terug  begin  verderprepost
[p. 267]

1914 ‘La grande Allemagne’

I

Een van de belangrijkste ontdekkingen die een ‘neutraal’ toeschouwer van den gruwelijken volkerenkrijg heeft kunnen doen, is wellicht deze, dat bloed sterker is dan water, of dat het kruipt waar het niet gaan kan, - ik bedoel, dat het sterker is dan rede, dogma of litteratuur. Zulk een toeschouwer heeft kunnen zien, dat de utopieën van een internationaal proletariaat zoo ergens elders ter wereld dan toch zeker in het tegenwoordige Duitschland - het Duitschland na '70 - nog utopieën zijn. Bebel en Engels konden in '70 op heldhaftige wijze tegen den dynastieken veroveringsoorlog hun protest laten hooren, en hadden er eenige jaren ‘Festungshaft’ voor over. Toch was Bebel niettemin een goed patriot, en hij heeft wel gezorgd dat daaromtrent geen twijfel bestaan kan. De Duitsche sociaal-democraten van na '70 zijn ook goede patriotten, maar verschillen van het oudere geslacht der Bebels, dat zij minder romantisch zijn aangelegd en voor onnoodig heroïsme weinig gevoelen. Zij hebben de kans van een kogel of van eene ‘Festungshaft’ niet willen loopen, en frank en vrij voor de oorlogscredieten gestemd. Waaròm niet? Het is het door Bismarck geïnaugureerde tijdperk der ‘Realpolitik’!

Maar niet alleen bij de sociaal-democraten zou de bovengenoemde ‘neutrale’ toeschouwer de zwenking in de richting der ‘Realpolitik’ kunnen opmerken! Noch van de Katholieke pers als vertolkster van de gevoelens der Katholieken, noch van de Katholieke bisschoppen heeft men een woord van protest tegen dezen rassenoorlog, tegen dezen oeconomischen veroveringsoorlog vernomen, waarbij - als Pruisen overwint - de mogelijkheid van een tweede ‘Kulturkampf’ niet uit is gesloten.

Deze strijd toch van de Germaansch-Protestantsche ‘Kultur’ (met een K!) tegen de Latijnsch-Katholieke is de logische voortzetting van de overwinning (evenals in '70) door het Germaansche ras op het Latijnsche behaald! De vernietiging der oude Belgische Kathedralen, der Universiteits-bibliotheek van Leuven, het vermoorden der vele weerlooze priesters onder allerlei nietige voorwendsels, naast zekere uitingen der Pruisisch-nationalistische pers omstreeks 1 Augustus zijn ook in dit verband niet zonder beteekenis!

Men kan dus veilig constateeren een algemeene onteigening van het partijkarakter ten gunste van het Pruisische imperialisme en van het Pangermanisme. Thans is de Duitscher in de eerste plaats Duitscher en eerst in de tweede plaats katholiek of sociaal-democraat. Hierdoor

[p. 268]

wordt het zonderlinge feit begrijpelijk dat, behalve een beschroomde bedenking der Vorwärts, uit Duitschland (voor zoover mij bekend) geen enkele klacht, laat staan protest, van kunstenaars en kunstgeleerden is gehoord over de ‘straf’, door de Duitschers aan Leuven voltrokken. Ook de kunstenaars en kunstgeleerden zwijgen over de vernietiging der kostbaarste schatten van laat-Middeleeuwsche bouw -, schilder- en boekdrukkunst, over de verwoesting van de wereldberoemde Mechelsche St. Salvatorklok. Zij zijn Duitschers, en leven in ‘das Zeitalter der Realpolitik’. Bloed is sterker dan water!

II

Uit Caesar's werk over den Gallischen oorlog weten wij, dat de behoefte aan expansie aan deze zijde van den linker Rijnoever reeds 2000 jaren een ‘probleem’ was. Eerst waren er enkele honderden Germanen over den Rijn gekomen. Deze waren vervolgens dermate door de vruchtbaarheid van den Gallischen bodem, door de levensverfijning en het zachte klimaat bekoord, dat er zich binnen enkele jaren 15000 in Gallië vestigden. Bij deze behoefte aan geographische expansie als gevolg van overbevolking is thans nog een economische gekomen als bron van ultimatums.

Kon men gelooven dat dit laatste moment werkelijk de eenige oorzaak was van deze Europeesche moordorganisatie - die naar het gevoelen van gezaghebbende personen in Frankrijk en Engeland voorkomen had kunnen worden, indien het den Duitschen Keizer ernst was geweest met zijne vredelievende beloften, indien Duitschland in plaats van Oostenrijk tot den oorlog met Servië te dwingen zijn invloed in tegenovergestelde richting gebruikt had, en het de interventie van Engeland niet af had gewezen -, kon men gelooven dat alleen ethnographische, economische en financieele momenten Duitschland tot den oorlog hadden gedreven, dan zoude hun die noch politici, noch militairen, noch publicisten zijn, tegenover de ramp die de hoogere beschaving door de verwoesting van Leuven en Mechelen getroffen heeft, een weemoedig en verbitterd stilzwijgen passen, als tegenover een onstuitbaar en onafwendbaar natuurverschijnsel.

