Het concept-telegram van den heer Elout aan den Duitschen Keizer om hem te verzoeken, de historische gebouwen en kunstschatten van België en Frankrijk te sparen, heeft niet mogen baten! De zeven eeuwen oude Kathedraal van Reims, waar de Fransche Koningen gezalfd en gekroond werden, volgens Viollet-le-Duc ‘de Koningin der Gothische Kathedralen’, heeft, zoo zij niet geheel vernield is, dan toch evenals het schoone Gothische stadhuis van Dendermonde een gruwelijke schade geleden. ‘Doodt, als gij niet anders kunt, de menschen’, riep Romain Rolland den dichter Hauptmann toe, ‘maar eerbiedig de werken van het verleden.’ Ook zijne woorden zijn in den wind gesproken! Zou dit eene nieuwe en geheel oorspronkelijke toepassing zijn van eene theorie, door een anonym Duitsch legeroverste uitgesproken (zie de Figaro van 23 Aug.), dat de oorlog wreed moet zijn om des te sneller tot den vrede te geraken?
Dit zou werkelijk de superieur-verfijnde wreedheid zijn, om den vijand zijn verleden te ontnemen, datgene waaraan hij zich moreel weder op zou kunnen richten, de ziel zijner stad, de panden van nationale en psychische eenheid, die de achtereenvolgende geslachten aan elkaar hebben overgedragen! De Duitsche regeering stelt tegenover de verzekering der Fransche, dat de beschieting der Kathedraal geen ‘militaire noodzakelijkheid’ was, de verklaring, dat de Kathedraal op last van het Duitsche legercommando gespaard zou worden, zoolang de vijand haar niet tot zijn voordeel gebruikte, dat echter in den toren een observatiepost was opgesteld dien men moest verwijderen, dat er niet met zware artillerie is gewerkt, dat de commandant, de Hertog van Wurtemberg, een overtuigd Katholiek is, dat de aanvallende troepen slechts zoo ver zijn gegaan als zij beslist gaan moesten en dat de verantwoordelijkheid op den vijand rust, die het eerwaardig bouwwerk onder dekking van de witte vlag trachtte te misbruiken. Niet de ‘geschiedenis’, zooals men vroeger placht te zeggen, maar wel de naaste toekomst, als de oorlog geëindigd is, zal hierover het eindoordeel moeten vellen, zooals over Leuven, Mechelen en Dendermonde. Dan zal het geweten en het gemoed ‘der gansche beschaafde wereld’ een onpartijdig internationaal onderzoek eischen, opdat zij zekerheid moge verkrijgen in hoeverre het erfdeel van het verleden, dat evenzeer háár eigendom is als dat van België en Frankrijk een offer is geworden der ‘militaire noodzakelijkheid’.
Toch kan ons deze overweging niet verhinderen de vraag te stellen of het Duitsche volk, ondanks dat de regeering blijkbaar de verantwoordelijkheid van den ondergang der ‘Culturschätze’ onder den invloed der buitenlandsche protesten begint te gevoelen, zich wel
van deze verantwoordelijkheid bewust is? Het antwoord van Gerhart Hauptmann aan Romain Rolland maakt dit niet waarschijnlijk! Ook deze letterkundige beroept zich ten slotte op de uitspraken van den Keizer in het telegram aan den President der Vereenigde Staten. Hij doet afstand van zijn kunstenaarsschap en zijn qualiteit van zelfstandig denker, hij onteigent zijn artistieke en intellectueele persoonlijkheid ten gunste van zijne nationale. Hij doet dus wat een vrouw doet die haar kinderen of hare sieraden offert op ‘het altaar des vaderlands’!
