terug  begin  verderprepost
[p. 371]

1881 [Over het ontstaan van de antieke komedie]

Ieder individu schept zijne denkbeelden en idealen naar den maatstaf van zijn eigen karakter en beschaving. De Grieken vonden het zinnebeeld der menschheid in den vorschenden Prometheus, een pessimist van onze dagen in den levensmoeden, doch nooit rustenden Ahasverus. De mythe van Prometheus is eene heerlijke openbaring, de onbewuste scheppingskracht van het zoo rijk begaafde Grieksche volk. Prometheus was de eerste der rampzalige stervelingen, die zich van zijn geest, dit heerlijke en gevaarlijke wapen tegen de geweldige overmacht der goden, bewust werd en er gebruik van maakte. Hij dacht na en het vergankelijke wezen trad in het strijdperk met het onsterfelijke. De mensch begon de verwantschap te bespeuren tusschen zijne natuur en de goddelijke, hij was tot bewustzijn van zijne intellectueele kracht gekomen en wilde de alwetendheid der goden beproeven. Toen Zeus aan het menschdom tot straf zijner vermetelheid het vuur had ontnomen, werd het door Prometheus gestolen en uit den hemel op de aarde teruggebracht. Hoe zinrijk, hoe diepzinnig is deze mythe! Wel werd de menschheid, die niet meer dacht als een kind, omdat ze rijp was geworden, met ketenen aan den Kaukasus, aan de aarde vastgeklonken, doch zij had zich het vuur veroverd. Het vuur was de draad die den vorschenden geest der menschen leidde en die hen allengs tot bewustzijn bracht van de krachten die er in hen sluimerden, zoodat zij zich tegen de lagen der woeste natuurkrachten konden verdedigen, die des te meer gevreesd werden, hoe minder men den sluier, die het raadselachtig geheim der natuur bedekte, wegrukken kon. Aldus schiep vrees, zooals de dichter Statius zegt, den menschen het eerst hunne goden. Naarmate de mensch zich meer boven het sterfelijke verhief, begon het goddelijke tot het menschelijke af te dalen. De handwerken ontstonden, er vormde zich eene maatschappij en uit de vroeger ongekende, woeste natuurkrachten werden nieuwe wezens geboren, geheel naar het beeld van den mensch, die slechts de onsterfelijkheid bij deze metamorphose bewaard hadden.

Aldus schiep Homerus zijne goden.

Het levendige en vindingrijke volk echter ging al verder en verder op deze trap van ontwikkeling door en na vier eeuwen weerklonken de Hymnen van Pindarus, schiep de harmonische geest een Parthenon, met het beeld der wijze en krachtige schutsgodin, en ontwikkelde zich uit den dienst van den vredelievenden en landbouwbeschermenden god dat kunstgenre, dat tot voorbeeld voor alle tijden en alle volken gediend heeft: het drama.

Het is minder om deze reden, dat ik zoo kort mogelijk aan de hand der sage het ontstaan van het Grieksche drama heb aangestipt, maar wel omdat zijne geschiedenis in grove trekken geschetst ons geleidelijker tot ons doel zal voeren.

Het leven wat het Grieksche volk gedurende den hoogsten bloei van kunst en staat ontwikkelde, is het echt antieke leven in tegenstelling van het moderne. De opkomende democratie gaf vrije speelruimte aan de jeugdige krachten des volks. Een ieder begon zijn recht als staatsburger te doen gelden, de geheele Grieksche wereld was tot nationaal bewustzijn gekomen door de overwinning van de onmetelijke maar onvrije macht der Perzen, de Olympische spelen waren de band van alle stammen in 't geheel, de dramatische voorstellingen die van de bewoners van Attica in 't bijzonder. Ook wij hebben na dagen van harden strijd die ons klein volk tegen de groote macht der Spanjaarden als 't ware tot den eenen pijlbundel vereenigde, ons de dierbare vrijheid gekocht en de gelukkige tijden, den heerlijken opbloei van kunsten, volksleven en welvaart genoten, als de welverdiende prijs der overwinning; ook bij ons heeft het nationale bewustzijn de zege behaald op de politieke slavernij waaronder eene groote en machtige natie gebukt ging. Wij zien dan altijd dat bij ieder volk het nationale bewustzijn gepaard met materieelen bloei tot basis verstrekt van kunst en wetenschap.

