terug  begin  verderprepost
[p. 278]

1914 De reyen van den Gysbrecht

Pro domo mea

In eene recensie van de opvoering van Gysbrecht van Aemstel bij Royaards op 20 November in het avondblad van den 21en November van de Telegraaf zegt de heer Barbarossa, dat Royaards den dichter ‘groot onrecht’ heeft aangedaan door de Reyen te laten zingen in plaats van ze te laten zeggen. Moge de uitdrukking wellicht een andere geweest zijn - ik heb het nummer niet bij de hand -, de bedoeling was dezelfde. Daar deze beschuldiging van Vondel ‘onrecht’ te hebben gedaan, van met andere woorden een daad van vandalisme te hebben begaan, mij minstens evenzeer treft als mijn vriend Royaards, en het door deze uiting wederom blijkt hoe diep het vooroordeel tegen het zingen der Reyen bij de letterkundigen en letterkundige journalisten is ingeworteld, wil ik op deze kwestie, hoewel door Balthazar Verhagen in de Groene van 6 April 1913 afdoende behandeld, nog eens terugkomen en een pleidooi voor mijn eigen zaak houden: pro domo mea.

Op de argumenten van mijn vriend Verhagen behoef ik nauwelijks terug te komen. Het is voldoende naar dat artikel te verwijzen. Daar ik echter vermoed, dat zulk een belangrijk artikel de aandacht van den heer Barbarossa als tooneelcriticus destijds niet zal ontgaan zijn, dunkt het mij waarschijnlijker dat genoemd artikel, waarin de heer Verhagen op wetenschappelijke gronden (zoowel psychologische als philologische) de onmogelijkheid van een gesproken Reyzang demonstreert, hem niet overtuigd heeft, zoodat het weinig zou baten de argumentatie van den heer Verhagen hier nog eens te herhalen. Ik vermoed dan ook, dat hij op zijn standpunt en dat van hen, die met hem instemmen, voor een dergelijke redeneering niet te bereiken is, en dat hij en zijne medestanders mij zullen antwoorden: ‘Wat kan het ons schelen of gij met uwe droge philologie ons komt ‘bewijzen’, dat de koorliederen in de Grieksche tragedie werden gedanst en gezongen, en dat Vondel deze traditie nog huldigde; dat hij zelf in de voorrede van Jephta verlangd heeft, dat zijne Reyen op ‘maatgezang’ zouden worden gezongen. Wij ‘woordkunstenaars’ willen ‘het woord’, het ‘goddelijke’ woord van Vondel, en dit willen wij ons door uwe muziek niet afhandig laten maken.’

Het scherpst is deze ultra-letterkundige opvatting (die echter niet alle letterkundigen deelen) geformuleerd door den heer Fr. Netscher in den Oprechten Haarlemmer. Wat aan den Gysbrecht bijzondere waarde geeft is niet het ‘nationaal-historische van den inhoud’, maar ‘de taal van Vondel’. ‘Het woord is dus alles in den Gysbrecht’,

[p. 279]

schreef de heer Netscher, ‘en om dat te hooren gaat men naar den schouwburg, niet om van het gekletter der wapenen der Kennemer- of Waterlanders te genieten.’

Ik kan mij in den geestestoestand van deze heeren het best verplaatsen door hem te ontleden in zijne bestanddeelen, die mij de volgende schijnen te zijn:

1e. Natuurlijke ongevoeligheid voor het element van den muzikalen klank, of wat men gewoonlijk noemt volslagen gebrek aan muzikaliteit;

2e. bovenmatige vereering voor de zooevengenoemde ‘taal’ van Vondel;

3e. een naïef misverstand omtrent de zoogenaamde ‘muzikaliteit’ dier taal;

4e. een ultra-individualistische of onsociale kunstopvatting.

Het eerste verhindert hun een gezongen tekst te verstaan, zoodra aan den zang veelstemmigheid (hetzij vocaal of instrumentaal) en orchestratie aandeel hebben. Deze ongevoeligheid voor het zinnelijke klankelement der muziek, die een kenmerkende eigenschap is van de meeste ‘ontwikkelde’ Nederlanders in 't algemeen en van de letterkundigen in 't bijzonder, is tevens oorzaak van hun misverstand omtrent de ‘muzikaliteit’ van het woord. Zij belemmert hun te zien dat deze van essentie een geheel andere is dan die der muziek, dat zij niet ‘op en uit zichzelf al muziek’ is, zooals de heer Netscher zegt, omdat het woord zijn eigen ‘muziek’ heeft, die nooit door een andere vervangen kan worden, dat het gesproken woord en de muzikale toon (hetzij vocale of instrumentale) tot geheel verschillende orde van dingen behooren. Deze bovenmatige vereering van Vondel's woord - die ik niet deelen kan, daar ik zoowel in de Alexandrijnen als in de Reyen van uit een zuiver-technisch oogpunt lang niet alles volmaakt vind, wat echter thans niet ter zake doet - verbonden met hunne onsociale, exclusief-letterkundige kunstopvatting, belemmert hun eindelijk in te zien dat ‘het hoekje van den haard’ ‘le coin de mon feu’, en niet de schouwburg, waar zij met ‘Jan en alleman’ samen zitten, de plaats is om de verfijnd letterkundige genoegens te smaken die de ‘goddelijke’ taal van Vondel hun schenkt. Dat ook ik die taal bewonder kan niemand in twijfel trekken, die mijn werk kent. Dat verhindert mij echter niet blind te zijn voor de zonderlinge tegenspraak, waarin de engel Rafael met zich zelf geraakt, als hij eerst zegt:

