|
|
|
| |
| | | |
12 Het begin van een opmars
| | | |
Er waren algemene verkiezingen in aantocht. Uit de Kerngroep werd een kommissie
samengesteld, om advies uit te brengen inzake stappen die moesten worden genomen
door de NBS. Wij gingen praten met Bruma - hij kreeg toch de schuld van alles
wat wij uithaalden - Gessel, Eersel en Waaldijk. Wij hielden lange debatten. De
beslissing werd dringender en dringender. Tenslotte werden wij het eens: een
eigen partij.
Gessel was tegen. Hij vond dat we in de NPS moesten gaan. Infiltratie. Eersel
meende dat het nog geen tijd was voor de stap naar de praktische politiek. Hij
wilde dat wij eerst op andere gebieden aan de bewustwording zouden werken. De
sociaal-ekonomische bewustwording propageren onder het volk. Bruma en Waaldijk
waren van mening dat de tijd gekomen was.
Als wij in de NPS gingen, zouden wij er niet als eenheid kunnen optreden. Dan
zouden wij tweeërlei kamp moeten leveren. In de eerste plaats tegen de oude
machten in de partij, om onze idealen erdoor te krijgen. Daarna pas zou de
strijd komen tegen de tegenkrachten in de gemeenschap. Een hell of a job, voor
je zover bent. Met het niet denkbeeldige gevaar, dat een deel van je militanten
onderweg valt voor de charme van geld en gemak, dingen die het oude massaal kan
verschaffen. Wij waren ons ervan bewust, dat wij een gevaar waren voor de oude
macht. Dat elk kompromis met die oude macht in diens voordeel zou zijn. En
infiltreren betekende kompromis, vertraging. Eén partij, een nieuwe partij, een
eigen partij.
Met Gessel konden wij niet praten. Maar wij wilden hem hebben. Echter moesten wij
voor de fundering van de partij een theoretikus hebben. Gessel was pragmatikus.
Hij had ingediend bij de NPS. Eersel - man van cultuur - bewust, zou moeilijk te
winnen zijn.
De knoop werd doorgehakt, wij zouden Bruma aan de hand nemen. Bruma. De
gemeenschap identificeerde ons het meest met hem. Hij werd gezien als onze pater
intellektualis. Hij was het ergens ook. Alhoewel men | | | | hem er ten
onrechte van beschuldigde onze aanzetter te zijn. Wij hadden de meeste theorieën
van hem. Als leraar op onze kaderschool leerden wij ontzettend veel van hem. Hij
was open. Toch wisten wij niet genoeg van zijn ideeën. Hij had te veel geduld.
Zijn geduld symboliseer ik altijd in gedachten met de man die ik in 1957 réfri
zag spelen voor dertienjarige knapen. In 1967 zouden diezelfde knapen 23 jaar
zijn. Kiesgerechtigd.
Later zouden wij van hem leren en uit boeken lezen, hoe traag een revolutie kan
gaan. Hoeveel werk er in een revolutie gaat zitten. Hoeveel jaren er nodig zijn,
voor de eeuwenoude wortels van kolonialisme en kapitalisme zijn uitgeroeid. De
tijd zou ons leren.
Toen Bruma niet samen met Arthur Blom werd opgepakt, tijdens de bom-affaire,
dachten wij, dat hij er wel wat mee te maken had, maar dat hij door die groep in
bescherming was genomen. Blom is één van zijn grote vrienden. Op zestienjarige
leeftijd hadden zij al samen in de cel gezeten. In de oorlogstijd. De tijd van
Bosverschuur. Later leerden wij dat in hoogste instantie revolutie iets is van
verandering van denken bij het volk. Dat het volk dan vanzelf de maatschappij,
haar maatschappij zal veranderen. Dat ding van Blom, als er iets van was
gekomen, zou een doodgewone coup zijn geweest. Desalniettemin werd, terwijl de
arrestaties woedden, de Kerngroep gekonsigneerd. Wij verwachtten dat één of
andere ijverige politieman het in zijn hoofd zou kunnen krijgen, ook ons aan te
houden. Wij hebben bij Turk thuis een hele nacht gewaakt en besproken wat ons te
doen stond, indien één van ons werd aangehouden. Wij bleven erbuiten.
De tijd drong. De gemeenschap begon zich af te vragen wat de nationalisten zouden
doen bij de komende verkiezingen. 1961 liep al naar zijn eind. Gessels aanvraag
voor de NPS werd verworpen. Maar Gessel draalde ten opzichte van ons. Wij
moesten hem maar voor een historische keuze stellen.
1 September 1961. Proklamatie van de Partij van de | | | | Nationalistische
Republiek. Het voorzitterschap werd aangeboden aan de heer E.A. Gessel. Niet
aanvaard. Bruma en Frits Moll, aan wie de leiding van de Partij mede werd
opgedragen, aanvaardden die wel. De strijd ging een nieuwe fase in.
Wij hadden al ervaren voor welke berg van wantrouwen, onbegrip en vooroordeel wij
stonden. Wij wisten hoeveel frustratie het kolonialisme in de geest van ons volk
had achtergelaten, hoe diep de wortels van het oude zich hadden genesteld in de
gemeenschap. Er bestond in de gemeenschap niet alleen kulturele, maar ook
sociale en ekonomische onderdrukking van het volk. Van de werkende klasse. Van
de arbeider en de landbouwer. Een zeer komplexe zaak, die werd doorkruist door
raciale en godsdienstige vooroordelen. Vooroordelen die ons volk met de paplepel
waren ingegeven. Een herkules-taak namen wij op onze smalle schouders. Goed, wij
hadden het enthousiasme van de jeugd. Wij hadden het idealisme van de jeugd. Wij
hadden de onbedorvenheid van de jeugd. Wij misten ervaring en filosofische
doorwrochtheid. Maar wij waren klaar voor de hardste slagen.
Wij zouden tegenover onze ouders komen te staan. Wij zouden tegenover onze
onderwijzers komen te staan. Onze kerkelijke voorgangers. Vrienden zouden ons
niet meer in hun huizen ontvangen. Wij waren de getekenden, gwasiman. Maar wij
waren overtuigd. Bezeten van een ideaal. Daarom gingen wij in de aanval. Wij
gaven de oude maatschappij niet de kans ons in de verdediging te dwingen. Wij
waren brutaal. Onbeschoft. Men had verdriet over ons. Medelijden met ons. Bruma
‘misbruikte’ ons. De gemeenschap had nog nooit overtuiging in werking gezien.
Wij werden gevreesd. Wij werden betreurd. Waarom kwamen wij niet in de NPS? Ons
brood zou er geboterd zijn. Men begreep niet dat wij niet in de strijd waren
voor eigen geboterd brood. Wat volk! Volk is ondankbaar. Wisten wij dat niet?
Vandaag hosana, morgen kruisig hem. Buitendien, ge- | | | | loof je zelf wat
je zegt? Alle politici hadden, voor zij er waren, gouden bergen beloofd. Moro
fowroe ben singi moro fowroe fensi. Men geloofde niet meer in edele bedoelingen
bij politici. In elk geval, wij zouden met de jaren wel wijzer worden. Ons
enthousiasme was van voorbijgaande aard. Velen waren ook zo begonnen. De dag zou
komen, waarop wij aan onszelf zouden gaan denken. Men wist het niet, maar men
was bezig ons te harnassen. Wij werden van alle beschuldigingen en
verdachtmakingen nog harder. Wij gingen voor onszelf meer en meer een zuiverder
revolutionaire moraal ontwikkelen. Wij zouden bewijzen dat het anders kon,
anders behoorde, dan de wijze waarop de oude politici het deden. Wij gingen meer
kontakt zoeken met het volk en bleven de bourgeois zoveel als mogelijk uit de
buurt. Er waren vragen die ons teisterden. Wat is nodig voor het behouden van
het geloof? Geloof in ons volk. Geloof in de juistheid van het doel dat wij ons
stelden. Dat wij stelden voor ons volk. Is het waar dat de tijd idealen aantast?
Is het waar dat de tijd je geloof in idealen aantast? Zou het mogelijk zijn, dat
wij zouden verworden tot de politici van nu? Vetgemeste zakken, die alleen aan
zichzelf denken. Het volk en zijn noden vergetend. Wij gingen lezen. Lezen,
lezen. De geschiedenis van grote volksleiders. Van grote volksbewegingen. Wij
leerden daaruit. Wij diskussieerden daarover. Tot diep in de nacht, als de dag
reeds ver achter ons was spraken wij over deze dingen. Wij vonden steun bij
onszelf, bij elkaar.
Langzamerhand dwongen wij de gemeenschap respekt af. Al bleven zij bang voor ons.
De oude machthebbers wantrouwden iedereen die zich met ons inliet. Wij waren in
staat tot besmetten. Wij waren een virus, dat moest worden uitgeroeid. Moest
worden weggevaagd van gods aardbodem. Van onbezonnen jongelui waren wij ‘het
rode gevaar’ geworden. Jongens met guts. Jongens met verstand. Veelbelovende
jongeren. Maar wij vergooiden onze kansen. Wij waren in het verkeerde | | | | kamp terechtgekomen, verzeild geraakt
Met deze last van vooroordeel, wantrouwen en onbegrip op onze nek, begon de
Partij. Maar de Partij begon ook met een kleine en sterke kern overtuigden, die
van geen wijken wist. Die zich als een jachthond vastbeet, in het bij de aanvang
gestelde doel. Voor vaderland of dood.
| |
- W'o doro -
Weinig hadden wij toen, op 1 september 1961, vermoed, dat wij erin zouden
slagen, dwars door sociale, religieuse en raciale groepen heen, onze ideeën
eigendom te doen worden van de massa van ons volk. Onze idealen zich te doen
vermaterialiseren in massa's. Massa's jongeren, massa's intellektuelen,
massa's arbeiders, massa's landbouwers. Het kolonialisme levert haar laatste
slag. Op elk levensgebied nemen de schermutselingen de vorm aan van een
bundeling tot de laatste krachtmeting naar de totale bevrijding,
Wij hebben strijd moeten leveren tegen onszelf en onderling, zodat defaitisme
niet de overhand nam. Sommigen zijn onderweg gesneuveld. Het duurde te lang.
Men werd moe. De rechte lijn die wij hadden uitgezet, eiste grote offers aan
geduld en volharding. Wij schenen wel masochisten. Strijdbare mannen en
vrouwen vielen af of gingen aan de kant zitten. Harde slagen moesten wij
inkasseren. Zowel als groep als ook persoonlijk. Maar de opmars bleek
onstuitbaar. Al vielen er twee af, voor die twee kwamen er vier bij.
Langzaam maar zeker kregen wij houvast bij groepen in de gemeenschap, die
wij met onze rechtlijnigheid en onze opofferingsgezindheid overtuigden. De
beginselen bleven staan. Als sterren van Bethlehem bleven wij daar achter
optrekken naar de overwinning. Wij zullen overwinnen. Het volk zal
overwinnen. Lang leve ons volk.