In de verhevene tragedie van Aischulos zag het volk den voortijd, in de komedie

[p. 372]

zag het zijn eigen tijd. De democratie echter had zich te snel ontwikkeld. Zij droeg niet veel levensvatbaarheid in zich; evenals een bloem, die zich te snel ontwikkeld heeft bloeide zij wel schoon maar te kort. Nadat de machtige godengestalten van Aischulos op hoogen Kothurn hunne rol vervuld hadden, traden de meer humane figuren van den jongeren Sophocles op het tooneel. Toen was de tragedie op haar hoogsten bloei en tegelijk bevatte zij deze kiemen van verval. De ware, levenwekkende democratie was tot ochlocratie ontaard, en aan den ingang van een nieuw tijdperk staan de sophisten met hun dichterlijke vertegenwoordiger Euripides. Onder de echte patriotten, de vereerders der Marathonstrijders, was er een, die - zonder te bespeuren dat ook hij niet voor den invloed van de nieuwe richting gevrijwaard was - van zich zelf kon zeggen, gelijk de dichter H. Heine, dat er van hen niets anders was overgebleven als ‘das schöne, gelle Lachen’. Deze was Aristophanes, het grootste komische genie der Oudheid. Op middelbaren leeftijd wordt hij gematigder totdat hij in zijn ouderdom de gedachte van vroeger weder opneemt. Dit geschiedt in zijnen Plutos, die echter geen politiek maar sociale toestanden op het tooneel brengt, namelijk de verhouding tusschen rijkdom en armoede. De listige slaaf Karion speelt hier een hoofdrol naast zijn meester Chremylos, een eenvoudig man die plotseling rijk wordt. Indien het niet bekend zou zijn dat het stuk in 333 opgevoerd was, kon men uit deze beide rollen reeds opmaken, dat het stellig tot de allerlaatste stukken van Aristophanes moet gehoord hebben, want het vormt den overgang tot de nieuwe komedies. In de 3e eeuw hadden niet alleen de politieke personen en zaken op het tooneel geen belangstelling meer, het was ook, zooals reeds Plato het in zijnen ideaalstaat wenschte, wettelijk verboden iemand te persifleeren. Zoo verloor de oude komedie de afspiegeling van haar tijd, het antieke karakter, en kreeg hierdoor gelijkenis met dat kunstgenre, wat wij nog heden blijspel noemen. Zij kon zich niet meer van de werkelijke personen bedienen en moest dus een algemeen karakter aannemen. Aldus ontstonden er vaste typen. Hoe nu een dezer typen een geliefkoosd onderwerp is geworden en tot stof heeft gediend voor drie klassieke blijspelen bij geheel verschillende volken en tijden, hoop ik in de volgende bladzijden kortelijks te bespreken.

Welk een goede aanwinst de type van den vrek voor de nieuwe komedie was blijkt daaruit, dat zij - ofschoon ontleend aan een tijd, waarin de Grieksche litteratuur sterk gedaald en de geheele poëtische kracht door zedenbedervende Macedonische overheersching te loor was gegaan, - toch tot basis heeft gestrekt van de Aulularia, den Warenar en l'Avare, die alle drie in den bloeitijd vallen van de litteratuur, waartoe zij behooren.