Wat de beteekenis is van den geboortegrond, van de omgeving die den mensch in zijn kinderjaren vormde en die de geheimzinnige bron is, niet steeds van wat hij op lateren leeftijd denkt en gevoelt, maar wel van hoe hij dat doet, - de beteekenis dezer geheimzinnige macht wordt wederom ten spijt van lang geliefkoosde democratische utopieën gevoeld. ‘In een Fransch-Duitsche oorlog’, schrijft Het Volk van 22 September, ‘botsen verschillen van temperament, geschiedenis, kultuur, levenswijze, zeden en gewoonten, op elkaar, die aan elke redeneering ontsnappen en veel dieper zitten in de menschen dan zelfs de ekonomische grondslagen van den klassenstrijd, daar zij het onderbewustzijn, de oer-instinkten der massa raken. Wie ooit mocht gedacht hebben dat de oppervlakkige praatjes over vaderlandloosheid, afkomstig uit den uitdragerswinkel van het burgerlijk kosmopolitisme, bestand zouden zijn tegen de werking van deze diep uit des menschen ondergrond wellende gevoelens, zoodra de nationale kwestie eenmaal werkelijk zou worden gesteld, die heeft zijne vergissing aan zich zelf te wijten.’ Van uit dit gezichtspunt zou men in het ‘sacrifizio dell' intelletto’ van een Hauptmann, die zich achter zijn Keizer verschuilt, bijna iets eerbiedwaardigs kunnen vinden, als het niet voortkwam uit de grondelooze diepte van den Duitschen ‘Nationalstolz’ en van het nationale egoïsme, en als men met de Duitschers onvoorwaardelijk aan de onafwendbaarheid van den hun ‘opgedrongen’ oorlog kon gelooven. Wat moeten zij die ondanks de hevige aanklachten van Bethmann Holweg tegen den heer Asquith niet overtuigd zijn dat ‘de zaak van de vrijheid der Europeesche volkeren en staten’ door ‘het Duitsche zwaard’ het best beschermd is, die integendeel met Asquith gelooven, dat ‘de Duitsche leer van de stoffelijke kracht, die leidde tot de meening, dat verdragen niets waren dan stukken perkament, een zeer kortzichtige philosophie was’, -wat moeten zij als de consequenties van deze hyperpatriottische stemmingen beschouwen? Voor meer dan 25 jaar heeft Nietzsche reeds gesproken over ‘das starke, aber enge Prinzip ‘Deutschland, Deutschland über Alles’!’ Hij had het slechts over de stemming en de nadeelige, versmorende invloed die dit beginsel op de Duitsche beschaving uitoefende. Thans zien wij die theorie in daden overgaan. Tegen dezen overgang verzetten zich op ‘practische’ gronden de Engelsche staatslieden. Men kan hun geen ongelijk geven!
Een hoogst gewichtig moment in den ontzettenden tijd dien wij thans doormaken is dan ook de steeds weer opdoemende vraag naar de onvermijdelijkheid van de uitbreiding van het Oostenrijk-Servisch-Russische conflict over geheel Europa. Is er dan geen waarde te hechten aan het rapport van den Engelschen gezant te Weenen, Sir Maurice de Bunsen, hetwelk deze, handelende over de besprekingen die hij met graaf Berchtold op het einde van Juli hield in het belang van den vrede, aldus besluit (zie het Handelsblad van 21 September): ‘Ongelukkigerwijze werden deze besprekingen te Petersburg en Weenen op eens afgesneden, doordat het geschil op gevaarlijker terrein kwam ten aanzien van een oogenblikkelijk conflict tusschen Duitschland en Rusland. Duitschland kwam op 31 Juli tusschen beiden door zijn dubbele ultimatums te Petersburg en te Parijs. Die ultimatums waren van zoodanig karakter dat er slechts één antwoord mogelijk was en Duitschland verklaarde den oorlog aan Rusland op 1 Augustus en aan Frankrijk op 3 Augustus. Eenige dagen uitstel (deze woorden zijn door de redactie van het Handelsblad onderstreept) zou naar alle waar schijnlijkheid Europa bewaard hebben voor de grootste ramp in zijn geschiedenis.’
Zouden zij, die aan deze nog niet weerlegde woorden waarde toekennen, zich de Duitsche opvatting eigen kunnen maken, dat de oorlog Duitschland is opgedrongen en dat het tot het laatste moment getracht heeft den vrede te bewaren? Welke onbevooroordeelde toeschouwer zal kunnen gelooven, dat ‘die belgische Neutralität längst durch die Franzosen verletzt war, unter belgischer Zustimmung, ehe Deutschland notgedrungen seinen Weg durch Belgien nehmen musste’, zooals de Westfälische Mercur in zijn nummer van 9 September schrijft? Wie hecht er nog aan het sprookje van de schending der Belgische neutraliteit door Frankrijk? Welke reden bestaat er, de woorden van Lloyd George in twijfel te trekken, die hij in Queen's Hall niet alleen voor de Engelschen maar voor de geheele wereld gesproken heeft: ‘Frankrijk had aan België vijf legerkorpsen aangeboden tot bescherming van zijn neutraliteit. België verklaarde ze niet van noode te hebben. Het had het woord, de belofte van den Keizer. En ‘zou Caesar een leugen zeggen’?’
