terug  begin  verderprepost
[p. 204]

1899 Don Lorenzo Perosi

Haec est Italia Diis sacra.
plinius

Toen ik onlangs in dit weekblad over de nieuwe kerkcomposities van Verdi sprak, en daarin het mislukken trachtte aan te wijzen van de poging om door de oude Gregoriaansche melodieën nieuw bloed in onze eenigszins vermoeide moderne muziek te brengen, vermoedde ik niet dat degene, die in deze richting een stap voorwaarts zou doen, niemand anders was dan Lorenzo Perosi.

Wel was mij eene Missa Patriarchalis voor gemengd koor en orgel van den Venetiaanschen meester bekend, maar in dit werk verraadt zich nog zoo weinig de persoonlijkheid van Perosi, het is nog zoozeer volgens het recept der Regensburger school, wier leerling Perosi was, dat ik met groote verwondering bemerkte hoe deze jonge man, die voor weinige jaren nog niet buiten de grenzen van zijn land bekend was, plotseling een Europeesche vermaardheid verworven had.

Men moet de Italianen eenige overdrijving ten goede houden. De overdrijving in hunne lofzangen op Perosi is immers de noodwendige begeleidster van dien trek in hun volkskarakter, waardoor zij, ondanks hun geestelijk en stoffelijk verval van de laatste twee eeuwen, toch altijd nog zijn het uitverkoren volk van Europa, zoodat nog telkens bij iedere aanraking met de goede elementen van hun volksleven bij ons de gedachte opkomt, die de Grieken hadden tegenover de Egyptenaren: het is lang geleden dat zij barbaren waren, en dat wij met geestdrift ons de woorden van Plinius herinneren, die ik ter eere van den jeugdigen meester hierboven geschreven heb: ‘Haec est Italia Diis sacra’, dit is het godgewijde Italië, het land dat de Helleensche cultuur toegankelijk maakte voor het occidentale Europa, wiens roeping het was de zware gedachten en de starre verbeeldingen van het Noorden te herscheppen in schoonheid van eurhythmie en aanminnige gratie, het eenige land in Europa, waar de kunst - en met name de toonkunst - nog hare aloude populaire beteekenis gehouden heeft en niet een uitsluitend genot is geworden van enkele standen, waar de muziek nog een zaak van nationaal belang is en waar een ieder op de antieke wijze nog deel meent te hebben aan den roem zijner land- of stadgenooten, evenals in den roem eens Olympischen overwinnaars bij de Hellenen niet alleen zijn verwanten maar al zijn stam- en stadgenooten deelden. Dit verklaart èn de geestdrift waarmede in Italië allerwege de werken van den jeugdigen priestercomponist zijn begroet, èn het geloof van zijn landgenooten dat er met hem een nieuwe aera voor de kerkelijke muziek zal aanbreken.

[p. 205]

Naar aanleiding van het gisteravond door de Italiaansche Opera onder de geestdriftige leiding van den heer Emanuel [Natale] uitgevoerde oratorium La Risurrezione di Lazzaro zou men nu deze vraag mogen stellen: wat is het dat bekoort in de muziek van Perosi en waardoor heeft hij zoo snel de harten van duizenden gewonnen? Menigeen zal het gegaan zijn als den schrijver dezer regelen. Bij het doorlezen der klavieruittreksels groote ontnuchtering over het werk en verbazing over zoo schielijken roem. Wie lost dit raadsel op, zoo denkt men bij zich zelven. Want bij die fugato's en onophoudelijke sequenzen en halfcadenzen denkt men toch maar al te snel aan de School, in de recitativische phrases der solo-partijen mist men nog al eens melodische expressie, en waar de zang meer een lied-karakter aanneemt, ziet men soms met huivering op het witte papier de in overanderlijke accoord-triolen zich maten lang voortzettende begeleiding. Men denkt dan allicht: hoe is het mogelijk dat dit het werk is van een jong mensch en dan nog wel van een Italiaan? Hoe is het mogelijk dat hij niets voelt van den drang om de melodie te vertienvoudigen, zoodat zij wordt tot een uitspansel van zingende lijnen, uit wier choor één stem als de hoogste en beste ons voornamelijk toespreekt? Maar dan komt weer de gedachte terug aan de leerjaren in Regensburg, onder de tucht van den strengen dr Haberl, en men vermoedt dat er onder die tuchtroede de muziek uitgedreven en een zeker schematisme en werktuigelijke notenbehendigheid daarvoor in de plaats getreden is. Want al vereert men Haberl als muziekvorscher hoog, het valt niet te ontkennen dat deze geleerde te geleerd, te doctrinair en te reactionnair is om onbevangen tegenover het streven van jongere toonkunstenaars te staan, en zoo is dan ook de Regensburger school zeer duidelijk te herkennen aan hare werken, en doet zich het merkwaardige feit voor, dat de leerlingen dier school eindigen met allen denzelfden stijl te bezitten, onverschillig of zij Hollanders, Duitschers, Franschen of Italianen zijn.

