3 Jeroen Jansen,
Magdalena Stockmans en Gerbrand Bredero14

Gerbrand Bredero oogstte in zijn korte leven relatief veel succes met opvoeringen van eigen toneelstukken. Alle waardering voor zijn literaire oeuvre vormde echter geen garantie voor een gelukkig privé-leven. Voor zover wij weten waren zijn amoureuze betrekkingen bijvoorbeeld van korte duur, als ze al van de grond kwamen. Zo blijkt uit de correspondentie van deze eenvoudige Amsterdammer dat hij er ondanks zijn grote en indringende welsprekendheid niet in slaagde een anonieme jonge weduwe van zijn zuivere bedoelingen te overtuigen. Ook latere verliefdheden lijken vruchteloos te blijven. Daarbij moet wel worden aangetekend dat wij de liefdes van Bredero deels reconstrueren op basis van zijn oeuvre, zoals het Groot Liedboeck. Hoe gevaarlijk dit kan zijn, bleek al toen de Margriete die Bredero in een aantal gedichten opvoert en die men altijd voor een serieuze liefdeskandidaat van de schrijver hield, direct ontleend was aan een aantal Franse vertellingen en gedichten waar ze ‘Marguerite’ heet.15 Zijn ontboezemingen zullen dus niet steeds (rechtstreeks) naar een echt meisje hebben verwezen. We mogen aannemen dat dit niet geldt voor Magdalena Stockmans, de laatste échte, grote liefde van Bredero. Voor haar schreef hij een van zijn meest bekende liefdesliederen: ‘Ooghen vol Majesteyt / Vol grootsche Heerlijckheden’.16 In het zesde couplet ervan refereert hij zonder schroom aan haar flirten:

 
Maar lieve oogjens bly
 
En heught u niet het wencken?
 
En t'gluuren van ter sy?
 
En t'loncken teghens my?
 
Soo vriendelijc als vry?
 
Nochtans op vryery
 
Heb ick noyt willen dencken.17

Een weinig subtiele verwijzing naar een moment waarop Magdalena de verliefdheid van de dichter beantwoordde? Het liep anders. Wij weten dat Bredero dit lied waarschijnlijk in juli 1618 naar Rome zond, waar Magdalena kort na haar huwelijk met de 41-jarige koopman Isaac Willemsz van der Voort (1576-1629) verbleef. Er was voor de dichter dus alle reden om het gedicht een serieuze, of zelf melancholische ondertoon mee te geven, in contrast met zijn anders vaak zo opgewekte en speelse verzen. Hij was zich er kennelijk van bewust dat hij het in financieel en maatschappelijk opzicht moest afleggen tegen Van der Voort.

De brief van Bredero

Een half jaar eerder was de situatie anders. Een niets verhullende getuigenis van de liefde die Bredero voor Magdalena voelde, is te vinden in de brief die hij rond de jaarwisseling van 1617-1618 aan haar schreef. Zij was toen nog niet gehuwd en hij had nog hoop. De brief, die voor het eerst gepubliceerd werd in zijn Nederduytsche Poëmata (1632), bevat een aandoenlijke aanhef: ‘De bedroefde Gerbrande groet met verslaghener herte, de bly-geestighe ende wel verstandighe lief M.S. [Magdalena Stockmans] ende wenst haer in den Heer gheluck ende saligheyt, aen siel ende lijf, mitsgaders een goet ende wenselijck nieuwe Jaer’. Bredero verontschuldigt zich bij Magdalena dat hij een paar dagen niets meer van zich heeft laten horen. Hij was op een gastmaal genodigd en vervolgens naar een begrafenis.18 Omdat hij met de slee door het ijs was gezakt en een flinke verkoudheid had opgelopen, is hij helaas aan bed gekluisterd. Zijn jaloezie dat Magdalena haar liefde niet aan hem maar aan een ‘bruine Brabander’ (Isaac van der Voort) dreigt te geven, kwelt hem naar eigen zeggen verschrikkelijk. Wanhopig doet hij een beroep op haar medelijden en vraagt om troost ‘met een kleyn letterken van u ghenegene Jonste’.19

Hoe was het zover gekomen? De negentienjarige, uit Dordrecht afkomstige Magdalena Stockmans (1598-1660) logeerde in de herfst van 1617 en de daarop volgende winter in Amsterdam om het huwelijk van haar zus Elisabeth met de lakenkoper Jan Teller bij te wonen. Tijdens dit verblijf moet zij met Bredero in contact zijn gekomen. Magdalena was de dochter van een uit Antwerpen afkomstige brouwer. Toen ze ongeveer vier jaar was, stierf haar vader en enige jaren later (in 1609) haar moeder. Bredero raakte overduidelijk verliefd op haar, maar zij koos dus voor de rijke lakenhandelaar Isaac van der Voort. Deze was net als haar vader uit Antwerpen afkomstig, maar woonde in Napels. Misschien was Isaac in 1617 voor zaken in Amsterdam en heeft hij Magdalena toen ontmoet.20 Op 18 juni 1618 trouwde het paar in Oud-Alblas (bij Dordrecht). Een aantal weken na de bruiloft is Magdalena haar man naar Napels gevolgd, met een kennelijke tussenstop in Rome. Bredero zond zijn gedicht ‘Ooghen vol Majesteyt’ waarschijnlijk in juli 1618 naar Rome. Het gedicht draagt hij aan haar op: ‘A Madamoiselle Madame Madalena Stocmans, Roomen’.21

Een nieuwe brief

De hele geschiedenis krijgt extra reliëf wanneer we een brief uit het familie-archief Backer nader beschouwen die tot dusverre over het hoofd is gezien. Dit is misschien inderdaad het ‘kleyne letterken’ waarop Bredero hoopte. Het gaat om een klein velletje papier van ongeveer 26 bij 18 cm, eenzijdig beschreven, niet gevouwen maar wel enigszins gerafeld, te vinden in het Stadsarchief Amsterdam: toegangsnr 172 (Archief familie Backer en aanverwante families), inv. nr. F99 T1e. De tekst bevat weinig doorhalingen, is sierlijk ondertekend met ‘Magdalena’, en lijkt daarmee een autograaf. Datering en adressering ontbreken, maar de inhoud wijst evident in de richting van Bredero, in reactie op de brief die deze rond de jaarwisseling van 1617-1618 aan haar schreef. Het is niet duidelijk of Bredero de brief van Magdalena heeft ontvangen. Wellicht ook heeft Magdalena de brief niet verzonden. Maar enkele bewoordingen in het eerder genoemde ‘Ooghen vol Majesteyt’ zouden wellicht als een reactie op haar brief kunnen worden geïnterpreteerd (zie hieronder). De brief luidt als volgt.

 

1Myn heer,

2Op saterdach voirleden van onse reise thuijs gecomen sijnde in Dort hebben in 3 mynnen cofferken wederom gevonden uwen schriven ende groet van den laesten 4 December, die myn seir aengenaem is doch myne siele mede gants droef doet 5 wesen. Sulde ghedoghen dat ick eirstmael met een weynigh vraghens 6 aanroere den staete uwes ghemoeds omme te moghen verstaen de wyze uwer 7 ghenesinghe. T'ghevoelen des seirs leyt myn al te diep. Uw ellendighe herte 8 pynight mynne ghedachten en treft den gheest die u so blymoedich wensche 9 toe te treden. Hoe seire en quelt myn dat ghy in so ghevoelen ghestelt synde, 10 noch sieck mooghste wesen. Myn heer, uwe smerte omringt tghemoede met 11 klaghen, sy benaut myn met bedrucktheyt ende laet myn in deirlijck leet 12 verdwaesen22. Ick en hebbe doch ghenen medecynen voor uwen sieckte, noch 13 eenrehande versachtinghe uwes droefheyts. Kan ghenesende raet t'synder tyt iet 14 voortbrenghen teghen de qualen, die uwen inwendicheit doordringhen? 15 Meende dat dese werrelt by onbedachte ende avontuirlicke ghevallen wert 16 beweeght, oft houde datter eenigh bestier van redene is? Waerheyt en redenen 17 staen immers niet wydt verscheyden. Rechte liefde heft alleen de waerheyt 18 voor oghen.

19Myn alderliefste Isaac is laetsmael tot mynent gecomen ende myn 20 andermael versoecken om ons voor altyt te verbinden. Niet sijn goet, 21 hoewel ryck van have, maer rykdom synes Geestes en Herte, en syn 22 vrolyckheit van praet en welgeaerde sinlyckheit sal ick hem gerne volghen 23 ende hem leyden in de warachtighe salicheyt, welcke gheleghen is in de 24 dueghde ende ghoedwording. Nochtans niet in de weelde, en eer en macht. Ick 25 en bid u genen bruyloftssang singen, myn heer, op dadde door sulcken vraghen 26 niet ondanckbaar wert geacht en tprangen van de pyn u de tanden doet knersen. 27 Hoe konde ick in eenre wyze vermoeden dat so seker dingen door een 28 avontuurlyck gheval souden werden beweeght. Maar weet dan dat God de 29 schepper synre schepselen bestiert, van welcke waerheyt myns ghevoelens my 30 nemmermeir eenighe tyt en sal beroven.

31Wat druypte ghy van tranen? T'es veel eir tyt van ghenesen als van 32 klaghen; sijde niet opghewassen totter kracht des manlycken ghemoedes? Hoe 33 ken ick u? Maer opdat ghy u niet ellendigh en waanste: segt doch is ghy uwes 34 ghelucks grootheyt ende wyze vergheten? Ghy mochtme gene swijgeloosheit 35 wijten. Want als gy my nu niet alleen woordeloos, maar ghants tongeloos siet, 36 en is er dan gheen sorghelikheyt die uwe droefheyt slecht. Ick magh u niet 37 ghebieden, doch vergunt my dat de vrientschap sijnde de vereenighinghe van 38 twee willen int ghoede in eendrachtig ghemoed stercke. Ghedencke de tyt de 39 welcke wy tot een ghenoeghlick en lieffelijck praten hadden verkoren. Daer ghy 40 eenmael haddet enen stagen overloop vande behaaglycke redene over godlycker 41 ende menschelycker saken. Daer ghy my wist te vertellen van uw voorleden 42 gheluck, uw zedelycke leven ende redelicke daden, en wy na de vertroostinge 43 der wysheyt sochten.

44Biddende u myn troostryck schrijven met soo oprechter herten te 45 anvaerden als ick u die met eerbiediger en suyvere siele aenbiede. Aenvaert dees 46 als een klaer bewys van myn rechtschapen vertrouwen. Entelik hoope en bid ick 47 den Almachtighe dat Hy u behoede voor alle leed oft ongeval en dat Hy u 48 segene met eeuwighe wysheyt.

 

50Uwen ghetrouwe en goetwillige

51Magdalena

Stijl en inhoud van de brief

De brief van Magdalena is geschreven in een redelijk vloeiende stijl, de taal is licht Brabants gekleurd, maar bevat wel wat onregelmatigheden in de spelling en zinsconstructie. Hoewel de literaire uitbundigheid die we uit de brieven van Bredero kennen, hier geheel ontbreekt, zien we de vaardige pen van een schrandere, jonge vrouw met een ethisch bewustzijn. Inhoudelijk zijn er enige opvallendheden. Hoewel de datum van de brief ontbreekt, moet deze wel gedateerd worden tussen eind december 1617 (de brief van Bredero)23 en 18 juni 1618 (de trouwdag van Magdalena). Dat wil zeggen: indien hier inderdaad Bredero wordt aangesproken. In het volgende ga ik hier van uit. Kennelijk is Magdalena (uit Amsterdam?) naar Dordrecht teruggekeerd en diepte zij de brief van Bredero uit haar bagage op. Het woord ‘wederom’ (r. 3) geeft aan dat ze de brief al eerder, waarschijnlijk in Amsterdam, had gekregen en gelezen. Magdalena is meelevend maar tegelijkertijd vastberaden en vertelt over haar voorgenomen huwelijk met Isaac van der Voort. Aanvankelijk lijkt ze over dit huwelijk geaarzeld te hebben: Isaac zou haar ‘andermael’ (r. 20) een aanzoek hebben gedaan en daartoe speciaal naar Dordrecht zijn afgereisd. Bij dit alles geeft Magdalena expliciet aan dat ze hem niet om zijn rijkdom trouwt maar om zijn karakter (rr. 20-24). Dit was voor Bredero een gevoelig punt. In het gedicht ‘Ooghen vol Majesteyt’ wijst hij in ieder geval op zijn eigen eenvoudige leven en op zijn afkeer van een huwelijkskeuze op basis van geld: ‘Ick ben te groot van moedt / Om yemandt yet te achten / Om Rijcdom, of om goedt. / Sot is hy die't ooc doet: / Ic prijs u Edel bloedt...’.24 Ze beseft kennelijk heel goed hoe pijnlijk haar keuze is want ze ziet ervan af om Bredero een huwelijksgedicht te vragen (r. 25).25 Nadat ze eerst haar bedroefde en bezorgde kant heeft getoond, moedigt ze hem tegen het eind van de brief krachtig aan om niet bij de pakken neer te zitten en vriendschap met haar te onderhouden. Dat laatste komt wellicht terug in Bredero's gedicht. Daar spreekt hij Magdalena namelijk aan met ‘Vriendin’ (vs. 52).26

Aardig is dat zij in de brief iets meedeelt over haar ontmoetingen met de dichter. Kennelijk hebben beiden met elkaar gesproken ‘over godlycker ende menschelycker saken’, waarbij Bredero ook zijn eigen levensgeschiedenis aan haar zou hebben geopenbaard (r. 40-43). De gebruikte term ‘de vertroostinge der wysheyt’ (r. 43-44) wijst in de richting van Coornhert, die Boethius' De consolatione philosophiae in 1557 vertaalde onder de titel: ‘Die vertroestinghe der wyssheyt, tot troest van den bedroeffden raedt vanden onverstandigen und int gemeen tot alder menschen salicheit’.27 Een aantal inzichten in de brief, onder meer over de ‘versachtinghe’ van de droefheid (r. 13), de ‘avontuirlicke ghevallen’ (r. 15), en de vriendschap als ‘de vereenighinghe van twee willen int ghoede’ (r. 37-38), doet sterk denken aan het gedachtegoed van Coornhert. Daarmee sluit haar ethische visie in zekere zin aan bij het levensinzicht van Bredero zelf, dat immers voor een belangrijk deel teruggaat op de moraalfilosofie van Coornhert, met name op diens Zedekunst (1585).28 De afsluiting van Magdalena's brief oogt nogal traditioneel met het verzoek om haar ‘troostryck schrijven’ (r. 44) als een oprecht bewijs van haar betrokkenheid te beschouwen, en met de hoop dat God de adressaat in Zijn bescherming zal nemen.

Ten slotte

De dood van Bredero op 23 augustus 1618 maakt een eind aan een verloren liefde. De dichter moet al een aantal maanden eerder beseft hebben dat zijn kansen verkeken waren. Hoewel hij het deugdzame karakter (‘Edel bloedt’) van Magdalena in zijn gedicht roemt, zal hij haar huwelijkskeuze, misschien onbewust, toch met het financiële vermogen van de lakenhandelaar in verband hebben gebracht. De brief van Magdalena geeft ons inzicht in haar standpunt. Haar betrokkenheid op Bredero blijft, maar ze is resoluut een andere weg ingeslagen. Dat zij de dichter aanspoort zijn verdriet naast zich neer te leggen en een vriendschapsband met haar aan te knopen, klinkt ons wat gratuit in de oren, zeker als we ons realiseren dat ze na haar huwelijk direct naar Italië afreisde. Ook de nadrukkelijkheid waarmee ze de karaktereigenschappen van haar toekomstige echtgenoot noemt, komt nogal geforceerd over. Daarmee wordt Magdalena niet direct sympathieker, hoewel haar brief ons ook ruimte geeft van haar een beeld te vormen als een intelligente, invoelende jonge vrouw. We mogen niet vergeten dat ze bij het schrijven van de brief amper twintig jaar zal zijn geweest. Het lot is Magdalena in haar verdere leven overigens niet al te gunstig gezind. Al na tien jaar verliest ze haar geliefde Isaac alsmede een aantal van hun kinderen. Een tweede huwelijk met een oud-burgemeester van Deventer moet een verschrikking zijn geweest. Magdalena overlijdt in Amsterdam op 19 juni 1660.29