‘De oorlog,’ zeide Koning Albert tot een correspondent van den Daily Chronicle, ‘is het rechtstreeks gevolg van den reactionnairen geest, van het brutale militairisme en het ergerlijke materialisme, dat onder de regeerende klassen en in de onmiddellijke omgeving van den Duitschen Keizer heerscht.’ Gedurende de laatste 5 of 6 jaren had de Koning op zijne reizen en bij gedachtenwisselingen met voorname Duitschers menige gelegenheid gehad ‘het toenemend minachtende en aggressieve optreden van de militaire kaste op te merken, en hij was dan ook tot de slotsom gekomen dat een nieuwe en gevaarlijke geest Berlijn begon te beheerschen en dat de aanval van den
kant van Duitschland verwacht kon worden’ (De Tijd, 18 Sept.). Zeer zeker heeft de moedige Belgenkoning in deze woorden althans gedeeltelijk den oorsprong van den ramp aangewezen, die nu gansch Europa teistert, en het komt mij voor dat zij die steeds weder herhalen dat niemand den oorlog wilde en dat hij onvermijdelijk was, bij hunne vele zeer zeker juiste beschouwingen één ding vergeten: den Duitschen Nationalstolz en een nieuwen vorm van (beschaafd) barbarisme: de vernationaliseering der Duitschers. Een sprekend staaltje daarvan - behalve de reeds genoemde brief van Hauptmann aan Rolland - vind ik in de redeneering der Kölnische Volkszeitung van 1 September, die de ontsteltenis van Nederland over de verwoesting van Leuven's en Mechelen's kunstschatten tracht te verklaren door de omstandigheid dat Leuven vroeger een ‘Hollandsche’ stad was! Waarlijk indien de Kölnische Volkszeitung zich geen andere sympathie van den vreemdeling voor het verwoeste Leuven kan voorstellen dan uit nationaliteitsgevoel ontstaan, dan verwondert men zich ten slotte niet over de bewering der Frankfurter Zeitung, dat de ‘zoogenaamde’ ‘Kultur’ in Frankrijk ‘oppervlakkig en schaarsch is, en geen waarborg levert tegen dwaasheid en barbarisme’ (Het Volk, 29 Sept.).
De Duitschers schermen gaarne met het woord ‘Kultur’, hetwelk zij even gaarne met ‘Deutschtum’ identificeeren. Indien het juist is, wat minister Asquith onlangs (18 Sept.) te Edinburgh zeide, dat volgens de meening van de leiders van het Duitsche intellect ‘Duitschland en de Duitsche cultuur de wereld moesten beheerschen’, dan zullen de andere volken, die deze weldaad moeten ontvangen, zich van te voren wel de waarde van dit geschenk bewust moeten maken. Men hoeft waarlijk nog geen vijand van Duitschland te zijn om voor de bedenkelijke zijden dezer nationale zelfoverschatting ook voor de Duitschers zelf niet blind te zijn. Maar zijn dan de moderne, onder Pruisen's hegemonie opgegroeide Duitschers van na '70 zóó onbekend met de meeningen hunner eigene groote mannen, dat zij niet weten dat Goethe en Nietzsche, alsook Langbehn - de schrijver van het hypergermaansche, maar vele geniale gedachten bevattende werk Rembrandt als Erzieher - van oordeel waren, dat een Duitsche ‘Cultur’ nog niet bestaat? Op den 3 en Mei 1827 zeide Goethe tot Eckermann: ‘Wir Deutschen sind von gestern. Wir haben seit einem Jahrhundert ganz tüchtig cultivirt; allein es können noch een paar Jahrhunderte hin gehen, ehe bei unseren Landsleuten so viel Geist und höhere Cultur eindringe, dass man von ihnen wird sagen können, es sei lange her dass sie Barbaren gewesen.’ Zou Goethe in het tegenwoordige Duitschland geen autoriteit meer zijn? In ieder geval verstaat hij onder ‘Kultur’ iets anders dan de Frankfurter Zeitung!
Te Keulen is een vrouw voor den krijgsraad gebracht, zegt de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 22 September, wegens een uit-
lating in een buurpraatje. Ze had gezegd dat de Duitschers in België barbaarsch waren te keer gegaan, dat zij zich schaamde een Duitsche te zijn, en dat de vijanden meer gevoel hadden dan de Duitschers. Deze vrouw, die wegens ‘grober Unfug’ tot den burgerlijken, rechter is verwezen, heeft waarschijnlijk nooit het woord ‘Kultur’ gehoord en weet niet of men het met een C of een K moet schrijven. Het zou echter wel eens kunnen zijn dat de Duitschers, willen zij Goethe's voorspelling waar maken, weer terug zullen moeten gaan tot het standpunt van zelfinkeer dezer naïef spontane vrouw. Gelukkig echter staat zij niet geheel alleen. Volgens Het Volk van 22 September is dr Liebknecht België gaan bezoeken en heeft hij zich ter plaatse door zijne partijgenooten laten inlichten. Toen hij de plunderingen en verwoestingen had aanschouwd ‘was Liebknecht van oordeel dat de handelwijze zijner landgenooten niet was te verschoonen. Hij sprak de hoop uit, dat het Duitsche volk weldra met de waarheid zal bekend worden.’
Het daghet in den Oosten!