Zóó zelden komt het voor in dezen tijd, dat men zijn muzikale verrukkingen niet bij de dooden behoeft te zoeken, dat het een vreugde was, die lang in ons natrilt, Richard Strauss in ons midden te zien, zijn werken te hooren en ze hem te zien dirigeeren. Dit laatste was van een bizondere bekoring bij de klassieke werken, na de verschijning van een virtuoos als Arthur Nikisch, wiens persoonlijkheid zich op een somtijds onaangename wijze tusschen het kunstwerk en de toehoorders plaatste, als om hun telkens weder te binnen te brengen, dat de dirigent en nogmaals de dirigent het is die den scepter voert over hemel en aarde en regen en zonneschijn maakt en nimmer daarbij zijn gracieuse contenance verliest. O hoeveel overtuigender, hoeveel magischer waren (voor enkelen slechts, naar het schijnt) de somtijds getourmenteerde bewegingen en hoekige standen van dezen daemonisch gegrepenen, maar met onbreekbare zelfbeheersching begaafden jongen man. Hoe verkwikkend was het weer iemand te zien die den schijn versmaadt, omdat de werkelijkheid, die hij is, zooveel hooger dan iedere, zelfs de kunstigste schijn is. Hoe verrukkelijk was het een meester te zien die de groote meesters, die voor hém waren wat hij wellicht eens voor anderen zal zijn, zoo diep eerbiedigt, dat hij op hunne kosten noch schrander noch behendig wil schijnen. Hoe verblijdend was het weer iemand te hooren die ons niet met vriendelijke uitvoerigheid zegt dat hij ons niets te zeggen heeft, maar een door groote aandoeningen heftig gegrepene en toch zelfbewuste, die in zijn eigene aan niemand ontvreemde taal zonder vertoon noch leugen van gebaar of accent tracht uit te spreken wat hij heeft bemind en geleden.
Dit schrijvende valt mij te binnen hoe voor den beoordeelaar alle enthousiasme even gevaarlijk als onmisbaar is. Maar waar eerbied of afschuw een kritische houding tegenover sommige dingen onmogelijk maakt, treedt het instinctieve gevoel in de plaats van het oordeel en doet ons spontaan het eene beminnen en het andere mijden. Meer nog dan de eerste avond was het de tweede, waarop de voor een klein auditorium uitgevoerde ‘Symphonische Dichtungen’ Don Juan en Tod und Verklärung den toehoorder de instinctieve maar zekere overtuiging kon geven dat wie hier tot hen gekomen was behoort tot die kleine reeks van hen die sinds vijfhonderd jaren van het mysterie der menschelijke ziel getuigen in de zinnebeeldige taal der tonen. Deze zijn niet toonkunstenaars in den engeren zin, want van wat zij zeggen is de toon niet het wezen, maar slechts het beeld.
Zelfs belangrijke vragen van muzikale aesthetiek, als: in hoeverre Strauss de theorie van Wagner over het expressievermogen der
instrumentale muziek kan beschouwd worden weerlegd te hebben, in hoeverre het verlossings- en bevrijdingsideaal, dat de groote Germaansche toonkunst dezer eeuw bezielt, in Tod und Verklärung een nieuwe gestalte heeft aangenomen, zou men geneigd zijn van zich af te zetten in de vreugde van deze overtuiging.
Als wij in de dagbladen van het jaar 1803 zouden lezen dat Beethoven in Amsterdam was geweest, er zijne Eroica in een half leege zaal had gedirigeerd, in dezelfde zaal waarin een week te voren een toenmaals gevierde Leipziger kapelmeester met het gejubel eener zich verdringende menigte en fanfares van het orkest was gehuldigd, en dat hij weer heen was gegaan naar zijn land zonder dat de Hollandsche kunstenaars, schrijvers en schilders, eenigszins meer hadden getoond te beseffen wie hun gast was dan het ‘beest dat men beschaafd publiek noemt’, volgens het woord van den dichter, - wat zouden wij in onze tegenwoordige zelfvoldaanheid dan wel zeggen?
Of Strauss de Beethoven van onzen tijd is, kan men nu nog gemakkelijker vermoeden dan bewijzen, maar dat wij ons tegenover hem provinciaal hebben voorgedaan valt helaas niet te betwijfelen.