen levensmysterie, wij enkelen zullen elkander verstaan en versterken, en, wetende tot welken strijd wij ons gorden, indachtig zijn aan den wapenspreuk die ik niet zonder vertrouwen hierboven geschreven heb.