La musique n'est pas ce qu'un vain peuple pense! -
Waar ik strijd vóór Beethoven tegen degenen die met hem ‘speculeeren’, behoef ik zijne schim niet om vergiffenis te vragen, dat ik ten tweede male zijn geëerbiedigde naam aan dat smerige modewoord koppel, en kan u verklaren, geachte Redactie, dat het veeleer mijn bedoeling is mijn standpunt en dat van den heer Verhagen voor de belangstellenden in deze kwestie nog eens te verduidelijken, dan een debat met den heer Sibmacher Zijnen te voeren. Deze toch is met de koppigheid van een kind, nadat ik op zijne mij meermalen geblekene gewoonte gewezen had, daar te grazen waar geen gras groeit, wederom met de hem dierbare Beweging van '80 te rade gegaan, en heeft uit een twintig jaren geleden geschreven artikel van mij in den Nieuwen Gids een zinnetje opgediept, waarin ik mij in ongunstigen zin over de architectuur van het Concertgebouw uitlaat. Ik noem dit koppigheid, daar het zelfs bij den heer Sibmacher Zijnen nauwelijks aan domheid toe is te schrijven, hoewel het onvermogen van dezen heer om zelfs maar een eenvoudigen gedachtengang te volgen mij uit particuliere correspondenties met hem meer dan voldoende gebleken is. Wat overigens het bewuste citaat betreft, kost het mij niet de minste overwinning den heer Sibmacher Zijnen te verklaren, dat er nog andere oorzaken kunnen zijn dan de door hem genoemde (‘laisser aller’, voldaanheid met verkregen invloed, met de maatschappelijke positie), die mij de dwaasheid van het toenmaals geschrevene doen inzien en het is niet tegen den heer Sibmacher Zijnen, dat ik er prijs op stel te verklaren, dat mijn strijd tegen de Beethovenschwindel juist gericht is tegen het zelfde euvel als waaraan mijne door dezen sterielen minnaar van de Beweging van '80 geciteerde beschouwing mank gaat: een vaag, onpractisch, ontechnisch gescherm met begrippen en woorden, kortom aan ‘litteratuur’ in den slechten zin van het woord, zooals Verlaine eens gezegd heeft: ‘et tout le reste est littérature.’ ‘Litteratuur’ in dezen slechten zin zijn de artikels van de heeren Sibmacher Zijnen en Willem Hutschenruyter, en helaas ook dat van den heer Berlage over concertzalen. Ik heb dit in hoofdtrekken in mijn vorige artikel toegelicht. Het is hier niet de plaats er verder op in te gaan. Wanneer deze heeren het wenschen dan kan men het uit iedere periode hunner betrokken artikels bewijzen; daartoe wordt niet eens veel kennis of scherpzinnigheid vereischt. Eveneens ‘litteratuur’ in den allerslechtsten zin was het, wat ik in de Nieuwe Gids van 1891 schreef. Ik zou in de tegenoverge-
stelde fout van den heer Berlage vervallen indien ik beweerde dat het Concertgebouw als architectuur een kunstwerk ware, alleen omdat er in dat gebouw vaak zoo schoone muziek wordt gemaakt. Dat het gebouw als gebouw leelijk is, wie zal het betwijfelen? Maar als concertzaal bezit het vele deugden, al is het ook niet zonder gebreken; de grootste toonkunstenaars van het buitenland kunnen het getuigen. Daarbij moet men billijkerwijze het feit niet buiten beschouwing laten, dat het gebouwd is nog juist vóór den tijd dat de Nederlandsche architectuur met de decoratieve kunsten zulk een merkwaardigen opbloei tegemoet gingen. Maar niemand zal betwijfelen dat het gebouw als architectonisch kunstwerk schooner geworden zou zijn, indien dr Cuypers of de heer Berlage het gebouwd hadden. Men behoeft daarvan echter allerminst het bestuur van het Concertgebouw [een verwijt te maken], dat zich reeds door het stichten en instandhouden dezer thans in Europa beroemde kunstinrichting zulke groote verdiensten tegenover het Nederlandsche volk (en wat ik hier zeg is geen ‘litteratuur’) heeft verworven, - maar nog veel minder heeft het zin de architectonische minderwaardigheid van het Concertgebouw aan de muziek te wijten, zooals ik in mijn onverstand deed, uitgaande van een hersenschimmig begrip omtrent eene ‘gemeenschap der kunsten’, die in onzen tijd nergens bestaat en niet bestaan kan. De heer Sibmacher Zijnen is zoo vriendelijk, mij als schrijver van dat artikel het praedicaat ‘jeugdig’ bij te leggen. Ik aanvaard dit gaarne in zooverre hij in dit verband dit liefelijke woord als synoniem met ‘onwetend’ bedoelde. Bovendien heeft er nooit eene ‘Nederlandsche muziek’ bestaan en zeker bestond die nog niet in het jaar 1891, toen naar ik meen zelfs de Symphonie Aan mijn Vaderland van Bernard Zweers, het eerste door een Nederlander gecomponeerde werkelijke muziekwerk sinds de dagen van J. Pz. Sweelinck, nog niet geheel voltooid was. Misschien weet de heer Sibmacher Zijnen dit ook wel, maar het is weer de liefde voor de Beweging van '80, die dezen letterkundige tot dit averechtsche citaat doet grijpen, of de zucht om mij te plagen. Mij echter kan het niet anders dan aangenaam zijn eenen nonsens, dien ik toenmaals geschreven heb, in het publiek te désavoueeren.