Men kon het al of niet betreuren dat de Teutonen andermaal een rooftocht aan gene zijde van den Rijn hadden ondernomen, men zou er zich al of niet over kunnen verbitteren dat voor ‘zaken’ en ‘handelsbelangen’ de heerlijkste gewrochten van oude kunst, zoovele menschenlevens geofferd en zulk een onnoemelijk leed werd geleden Van dit alles zou men nog getuige kunnen zijn, wel vol afgrijzen, maar met zwijgende verbittering. Waar echter als gevolg van een veertigjarige pacifieke penetratie en Prussificatie van Europa in 't algemeen, en van Nederland in het bijzonder, als gevolg van den zegevierenden

[p. 269]

opmarsch der Duitschers in Frankrijk de kans bestaat op eene àl te gunstige waardeering van de ‘deugden’ welke de Duitsche wapenen die ‘overwinningen’ verzekerden, daar is het de taak van hen die niet ‘aan politiek doen’, een woord mee te spreken en achter eenige dierbare - ook Nederlandsche - illusies een paar vraagteekens te zetten.

III

Onder de sluiers, die sinds 1 Augustus gevallen zijn, behooren ook die welke de veroveringsplannen en Napoleontische aspiraties van Keizer Wilhelm bedekten. Het blijkt nu dat België (en Nederland?) sinds jaar en dag overstroomd is van spionnen die de gastvrijheid van België genoten met geen ander doel dan om dat land aan den indringenden veroveraar te verraden. Men had vertrouwen op het eerewoord van een keizer, voor wien bovendien de door de Duitschers zelf bescheidenlijk als ‘Duitsch’ geaccentueerde ‘deugden’ borg stonden. Der deutsche Ernst, die deutsche Gründlichkeit, der deutsche Fleiss, das deutsche Gemüt! Ach, hoeveel is van deze deugden - de deugden van ‘kleine zielen’ - na '70 niet legende geworden!

Ook hier doet zich het resultaat van veertig jaren Bismarcksche ‘Realpolitik’ kennen.

In de jaren na '70 kreeg Nietzsche te Bazel den indruk alsof hetgeen men in Duitschland als specifieke ‘Duitsche’ deugden beschouwde, in werkelijkheid veeleer bij de Zwitsers te vinden was.

Het is lang geleden dat men met eenig recht kon zeggen: ‘Hamlet ist Deutschland’.

De Duitschers hebben zich na '70 onder Bismarck's leiding op de ‘Realpolitik’ toegelegd, en hun verleden verloochend dat hen, terwijl zij politiek zwak en klein waren, groot en geëerd maakte in Europa. In de eerste twintig jaar na '70 echter was het Duitsche volk nog vredelievend en had zijn oogmerk slechts op de industrieele verovering der wereld gericht. Maar deze stemming heeft allengs plaats gemaakt voor een onnatuurlijke nationale opwinding en overmoed. Dit constateeren die Duitschers zelf wier hoogere geestesbeschaving hen niet alles doet slikken wat hun door de joodsch-Pruisische journalistiek te slikken wordt voorgezet.

Uit al deze pangermanistische, door volksschool en volkslied sinds de Napoleontische vrijheidsoorlogen gevoede en geprikkelde stemmingen is een grondstemming te voorschijn gekomen, welke veeleer dan het zoogenaamde Russische ‘barbarendom’ (dat zeer weinigen uit ondervinding kennen en waarvan iedereen den mond vol heeft!) een duurzaam gevaar voor den vrede, de vrijheid en de beschaving van Europa oplevert. Het is de gedachte van het Duitsche nationalisme en pangermanisme. Reeds in den duisteren bombast van

[p. 270]

Fichte's Reden an die Deutsche Nation (1814) treedt deze gedachte, die in Wagner's Meistersinger, zeer demonstratief, is uitgesproken, naar voren: de emancipatie der Germanen van de Romaansche cultuur, en de pretentie, tegenover de wuftheid (‘Welschen Tand!’) en oppervlakkigheid der Romanen ‘diepte’, ‘innigheid’, ‘reinheid’ en ‘waarheid’ te representeeren, eene pretentie die door den heer H.S. Chamberlain, den schrijver van Die Grundlagen des XIX. Jahrhunderts en den fanatischen lofredenaar van het Germanendom, op krachtige wijze geschraagd is.

Wie den heer Chamberlain aan het werk heeft gezien om zelfs Dante voor het Germanendom te annexeeren, zal zich niet meer over de onbeschaamdheid van het Berliner Tageblatt verbazen, dat Leuven een ‘Duitsche’ stad noemt. Van Shakespeare en Rembrandt hadden wij dit vroeger reeds beleefd.

