Je n'instruis pas, j'éveille.
Villiers de l'Isle-Adam, Axel
Waarde Vriend,
Wat ik onlangs opmerkte en waarin Van Deyssel mij bijstemde, was de afwezigheid in het naturalisme van datgene wat Van Deyssel ‘levensleer’ noemde. Nu kwam het mij onophoudelijk voor, dat het socialisme zich niet alleen door de afwezigheid eener levensleer maar ook eener ethiek in ruimeren zin onderscheidde. Deze afwezigheid nu zou niets opmerkelijks hebben, noch ook als een gebrek van het socialisme beschouwd behoeven te worden, wanneer het socialisme niet telkens door de grens zijner provincie te overschrijden van zijne bemoeiingen met de verbetering van het materieele leven, overging tot die met zaken die daar wel mede samenhangen, maar niet uitsluitend door het moment van het stoffelijk belang kunnen worden bepaald. Met andere woorden: het leek mij telkens alsof het socialisme zich niet alleen niet nauwkeurig zijne werkzaamheden had afgebakend, maar ook niet de noodzakelijkheid bevroedde van een verdrag of althands eenige geconstateerde verhouding met de verschillende elementen en drijfkrachten van het geestesleven.
Deze opmerking is niet nieuw: aan den indertijd door Van Deyssel met van der Goes gevoerden strijd lag gedeeltelijk dezelfde vraag ten grondslag. Is het juist, deze vraag te stellen? Ik geloof dat het niet zoo buitengewoon dom was dat te doen, want het antwoord erop raakt aan de hoogste belangen der menschheid. Het zou alleen onnoozel kunnen zijn, zooals het spreekwoord zegt, dat een kind meer kan vragen dan zeven wijzen kunnen beantwoorden. Welnu, al ware dit zoo, dan geloof ik toch (en ik weet dat gij deze meening met mij deelt), dat men het beantwoorden van deze vraag tot de edelste werkzaamheden moet rekenen waartoe men zich in dezen tijd geroepen kan voelen.
Telkens nu als ik het nietbesef van bovengenoemde vraag bij socialisten of schrijvers met socialistische neigingen waarnam, hinderde mij dit gebrek aan waarlijk philosophische opvoeding. Mijn doel is niet geweest om als ‘wijsgeer’ op te treden, zooals van Eeden mij toedicht, - ik moet er bij mij zelf om lachen. Maar van het weinige wat ik misschien van enkele goede wijsgeeren geleerd heb, is mij dit bijgebleven: dat men streven moet naar een goed inzicht in de waardeverhoudingen des levens en dat dit streven den mensch veredelt en boven het dier verheft. Waar ik nu de socialisten hoor spre-
ken alsof dit besef nooit in hen is gedaagd en, alsof dit een zaak van geenerlei belang ware, hindert mij dit, en als ik een enkele keer daarover mijn afkeuring te kennen wil geven, neem ik heftiger woorden te baat dan gewoonlijk, omdat men thans om gehoord te worden luide moet spreken. Zoo vind ik het betrekkelijk van weinig belang of men leest wat ik nu en dan over kunst of muziek schrijf, omdat ik vertrouw dat het goede wat in mijn bedoelingen is later door anderen, misschien ook door mij, nog vaster en klaarder zal worden gezegd; maar als ik zie dat iemand als gij steeds belijdt de leer van het ‘volksgeluk’, zooals het socialisme die leert, met absolute huldiging van de volksopinie, dit is de huldiging, het accepteeren als onomstootelijk-waar van wat nù het volk zich denkt als ‘geluk’, als ik u deze leer zie belijden, zonder een zweem van nevengedachte, of ook soms dit ‘geluk’ niet de eenige voorwaarde van het geluk en de hoop der toekomst zou kunnen zijn, dan vind ik het noodig luide te zeggen dat ik dit afkeur, niet om gelijk te hebben maar om te herinneren aan gedachtesfeeren die ik daardoor miskend zie.
Ik vraag u en uwe lezers verlof, bij deze exceptioneele aanleiding het ‘le moi est toujours haïssable’ van Pascal voor een oogenblik te mogen vergeten. Grotesk nu komt het mij voor dat ik, wien de Russische Czaar een fictie is, zou zijn opgetreden als verheerlijker van zijn dynastie. Maar gij hebt mij beter begrepen dan sommige lezers, dan mej. Huygens bijvoorbeeld, die dit alles veel te concreet heeft opgevat wat zoo abstract is bedoeld. (Over Van Eeden zal ik maar zwijgen; wat heeft hij ooit begrepen, wat zal hij ooit begrijpen? Niet eens zijn voordeel, want anders toch had hij gezwegen; men was nu juist zoowat Van Eeden vergeten). De kern van mijn stukje lag in de woorden, dat het socialisme loochent het recht van bestaan van eenige levenssfeer om door eenig ander moment dan dat van het stoffelijk welzijn te worden bepaald. Mij dunkt, dit is niet ‘vaag’. Het kan onjuist zijn en onrechtvaardig - niets zal mij liever zijn dan door u onderricht te worden.
Wat de ‘deernis’ betreft, deze heeft met de door mij bedoelde vraag niets te maken. Men kan het medelijden en de barmhartigheid betrachten als deugden zonder zijn oordeel daardoor te laten influenceeren. Ik geloof zelfs dat dit eerst de menschelijke gerechtigheid is wier lof mij uit Van Eeden's mond zoo hoonend toeklinkt. Ik geloof ook dat daarom de philosophen het medelijden (niet op zichzelf, maar relatief, als belemmering voor het oordeel) hebben verworpen. Maar ik geef u toe wat gij mij wellicht zult tegenwerpen: dat tot dezen de door u geciteerde Pierson niet behoort, en misschien tot zijn eer, want dat Seneca, Pascal, Kant en Spinoza meer abstracties waren dan menschen.
Dit echter zult gij met mij eens moeten zijn, dat wij in deze dingen met gevoelsargumenten niet verder komen en dat de teeder roucou-
leerende coloraturen van mej. Huygens, hoe respectabel overigens ook, met ons geding in geenerlei verband staan.
Laat mij nu nog een vraag tot u richten, waarin vanzelf het antwoord op uwe vragen gelegen is. Gelooft gij dat het socialisme wat het beoogt werkelijk en duurzaam zal kunnen bereiken zonder reiniging en regeling van het intellectueele leven?
Dit niet te gelooven zie ik als vrucht der ‘nivelleeringsbeginselen’, of, wat hetzelfde is, van de miskenning der idee, die ik ook vond in uwe beschouwing over het Koningschap en in uwe bewering, dat u niet duidelijk was het verschil van wat men in vroegere tijden en wat men nù onder volk kon verstaan. Het niet begrijpen van dit verschil meen ik met ‘volksvergoding’ te mogen bestempelen. Het toont dat gij uw begrip ‘volk’ aan de hedendaagsche realiteit, waarin gij zegt te staan, dus aan het volk zelf ontleent, aan het volk zooals het zich zelf gevoelt, en niet zooals het ééns was en leefde in grootere tijden. Beter nu zult gij wellicht deze tegenstelling, en hoe ik die bedoelde, begrijpen, wanneer gij denkt aan wat mij onlangs onze vriend Kalff meedeelde, dat de oorsprong van den Amstelveenschen weg het steeds sterker wordend verlangen was van de omwoners om ter viering van het Mirakel van Amsterdam derwaarts te gaan.
En wanneer ik dus met eenige heftigheid tegen uwe meeningen optrad, dan was dat niet omdat mij de Russische Czaar en het Russische barbarisme ook maar eenigszins dierbaar zijn, maar omdat ik in het dynastische volkssentiment, waar en in welken vorm ook, nog een (steeds meer verbleekenden) afglans zie van de oude volksemotie die in den vorst den met de gratie Gods omluisterden, den aan de Idee der diviniteit deelachtigen heerscher vereerde. Gaarne wil ik gelooven dat dit een archaïstische opvatting is, maar ik kan u niet toestemmen dat zij op ‘ijle verledensfantazieën’, noch op ‘zelfcontemplatie’ of ‘personificatie van mijn eigen denken’ berust, omdat haar verband met de diepste en principieelste problemen als dat van de verhouding van Geest en Materie, mij dunkt, niet te loochenen is. En dit juist kan ik niet inzien, waarom men niet het vele goede, wat het socialisme beoogt, zou kunnen liefhebben en helpen bevorderen zonder daardoor op te houden, het geestelijke principe der dingen en wat daaraan vermaagschapt is, in alles te huldigen, dus ook historisch, dit is ook daar waar het in de werkelijkheid bijna of reeds is gestorven.
Voor ditmaal wil ik het bierbij laten, bij deze korte, maar naar ik hoop niet al te ‘vage’ aanduidingen, en eindigend u danken voor de waardige en waarlijk humane wijze waarop gij mijne misschien te abstract geuite meeningen hebt bejegend.

Fragment van de muurschildering van Antoon Derkinderen in het stadhuis te 's Hertogenbosch