Bovendien is er zooveel naïefs ook nog in Perosi's werken, dat men denkt: was de auteur niet te jong, kende hij het leven wel diep genoeg om alle snaren der harp te doen spreken? Hier staat wederom tegenover, dat hij in het harmonische soms een sensitiviteit verraadt, die, vrij van ziekelijk of ijdel streven naar originaliteit, bewijst dat Perosi, hetzij bewust, hetzij onbewust, de door Wagner gevondene fijnere en teerdere harmonische verwantschappen niet verborgen gebleven zijn. Maar al deze twijfelingen worden door de uitvoering verhelderd en opgelost. Mij tenminste is het thans begrijpelijk hoe Italië zich verblijdt in deze muziek, en hoe men hierin den dageraad eener nieuwe Italiaansche toonkunst wil zien. Bij de uitvoering verdwijnt toch, dank zij een uiterst ervarene instrumentale kunst, wier tinten in haar klare en effene vlakheid aan het coloriet van Puvis de Chavannes doen denken, de monotonie die men bij het

[p. 206]

lezen van het klavierarrangement wel eens bespeurt, en men voelt zich gelukkig in de reine atmosfeer dezer klanken, wier koele innigheid somwijlen de herinnering wekt aan Rafaël, toen hij zich zijn goddelijk genie nog niet gansch bewust en zijn geest nog gebannen was in de aanschouwing van Perugino. O hoe weldadig doet ons dit aan, hoe dankbaar zijn wij den kunstenaar dat hij ons dit heeft gegeven, hoe gaarne vergeven wij hem zijne schoolsche en andere naïeviteiten en zelfs zijn (slechts één enkele maal) terugvallen in de ouderwetsche Italiaansche-opera-vulgariteit, nu wij door hem weer eens natuurlijke muziek mochten vernemen, natuurlijke, welgemanierde, reine en vooral bescheidene muziek, dit wil zeggen muziek zonder ijdelheid, zonder valsch pathos, zonder opdringerigheid, zonder onware diepzinnigheid, zonder onnatuurlijke, verdraaide en overspannene lijnen en klanken.

En dan treffen ons in enkele illustratieve orkestspelen - als het ware meditatiën over woorden van den verhaler, zooals het weenen van Jezus, de ziekte van Lazarus, de liefde van Jezus voor Lazarus, het troostbezoek der Joden bij Maria en Martha -, ondanks den soms eenigszins archaïstischen fugato-vorm, de accenten eener ontroerende en toch liefelijke smartelijkheid, zoo schoon als in de nieuwere tijden geen Italiaan ze gevonden heeft, zooals de herinnering aan de zoete landouwen van Umbrië, aan Fiesole met zijn grijszilveren olijfboomen en de diepe helderheid van den blauwen hemel ons voor de gedachte treedt; dan bij de verblindend helle accoorden van het gansche koor der koperen instrumenten de goddelijke glans die er straalt van de machtige Christus-figuur, verder de Hymnus ‘Scrutator alme cordium’, een meesterstuk van modernen hymnenzang, voorts de uitstekende muzikale typeering der Joden in de koorgezangen ‘Ecce quomodo amabat eum’, ‘Non poterat hic’, en ‘Quia vadit ad monumentum’. Opmerkelijk is dat de muziek onmiddellijk zwak en een weinig gezwollen wordt, waar de componist den lyrisch-recitativischen toon verlaat en pure lyriek wil geven, zooals bij de woorden van Martha: ‘Utique Domine ego credidi’. Trouwens, de afwezigheid van lange en echt vocaal gedachte melodieën, in zuivere en strenge lijnen geteekend, hebben Perosi's werken met die van de meeste moderne componisten gemeen, misschien wel ten gevolge der verwaarlozing van dit zeer gewichtige deel hunner muzikale studiën. Ook zou er in de begeleiding der vocaal-soli meer zangrijke polyphonie kunnen zijn, zonder dat daaronder de doorzichtigheid en de klaarheid behoefde te lijden bij een meester die het orkestrale materiaal met zoo groote zekerheid beheerscht.

Maar dit alles kan toch niet verhinderen dat uit de herinnering aan het gehoorde allengs de overtuiging oprijst dat er toch een Perosiaansche stijl bestaat en dat zijne landgenooten niet ten onrechte in hem de voorspelling zien eener wedergeboorte der toonkunst in Italië.

prepostterug  begin  verder