Het is de typische gemoedsgesteldheid van den veroveraar te meenen, dat hij alleen rechten heeft. Het lossen van een paar schoten, welke niet eens hun doel bereikten, was voldoende om het heerlijke stadje Dinant in puin te doen veranderen. Indien men den oud-kanselier von Bülow hoort spreken in een dezer dagen gehouden interview is het waarlijk alsof er niets buiten en niets zonder Duitschland bestaan kan.

Nimmer heeft het Duitschland zoozeer aan tact, goede smaak en edelmoedigheid gemangeld, en al moge Duitschland's verbittering over ten achterstelling in koloniale aangelegenheden voor andere mogendheden begrijpelijk zijn, - aan hun optreden zullen zij het zich zelf moeten wijten, wanneer de andere volken hen vreezen - en haten.

Dat de hier boven beschrevene stemming ten nauwste samenhangt met de preponderante plaats die het militairisme in de Duitsche maatschappij inneemt, - wie zal het betwijfelen? Toch meen ik dat het niet overbodig is er op te wijzen dat behalve het militairisme en de andere hierboven genoemde factoren ook de door een eeuw lange traditie aangekweekte pangermanistische stemming een onmiskenbaar gevaar voor den vrede van Europa beteekent.

IV

Het is bekend dat de uit de zeventiende en achttiende eeuw stammende verachting en onwetendheid der Nederlanders voor alles wat Duitsch is, na '70 allengs heeft plaats gemaakt voor een even onberedeneerde bewondering. Zeer zeker zouden de eigenschappen van het moderne Duitschland, zijn methode en organisatie, recht hebben op waardeering, indien deze eigenschappen in den dienst waren gesteld der beschaving. ‘Beschaving’ echter is niet, zooals vele Nederlanders gelooven, het schrijven en lezen van dikke boeken, het doen van

[p. 271]

zorgvuldige wetenschappelijke onderzoekingen, het verspreiden van ‘kennis’ voor bijna geen geld onder alle lagen der maatschappij, het bouwen van hygiënische fabrieken en van 42-centimeter-kanonnen, - maar het respecteeren van de vrijheid van anderen en het vermogen om zich in zijn geestestoestand te verplaatsen.

Niets getuigt meer - aangenomen dat de Duitschers door nood gedwongen waren de Belgische neutraliteit te schenden, zooals de rijkskanselier officieel verklaard heeft - van de ‘Verrohung’ der Duitschers, dan dat zij het den Belgen als een misdaad aanrekenen, dat deze hun neutraliteit handhaven, en dat zij spreken van het ‘barbaarsche optreden dier misdadigers’, omdat de Belgen, heldhaftig als Leonidas en zijne Spartanen, zoo lang zij konden den opmarsch der Duitschers hebben gestuit. De houding der Duitsche pers tegenover het ongelukkige België zou van een zuiver-menschelijk standpunt totaal onbegrijpelijk zijn, wist men niet hoe het Duitsche volk lijdt aan nationalen grootheidswaan. In hun pangermanistische onwetendheid houden zij geen rekening er mede dat de Belgen hun eigen raseigenaardigheden, hun eigen taal, hun eigen eeuwenoude cultuur hebben, en beschouwen Belgen en Nederlanders, omdat zij geen Franschen zijn, als Germanen, hetgeen voor hen gelijk staat met Duitschers. Ook begrijpen zij niet dat men een fier en dapper volk als de Belgen niet kan omkoopen voor geld!

‘Der geradezu wahnwitzige Fanatismus’, schrijft de Berliner illustrierte Zeitung van 6 Sept. 1914, ‘mit dem die Bevölkerung der alten belgischen Stadt Löwen die siegreichen Deutschen nach ihrem Einzug überfiel, ihre bestialische Tücke und Grausamkeit hat eine harte, aber nur zu gerechte Sühne gefunden.’ Nu weten de nog vrije volken van Europa wat hun te wachten staat! Het laatste woord van ‘das Volk der Denker und Dichter’ is het 42-centimeter-mortier!

‘Sans doute’, schrijft Emile Ollivier, de oud-minister van Napoleon III, in zijn boek Philosophie d'une guerre. 1870, ‘sans doute il existe une Allemagne barbare, avide de combats et de conquêtes, celle des hobereaux, une Allemagne pharisaïque, inique, celle des pédants inintelligibles, dont on nous a trop vanté les creuses élucubrations. Mais ces deux Allemagnes ne sont pas la grande Allemagne, celle des artistes, des poètes, des penseurs, celle-là est bonne, généreuse, humaine, charmante et pacifique.’

Helaas, arme Ollivier, dichter en droomer, onvermoeide historiker van l'Empire libéral, schoonzoon van Liszt en vriend van Wagner, op het juiste oogenblik zijt gij, hoogbejaarde grijsaard, in den herfst van 1913 gestorven! Gij hadt anders bij de overige bitterheden van uw lange leven nog die kunnen smaken van den twijfel aan het nog voortbestaan van het door u met zooveel liefde - een liefde, die wij allen zoozéér deelen - beschrevene ‘grande Allemagne’.

prepostterug  begin  verder