Op de tweede plaats wil ik den heer Sibmacher Zijnen, of degenen, die in dit debat belang stellen, de ‘felheid’ verklaren, waarmede ik volgens genoemden heer zou zijn opgetreden ‘tegen een Vereeniging die zuivering en grooter harmonie in het concertleven, ook door kritiek op het bestaande, zoekt te bereiken’. - De heer Sibmacher Zijnen zal met eenig nadenken zonder moeite kunnen inzien dat de door hem genoemde oorzaken, die ik zooeven aanhaalde, niet de juiste zijn. Amsterdam toch is nog altijd klein genoeg dat ook de heer Sibmacher Zijnen wel kan weten, dat mijn ‘invloed’ en ‘maatschappelijke positie’ ook tot de hierboven omschrevene categorie
van ‘litteratuur’ behooren. Het antwoord op deze vraag had de heer Sibmacher Zijnen reeds in mijn vorige artikel kunnen vinden. Noch hijzelf, noch de heer Hutschenruyter, noch de heer Berlage bezitten (hoewel om verschillende redenen) naar mijne meening de eigenschappen, die hen geschikt maken en de bevoegdheid geven om de ‘zuivering en grootere harmonie in het concertleven’ tot stand te brengen. De in mijn vorig artikel besprokene meeningen dezer beide heeren gaven zelfs bij een zeer vluchtige behandeling zooveel aanleiding tot bedenkingen, dat ik niet de overtuiging heb kunnen ontvangen dat deze heeren of de Vereeniging, waarvan zij de hoofdpersonen [zijn], tot zulk een zware en omvangrijke [taak] bij machte zouden zijn. Aangenomen dat het in een land als Nederland met particulier initiatief mogelijk zou zijn, waar de toonkunst als veracht en frivool vak iederen steun der regeering mist. Het was de taak van den heer Sibmacher Zijnen geweest, als hij aan dit debat deel wilde nemen, te trachten mij daarvan te overtuigen. Met terzijdelating van geheel mijn betoog citeert hij echter op zijn gebruikelijke wijze de Beweging van '80! Zoover gaat bij hem deze manie, dat indien ik gezegd heb, dat ik niet als principieel tegenstander van het Beethovenhuis wil beschouwd worden, de heer Sibmacher Zijnen ook dat nog met de Beweging van '80 in verband tracht te brengen door het vast te knoopen aan het hierboven besproken citaat van 1891, waardoor de zaak dreigt haar ernst te verliezen en in een carnavalsmystificatie te ontaarden! Misschien had ik moeten zeggen ‘een’ Beethovenhuis, en niet ‘het’ Beethovenhuis! Dit zou dan een gebouw moeten zijn van een tot de muziek bekeerden Berlage, waarin het goed klonk en dat in uiterlijke verschijning niet met den geest van den Meester in strijd was, zonder uitzicht op duinen, die ook geen verband hebben met Beethoven's muziek, zonder dooreenhaspeling van kunst- en natuurgenot, van kunst en ethiek, van kunst en godsdienst, kortom een instelling uit ware liefde voor de toonkunst en Beethoven geboren en niet uit het verlangen om het bestaande, waaraan men zoo oneindig veel verplicht is, afbreuk te doen. Bij het bouwen van dit ‘huis’ zou men ook den Fidelio niet vergeten, men zou zich nog wel eens twee keer bedenken, voordat men juist Willem Kes de Mis liet dirigeeren en men zou geheel ondergeschikte talenten als Hausegger, zoolang wij nog meesters in het dirigeeren (en juist in Beethoven-dirigeeren) als Mengelberg hebben, daar weren. En wanneer men dan onder begaafde en bevoegde leiders aldaar het geheele oeuvre van den ‘compositeur’ Louis van Beethoven kon leeren kennen en dat van zijne voorgangers en voortzetters, met oordeelkundig gebruik van de practische en juiste beschouwingen zoowel van Wagner als
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .