Het was in Juli van het jaar 362. Er heerschte eene buitengewone levendigheid in Antiochië, de ‘koningin van het Oosten’. Het was echter niet het gewoel en geraas wat den vreemdeling te Alexandrië in de Bruchion of Kanopus opvalt, of wat hij op het forum te Rome of Korinthe dagelijksch waar kan nemen. Machtig door handel en als zetel van wetenschap en kunst was Antiochië de derde wereldstad des Romeinschen rijks. Het heerlijke klimaat en de bloeiende welvaart bleven er ook niet zonder invloed op de bevolking. De Oostersche weelde zwaaide hier met macht haren scepter en de inwoners bezaten naast eene zekere wuftheid en verwijfdheid die eigenaardigheid, die ook de Atheners kenmerkte en die men ‘Attisch zout’ placht te noemen. Het lot van Alexandrië was ook aan Antiochië ten deel gevallen: eens waren zij beide gesticht door dynasten van Helleenschen oorsprong, Antiochië door Seleucus Nikanor (ter eere van zijn vader Antiochus, wien hij nog 15 andere steden bouwde) in een heerlijke en buitengewoon vruchtbare vlakte aan de wateren van den Orontes. De nalatenschap van hunne stichters was een vurig verlangen naar al het schoone in kunst en wetenschap, dat het kleine moederland had opgeleverd. Aldus werden zij nevens Athene de schuilplaats der Muzen in den Grieksch-Romeinschen tijd, en later het brandpunt waar Westersche cultuur en Oostersche handelsgeest zich tot een schoonen bond vereenigden. Ook nu werd Antiochië nog wel met den bijnaam Epidaphnis genoemd naar den beroemden Apollotempel, eene mijl van de stad gelegen; maar ook reeds voor ruim 150 jaar werden de verachte volgelingen van den ‘Galilaeër’ hier het eerst ‘Christenen’ genoemd.
Heden was het in Antiochië niet het bonte leven der handelstad. Vol waren de straten, voor de huizen brandden hier en daar op cierlijke drievoeten geurige reukoffers en waren de deuren met festoenen omwonden. Het grootste gedeelte der voetgangers bewoog zich in de zelfde richting voort. Hier zag men een philosoof in zijn langen mantel gehuld stilzwijgend en langzaam voortslenteren, ginds een rhetor of sophist in pronkend gewaad gedost met zelfbewustzijn naderen. Hier een bejaard senator gedragen in een lectula en omstuwd van kliënten, die de baan voor hem ruimden, elders een deftig koopman of een schaar onbezorgde jongelingen, die hun leven in wijn en vreugde genoten. Hier een op krukken strompelende grijsaard, ginds een voortijlende slaaf. Menschen van allerlei landaard en kleeding, Syriërs, Romeinen, Grieken, Perzen, Joden, Aegyptenaren, Klein-Aziaten en Africanen mengden zich in bonte dwarreling dooreen. Op aller gelaat kenteekende zich gespannen verwachting. Tusschen de genoegelijke scharen kon men er hier en daar een opmerken, wien een sombere of medelijdende glimlach om de lippen zweefde.
Langzamerhand was de geheele bevolking bij de poort der stad verzameld en eindelijk werd de langgespannen verwachting bevredigd. Uit de verte stegen stofwolken op, men hoorde het dof geraas van een leger in aantocht; het gemompel onder de Antiochiërs barstte eindelijk uit in luide kreten en uit duizend monden galmde het: ‘Salve domine Auguste, Χαίϱε αῦτόϰϱατος’ - ‘Nu’, riep men, ‘is er een gelukkig gesternte over het Oosten opgegaan.’
Voor de poorten hield de trein stil. Daar treedt een man uit de Antiochiërs naar voren. Ernstig en plechtig nadert hij een kleine groep van personen, die het leger op eenigen afstand hadden gelaten. In het midden van hen bevindt zich een persoon die aller oogen tot zich trekt. Ook de Antiochiër richt zijne blikken tot hem; daarop verheft hij zijne stem en terwijl er rondom een doodsch stilzwijgen heerscht, spreekt hij met waardigheid en kracht een welsprekende redevoering uit. Oppervlakkig zou een vreemdeling, die den aard dezer plechtigheid niet kende,
zich verbaasd hebben dat die kleine man, die er oogenschijnlijk als een gewoon sophist uitzag, aldus de belangstelling eener geheele stad kon gaande maken. Toch, die hem nauwkeurig gade slaat moet alras bespeuren, dat dit geen gewoon mensch is, en zou hem minstens voor eenen Herostratus gehouden hebben. Ziet, welk een gloed in de donkere oogen, en welk een wereldtrotseerende ironie zweeft er niet om de opgetrokken lippen en de gebogen neus; een ruige baard omzoomt zijn scherp geteekend gelaat, dat sporen verraadt van zwaren arbeid en zielesmart! Het is alsof hij met een angstig voorgevoel die gapende volksmenigte en de trotsche stad ontwaart, terwijl de redenaar zijnen beroemden λόγος πϱοσφωνητιϰός tot hem richt, die tot nu nog is bewaard gebleven. Dan eens werpt hij een vragende blik op den spreker, dan eens ontwaart hij de gapende volksmenigte, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat voortdurend gespannen aandacht openbaart. De redenaar was de beroemde sophist Libanius uit Antiochië, de toegesprokene Flavius Claudius Julianus Augustus. Nauwelijks had de redenaar uitgesproken, en had hij den keizer met een krachtige handdruk begroet of de luide gelukwenschen en zegekreten des volks herhaalden zich wederom.
Aldus trok de keizer de stad binnen op een schoonen dag, terwijl de zon al den gloed verspreidde die zij aan het Oosten zoo kwistig weet uit te deelen; begroet door de hartelijke woorden van zijn ouden vriend Libanius en terwijl het volk opgetogen en verrukt over zijne komst was. Wij zullen zien of zijne stemming en die der burgers niet veranderd zal zijn, als de tijd daar is om de stad te verlaten.
Veel is er in de geschiedenis van den Romeinschen keizertijd wat den lezer niet slechts bedroeft, maar hem doet wanhopen aan de waarde en den adel der menschelijke natuur. Weinig is er wat het gemoed verheft en met liefde vervult voor ware en edele vorsten. Met dezen keizer is het anders. Het is moeilijk om hem te haten, misschien ook moeilijk om hem te vereeren en te beminnen. Het is een gemengd gevoel wat zich van dengene meester maakt, die de geschiedenis van Julianus' korte leven beschouwt. Soms wordt men door tegenzin vervuld, die een ander maal weder wijkt voor een onwillekeurige genegenheid gepaard met weemoedige aandoening. Een ander maal verwekken de dwaasheden van dezen zonderlingen man slechts spot of een glimlach van medelijden. Julianus kon wreed zijn en genadig. Hij kon filosoof zijn en zich aan het belachelijkste en meest onbeschaafde bijgeloof overgeven. Hij bewonderde het ideaal van oud-Hellas, het ideaal van een schoon, vrij en gelukkig menschdom, hij kon dweepen met Homerus en Plato, zijn leven was in vele opzichten ascetisch en meer dat van een verharden Stoicus of een dweepzieken monnik die de wereld slechts van uit zijn cel beschouwde. De leerling van het Neo-Platonisme, die zich in spitsvondigheden vermeide en met geestelijke wapenen het Christendom en zijne vijanden bestreed, was dezelfde die trotsch in den brief aan de Atheners van zich getuigt, dat hij als 20-jarig jongeling drie malen den Rijn overtrok, 20.000 Romeinsche gevangenen van alle steden van Gallië aan de macht der barbaren ontrukte, die in de eerste gelederen streed en zelfs bij de Parthen in het Oosten de schrik voor de Romeinsche wapenen deed herleven. Is het te verwonderen dat zulk een man een diepen indruk op de tijdgenooten gemaakt heeft, dat hij den eene tot haat en spot, den ander tot liefde en vereering was? Het is een tragische figuur, die aan het einde der Oudheid staat. Gunstig steekt hij af bij een Constantius, ja zelfs bij Constantinus en zoovele andere schijnkeizers en onmenschelijke despoten, die hem voorgingen of opvolgden.
Bewonderenswaardig is het hoe een man in den eersten bloei zijner jaren, geboren te midden van de weelde en de niets ontziende politiek van het Byzantynsche hof, met zulk een geestdrift en innig zelfvertrouwen zijne idealen bleef nastreven die voor den tijd niet meer bestonden. De hooge bewondering voor de energie en het edele karakter van Julianus maken het mogelijk dat men een zachter oordeel kan vellen over zijne groote gebreken. Hij is het slachtoffer eener fataliteit, die hem ten onder moest brengen, namelijk dat het hem bewust zou worden, nog vóór zijn dood, dat zijn pogingen vergeefsch geweest waren. Deze fataliteit is gelegen in den eigenaardigen gang zijner opvoeding en in het ‘malheur d'être né prince’, zooals Rousseau zich
uitdrukte in een brief aan een vorst. Hij is echter niet een held uit de tragedie van Aeschylos of Sophokles. Het tragische in zijne verschijning is van geheel anderen aard. Het is te zeer getemperd door den treurigen indruk die hij op de toeschouwers te weeg brengt. Evenals Hamlet is hij philosoof; wat voor den Deenschen prins Wittenberg, was voor Julianus Athene. Evenals Hamlet zweeft hij tusschen denken en handelen, tusschen overtuiging en Onvermijdelijkheid. Evenals Hamlet wekt hij soms medelijdend lachen bij de toeschouwers, evenals Hamlet is hij teder, driftig en hartstochtelijk, gevoelt hij zich nu eens boven het alledaagsche menschdom verheven en is hij een andermaal het voorwerp van zijn eigen spot.
Ik heb getracht een beeld te scheppen van Julianus Apostata. Gij hebt gezien hoe hij philosoof werd en hoe tevens bijgeloof en fanatisme zich in hem ontwikkelden, hoe hij als een mild vorst in Gallië optrad en hoe hij onverbiddelijk, ja soms wreed kon zijn. Ik heb getracht om aan te toonen hoe dit edele karakter en deze rijkbegaafde geest brandde van ijver voor kennis en wetenschap en hoe kleingeestig en onwaardig hij zich soms gedragen kon. Een karaktertrek ontbreekt er nog aan. Het is zijn cynisme. Ten bewijze hiervan wil ik eenige regels uit den Misopagen aanhalen, waarin hij zich zelf afschildert:
‘Op mijn gelaat, wat van natuur niet schoon en bloeiend is, heb ik dezen langen baard laten groeien, dien ik alleen hiervan beschuldig, dat hij insgelijks niet schoon is. Maar dit verdraag ik, terwijl de luizen er evenals in een schuilhoek in rond loopen. Gretig te eten of volop te drinken veroorloof ik mij niet, want ik moet opletten, geloof ik, dat ik niet de haren met de spijzen mee opeet in vergissing. Wat het gekust worden en het kussen betreft, daar stoor ik mij het minste aan, want de baard is ook hierin lastig. Laat niemand meenen dat ik om uwe spotternijen vertoornd ben, want ik geef er immers zelf aanleiding toe, daar ik een kin heb als een bok, terwijl hij toch zacht kan zijn evenals bij schoone knapen en de vrouwen die van natuur iets lieflijks hebben. De lange baard is mij echter niet genoeg, want ook mijn hoofd ziet er verwilderd uit en zelden scheer ik mij of knip mijne nagels. En als gij iets van mijne geheimen wilt weten, mijn borst is ruig als die van een leeuw en ik heb ze nooit glad gemaakt uit ontevredenheid of kleingeestigheid.’
Welk eene verbittering spreekt uit deze woorden! Hoe is het mogelijk dat een keizer zich zoo tegenover zijne onderdanen uitlaat! De bittere toon, die in het geheele geschrift heerscht, is zonder twijfel voortgekomen uit het besef van de nietigheid zijner pogingen om de burgers van Anti-ochië tot Pythagoraeërs te maken. Of Julianus het ijdele zijner pogingen om het Hellenisme te herstellen nog heeft ingezien, of het waar is, dat hij gezegd heeft: νενίϰηϰας ταπιλαις, of niet, - het tragische in de figuur van den philosophischen keizer blijft bestaan, en het is een treurige gedachte dat een man van die eigenschappen, van dat karakter, in de kracht van zijn leven door zijn eigen schuld moest ondergaan. Al kan men hem niet gelukkig prijzen, al kan men hem niet onder de heroën der menschen rekenen, uit zijne geschiedenis kan men gissen wat hij had kunnen zijn, indien het lot hem niet in dien stand en in die tijden had laten geboren worden. De geschiedenis heeft nu over hem het oordeel uitgesproken wat hem toekwam, zij heeft hem betreurd en veroordeeld om zijne dwalingen, zij heeft hem bewonderd als een man van een rein gemoed, een edel karakter, die eene valsche overtuiging had, maar voor die overtuiging als een held geleefd heeft, als een held gestorven is.