Zooals bekend is kennen wij de producten der nieuwere komedie slechts uit de bewerkingen van Plautus en Terentius, behalve de zeer weinige fragmenten. De nieuwere Attische komedie van Philemon, Diphilos en Menander vertoont ons in hare Latijnsche bewerkingen eene maatschappij, waaruit alle edele drijfveeren van weleer verdwenen waren, om plaats te maken voor een alles doortintelend egoïsme. Dit blijkt ten duidelijkste uit het leven van Demosthenes, die nog vóór de genoemde dichters leefde. Met de zucht naar genot ging natuurlijk ook die naar rijkdom gepaard en tegelijk hiermede trad naast den reeds vroeger verschenen sycophant de parasiet en de hetaire op het tooneel.

Geldschrapers, bordeelhouders, tafelschuimers, hetairen, verliefden onder jong en oud, intrigeerende slaven en snoevende soldaten: dat zijn de vaste typen van de komedie der 2e en 3e eeuw. Zooals in de vorige eeuw en omstreeks het begin van den Romeinschen keizertijd de verfijnde hoogere standen eene eigenaardige bekoorlijkheid vonden in natuurtoestanden - omdat de uitersten elkander altijd aantrekken en de natuurmenschen van Theocritus bij de eersten door Gessner en Rousseau, bij de laatsten door Virgilius getravesteerd werden - zoo miste men in den Macedonischen tijd ook niet gaarne, bij de onzedelijke toestanden der komedie, wijze lessen over deugd en moraliteit. Menander was zeker degene die de moraal het meest in zijne werken opdischte, zooals men uit Terentius zien kan. Omstreeks den worstelstrijd met Hannibal werden deze blijspelen, in het Latijn overgebracht, tot volksvermaak ten tooneele gevoerd. Of dit mogelijk of nuttig was, deed er niet toe: er moesten voorstellingen zijn. Sinds 364 waren zij te Rome ingevoerd.

[p. 373]

De stand der histriones was veracht en het was verboden eenigszins persoonlijk te worden. Hoe streng dit verbod gehandhaafd werd, heeft de talentvolle Naevius ondervonden. De handeling mocht niet naar Rome verplaatst worden, alles moest Grieksch blijven. Op eene wonderlijke manier werden Grieksche toestanden met Romeinsche verhaspeld. Deze verachting voor tooneel en kunst in het algemeen en de slaafsche dwang, die de schrijvers van wege der regeering ondervonden, is kenschetsend voor het Romeinsche karakter. Het is te betreuren dat het eenige Romeinsche kunstgenre, dat vatbaar was voor zelfstandige ontwikkeling, reeds in zijn opkomst is gestuit geworden. De Italiaan heeft in 't bijzonder onder alle Zuidelijke volken een aangeboren talent en neiging tot het plat-komische, zooals de Spanjaard tot het ridderlijke en romantische. Uit de Satura, waarin de Romeinen alleen origineel zijn, had zich de volkskomedie kunnen ontwikkelen, die met haar platte maar bijtende scherts veel meer in het Romeinsche karakter ligt dan de tragedie of lyriek. De Italianen hebben altijd eene hooge mate van gehardheid tegen platheden bezeten en in de tijden van verval vertoont zich bij hen het walgelijke in de litteratuur misschien sterker dan bij andere volken. Dit is slechts eene gissing waarvoor ik volstrekt niet durf instaan, maar het is een feit dat de gezonken litteratuur van den keizertijd eenen Petronius, Juvenalis en Martialis en de bedorven 16e eeuw eenen Pietro Aretino hebben opgeleverd. Terwijl dus de regeering geen vrije ontwikkeling toeliet, was het publiek grootendeels nog in een toestand, dat het niet het minste begrip van de Attische humaniteit had, die niettegenstaande alle oppervlakkigheid en materialisme de nieuwe Grieksche blijspelen eigen was. De groote rol die de listige slaaf er in speelt druischte lijnrecht tegen het Romeinsche begrip van slaaf in. De elegante dialoog moest met platheden voor het publiek smakelijk gemaakt worden, indien de schrijver niet de kans wilde beloopen dat zijne toeschouwers met woest geschreeuw op het gerucht van gladiatoren-spelen het theater uitstormden, zooals eenige malen gebeurd is.

 

prepostterug  begin  verder