terug  begin  verderprepost
[p. 170]

1897 [Over een opvoering van Götterdämmerung]

Telkens komt het ons weer in de gedachte bij eene opvoering van Wagner's werken door de Wagnervereeniglng (die thans, nu de alleronbevoegdste der maatslagers, door koninklijk welgevallen aangemoedigd, het gewaagd heeft deze werken aan te randen, het karakter eener werkelijke rehabilitatie krijgen), hoe jammer het toch is dat de heer Viotta niet Bayreuth tracht te overvleugelen daar waar dat mogelijk is. Men begint nu allengs te begrijpen dat ook Wagner, wiens gehoor zoo verfijnd was voor de nuances van timbre en harmonie, als alle Duitschers leed onder het gemis aan beschaving in de optische kunsten, waarvan Jules Laforgue zoo diepzinnig gesproken heeft. Misschien hangt dit samen met het wezen van het moderne theater zelf en is de eisch van kleurenharmonie een heterogene met die van naturalistische brutaliteit van uitdrukking die het moderne theater stelt. Wie zal het zeggen? De psychologie der kunstaandoening ligt daarvoor nog te veel in het duister. Het is waar, enkelen van hen die hier den besten raad konden geven zijn te veel Hollanders om samenwerking van kunstenaars tot een aesthetisch doel voor iets anders dan bemoeizucht te honden; anderen gaan zóó op in den Schijn, dat zij doof zijn voor de stem die Wagner's kunst aan de Dingen gegeven heeft; de meesten worden door een juiste en respektabele verachting voor het theater geleid.

Hun roept men telkens weer toe: ‘Ziet, hier is de eenige levende manifestatie van het tooneel in dezen tijd! Welke toekomst het ook moge hebben, het is negatief als reinigende kracht en positief als macht van groote schoonheid naast zijn leelijkheid en gebreken, een bron waaraan althans een paar geslachten zich zullen laven. Wat biedt dan onze barbaarsche ‘beschaving’ nog meer waarvan gij dit zeggen kunt?’

En toch - het was een minder grootsch moment dan het scheen (niet aan het gewone journalistendom van toen, maar aan wie waarlijk jeugd bezaten), toen Wagner na de eerste voorstelling van den Ring in 1876 tot een internationaal parterre van de koningen der joden en van de joden der koningen de historische woorden sprak: ‘Sie sehen, meine Herren, was wir können; wenn Sie wollen, haben wir eine Kunst.’ De correctie toch op deze in de aandoening van een zijner sterkste levensmomenten gesprokene woorden had de meester voor meer dan 25 jaren gegeven in de door hem verkondigde leer, dat de eenling niet vermag kunst in de hoogste beteekenis van dit woord te scheppen. Maar in dit moment was het werk over den meester meester geworden.

[p. 171]

Een soortgelijke dwaling was de eerste oorzaak van de teleurstelling van Nietzsche, die voor beide vrienden de bron van zooveel en diep zielsleed worden zou. Nietzsche toch was na een afwezigheid van twee jaren tegen het begin der Festspiele te Bayreuth gekomen, meenend aldaar te zullen zien wat deze tijd niet kan te aanschouwen geven: een Volk, een kunstscheppend Volk, en de Tragedie in haar hoogste, dit is meer dan litteraire beteekenis. Dat Wagner daarheen gewezen heeft, is wellicht de grootste daad van dezen daemonisch begaafden man geweest, uit wiens dwalingen men evenveel leeren kan als uit zijn deugden.

Dat men nu allengs door een wijze bemanteling der gebreken naar de verduidelijking der deugden moet streven, - aan dit inzicht scheen het in het algemeen den verzorgers der mise-en-scène en in het bijzonder den voorsteller van Hagen, den heer Johannes Elmblad, te falen. Het is hiermede eenigszins gesteld als met Beckmesser, die ongeveer een burgerlijke en historische Hagen is. Ook deze is zonder eenige Liefde, haat de blijden en stralenden en heeft geen andere passie dan Hebzucht en Macht; zooals deze figuur door de geringste overdrijving overgaat tot de caricatuur van het laag-komische, zoo Hagen tot de caricatuur van het daemonische. De heer Elmblad had in dit opzicht een voorbeeld kunnen nemen aan den uitnemenden kunstenaar die bij de laatste Meistersinger-voorstelling van de Wagnervereeniging de partij van Beckmesser gaf.

Een weinig archaeologische nauwkeurigheid, zooals men die in Frankrijk en ook ten onzent kent, een weinig compositie in het kleurengeheel van décors en costumes, zooals zelfs een gewone Hollandsche decoratie-schilder die kan geven, zou de voorstelling reeds boven die te Bayreuth verheffen. De Rheintöchter-scène was hier reeds aanmerkelijk beter dan daar, hetgeen niet gezegd kan worden van de zonderlinge halle der Gibichungen met hare nog zonderlinger uitgedoschte bewoners, van welke Gunther evenals Siegfried door hunne Romeinsche maliënkolders aan de zuil van Trajanus zouden doen denken, had de eene niet met zijn wonderlijk vuurrood pallium (epiblema) op een oud-Griekschen soldaat, de ander door zijn wijden rood-en-witten mantel op een Maltheser ridder geleken. Een moeilijker te corrigeeren eigenaardigheid is de zware en voor het verborgene orkest absoluut berekende instrumentatie, wier massiviteit op sommige oogenblikken pijnlijk aandeed.

Of van de vier deelen van den Ring der Götterdämmerung het langste leven beschoren zal zijn? Er zijn wel redenen hieraan te twijfelen, voor wier uiteenzetting echter het nu het geschikte moment niet is. Voorloopig toch past het den heer Viotta in de eerste plaats, vervolgens mevrouw Sucher en den heer Burgstaller de hulde onzer dankbare bewondering te brengen voor het zeer buitengemeene wat zij gezamenlijk tot stand hebben gebracht.

prepostterug  begin  verder