 
Hadden wij 't in ons behoed genomen
 
't En waer met Amsterdam zoo verre nooit gekomen.

en eenige regels verder:

 
Dus geef u haestig scheep: 't is tijd, want zonder God
 
En onze hulp, 't was omgekomen met dit slot.
[p. 280]

Het tweede vloeit logisch voort uit Vondel's christelijke levensbeschouwing. Het eerste daarentegen is naïef-onhandige imitatie van Virgilius (Aeneis II, 698, aldus bij Voss vertaald):

 
und wenn nicht meine Beschirmung
 
Waltete, raffte die Flamme bereits und vertilgender Mordstahl.

Schitterend vinden kan ik ook niet:

 
En 's morgens dronken 't eerste zog

of

 
En zooveel zwaarden rood geverfd.

Zeer hard van klank zijn regels als:

 
Het kind, waarvoor een starre rijst.

Van de Edelingen Rey is de derde strophe met uitzondering van den eersten regel zeer prozaisch. Gelukkig heb ik in plaats van den bekenden tekst:

 
En myrrh' tot 's levens onderhoud
 
Van hem, die neergedaelt van boven
 
In 't arme Bethlem leit verschoven,
 
Hoewel hij alles heeft gebouwd.

in eene Amsterdamsche editie van 1821 deze lezing gevonden, die zich voor den zang veel beter leent:

 
De gaav' ontvouwt
 
's Kinds Godheid, priesterdom vol waerde
 
En zijne sterflijkheid op aarde,
 
Hier ligt hij die 't al heeft gebouwd.

Hier wordt men althans van het prozaische ‘hoewel’ verlost.

Ik zeg dit niet om Vondel te kritiseeren, maar slechts ten bewijze dat ook de ‘goddelijkheid’ van Vondel's taal een betrekkelijke is.

Ondanks dit alles kan ik mij echter in den geestestoestand verplaatsen van u, geachte heer Barbarossa, en van andere letterkundigen, die nu eenmaal, al is het dan ook in eene voor mij onbegrijpelijke mate, verliefd zijt op uwen goddelijken Vondel, die, zooals de heer Rössing het in Vondelstijl uitdrukt, ‘vermag te zingen als de engelen en de nachtegalen’.

Voor historisch-philologische argumenten zijt gij onvatbaar gebleken. Gij zijt daarvoor zoowel te ‘modern’ als te ‘artistiek’. Gij hebt

[p. 281]

alleen uw ‘gevoel’ en het historische verband der dingen laat u koud. Gij zijt ondanks uwe Nederlandsche deftigheid gevoelsanarchisten.

Ook het nog sterkere psychologische argument, zoo juist door den heer Verhagen uiteengezet, schijnt op u geen vat te hebben. Vergun mij dat gedeelte van Verhagen's artikel te citeeren. Hij schrijft:

‘Verzen als:

 
Nu stelt het puick van zoete kelen
 
Om daer gezangen op te spelen

of:

 
Wij edelingen blij van geest
 
Ter kerke gaan op 't hooge feest

die trouwens reeds de directe aanwijzing in zich hebben, dat zij gezongen dienen te worden, kunnen niet ‘gezegd’ worden, door den allerbesten declamator niet. Bij hen, die zulke verzen het mooist ‘zeggen’, kan men dan ook in de stem reeds een zoeken naar muziek waarnemen, en de hoogste lof, die men zulken ‘lyrischen’ zeggers geeft, is dat zij ‘muzikaal’ spreken. Maar in waarheid geven zij iets, dat onmuzikaal is en het muzikale oor hindert, zij houden op te spreken en zingen nog niet; de stem, het geluid als zoodanig, derft volume en timbre, daar het machteloos zweeft op de subtiele grens in het keelorgaan, waar het spreken ophoudt en het zingen begint.’ En eindelijk: ‘Een koor is eene collectiviteit die, als zoodanig optredend, niet is te rechtvaardigen dan alleen wanneer allen zingen. In koor spreken is reeds daarom onmogelijk, wijl de stemmen dan noch in toonhoogte, noch in rhythme (tempo, tijdverdeeling) een vaste basis vinden. Laat men een representant van het koor spreken, dan verlaagt men de beteekenis van alle anderen tot die van figuranten, levenlooze opvullingen der scène, wier aanwezigheid geen anderen zin heeft dan hoogstens een decoratieven, d.w.z. een ondramatischen, antidramatischen zin.’ Ten overvloede kan men hier nog aan toevoegen, dat de teksten der beide eerste Reyen collectieve gevoelens uitdrukken, die om de door den heer Verhagen genoemde reden slechts door den zang en niet door het gesproken woord vertolkt kunnen worden.

Voor al deze argumenten zijt gij echter, geachte heer Barbarossa, niet vatbaar en gij blijft, omdat het u persoonlijk aangenamer is de Reyen te hooren zeggen, op uw standpunt staan om het zingen der Reyen te veroordeelen als een ‘groot onrecht’, Vondel aangedaan. Ik eerbiedig uw standpunt als subjectief, in zooverre er over den smaak niet te twisten valt, maar wilde u en uwe medestanders ten slotte dit onder de oogen trachten te brengen. Wanneer een voorstelling met gezongen Reyen u hindert, woon ze niet bij. Bij het

[p. 282]

Nederlandsch Tooneel kunt gij Gijsbrecht immers hooren op de ‘traditioneele’ d.w.z. onmuzische en onmuzikale wijze, en de bijwoning dier voorstelling kan u onder het ‘zeggen’ der Reyen bovendien nog de verheffende gewaarwording schenken, dat gij bij eene ‘prijsuitdeeling’ tegenwoordig waart.

Bedenkt echter, dat een schouwburg niet enkel door letterkundigen, maar ook door ‘het volk’ in engeren en ruimeren zin bezocht wordt, door hen, die men daartoe moet rekenen, omdat zij niet op uw puriteinsch -letterkundig standpunt staan. Zij gaan niet, zooals de heer Netscher, naar den Schouwburg om ‘uitsluitend en alleen de taal, de taal van Vondel’, ‘het woord, het gesproken woord van Vondel’ te hooren, ook niet ‘om van het gekletter der wapenen der Kennemer- of Waterlanders te genieten!’, - maar om te genieten van een beeld van het leven ‘in lief en leed’, in ‘leed’ vooral in dezen tijd, nu de beelden, die Vondel in vaak zoo schoone plastiek in woorden èn in gestalten voor den hoorder en toeschouwer geprojecteerd heeft, zulk een smartelijk-aangrijpende realiteit zijn geworden.

Voor al deze menschen, die in de kunst beelden en gelijkenissen van het leven zoeken en niet alleen ‘woorden’, en voor wie de schouwburg op heeft gehouden een Rederijkerskamer te zijn, is het een genot de schoone verzen van Vondel door schoone stemmen, door ‘puick van zoete kelen’, begeleid door een keurkorps van voortreffelijke instrumentisten te hooren zingen op eene muziek, waarvan men, wat ook hare gebreken mogen zijn, niet kan zeggen dat zij den text niet respecteert.

Vooral voor de bezoekers der hoogere rangen, die op populaire concerten steeds de muziek van lang vervlogen tijdperken, zelden of nooit die van hun eigen tijd en in de Opera steeds vreemde talen of in kreupel Nederlandsch vertaalde libretto's te hooren krijgen, is het van onschatbare waarde, dat zij hun eigen schoone taal, door schoone stemmen gezongen hooren op muziek van hun eigen tijd. Misschien zult gij zeggen, dat zij Vondel's taal niet verstaan, dat men evengoed andere woorden op de muziek kon zingen, zooals de heer Netscher gezegd heeft. Het antwoord daarop is gemakkelijk te geven. Indien gij niet door uwe obstructie het herhalen van deze voorstellingen belemmert, zullen de uitvoerende zangers allengs de zeer moeilijke muziek dermate beheerschen, dat zij ze uit het hoofd kunnen zingen, en dat zij aan de expressie zoo geheel hun aandacht kunnen wijden dat geen polyphonie, polyrhythmiek of orchestratie de duidelijke waarneembaarheid van den text zal kunnen belemmeren; en wellicht zult gij dan na verloop van tijd moeten erkennen, dat de veelgesmade ‘muziek’ naast de overige factoren van de opvoeringen bij Royaards er toe bij heeft gedragen om den Gysbrecht èn zijne Reyzangen te populariseeren.

prepostterug  begin  verder