| |
- Preambule -
| - | proklameert plechtig het besluit een einde te maken |
| | | |
| aan
de koloniale ordening van de Surinaamse samenleving. |
| - | De Surinaamse natie is door deze ordening in een toestand van
voortdurende ondergeschiktheid gebracht. |
| - | De eenwording van het Surinaamse volk wordt erdoor belemmerd; de
Surinaamse mens vervreemdt van zijn vaderland en zijn historie. Hij en
zijn door de voorzienigheid geschonken hulpbronnen zijn door deze
ordening tot objekten van uitbuiting gemaakt. |
| - | stelt zich daarom tot doel leiding te geven aan de strijd van het
Surinaamse volk om erkening van de rechtsgelijkheid van de Surinaamse
natie met alle andere naties ter wereld. |
| - | is van oordeel dat dit onterend stelsel zichzelf heeft overleefd en
het de historische taak van het Surinaamse volk is de volledige
vernietiging van het kolonialisme in dit gedeelte van Guyana thans ter
hand te nemen. |
| - | voorts om leiding te geven aan het streven, de Surinaamse natie tot
groter glorie te voeren, de Surinaamse mens wederom te winnen voor zijn
land, zijn volk, zijn kultuur en zijn historie, en om een geordende
samenleving te scheppen die souverein, onafhankelijk, vrij van vrees en
uitbuiting zal zijn. |
| - | een samenleving waarin de arbeids- en levensmogelijkheden van elke
Surinamer gegarandeerd zullen zijn en waarin een ieder overeenkomstig
zijn geestelijke en lichamelijke werkzaamheid rechtvaardig beloond zal
worden. |
| - | acht het ter verwezenlijking hiervan noodzakelijk, dat de Surinaamse
mens, voor het bepalen van zijn standpunt ten opzichte van alle
gebeurtenissen en verschijnselen, een vast en juist uitgangspunt heeft,
dat voor hem een bindende wet voor iedere handelwijze zal zijn. |
| - | acht de leer van het nationalisme d.i. de leer van de voortdurende
veredeling van de natie, een zodanig |
| | | |
| uitgangspunt en heeft
daarom deze leer aanvaard als grondslag voor de politieke ordening en de
door haar voorgestane samenleving van vrije, evenwichtige en oprechte
mensen. |
| |
- Beginselen -
Daarom een ordening op hechte, onveranderlijke grondslag van de
volgende beginselen:
| - | Rechtsgelijkheid van de Surinaamse Natie met alle andere Naties en de
opheffing van elk stelsel, dat deze rechtsgelijkheid in de weg staat. |
| - | Het recht van iedere Surinamer op gelijke bescherming door de Wet bij
het nastreven van zijn maatschappelijk en geestelijk welzijn. |
| - | Verwerping van ieder onrechtvaardig maatschappelijk stelsel en elk
stelsel, dat de maatschappelijke goederen en geestelijke waarden niet
ongehinderd toegankelijk maakt voor een ieder of dat tot gevolg heeft
dat de rijken rijker en de armen armer worden. |
| - | Verwerping van het racisme als in strijd met de waardigheid van de
mens en de Surinaamse Natie; onvermoeid streven naar integratie der
rassen in het openbaar leven. |
| - | Onmiddellijke beëindiging van het kolonialisme, neokolonialistische
praktijken, imperialisme en van elk streven, dat het imperialisme in de
wereld kan dienen. |
| - | Zelfbeschikkingsrecht der Naties en mitsdien het recht van elke Natie
om zich te ontdoen van iedere vorm van voogdij en zich te ordenen naar
eigen vrije wil. Erkenning van uitsluitend het volksreferendum als
uitdrukking van de hoogste wil van de Natie. |
| - | Erkenning van het bestaan van een Opperwezen en erkenning van de
vrijheid van een ieder om zijn godsdienst overeenkomstig zijn geweten te
belijden. Alle godsdiensten zijn gelijk en maken aanspraak op gelijke
bescherming. Verwerping van de onderdrukking van religieuze en
maatschappelijke minderhe- |
| | | |
| den. |
| - | Erkenning van de Natie als de hoogste menselijke samenlevingsvorm en
eerbiediging van de souvereiniteit van alle daaraan ondergeschikte
samenlevingsvormen, voorzover deze niet strijden tegen de Natie als
geheel. |
| - | Erkenning van het recht van de arbeider op arbeid en het recht van de
landbouwer op bebouwbare grond. Erkenning van het recht van de jeugd om
door studie meerdere kennis te verwerven, het recht van de intellectueel
op vrije wetenschapsbeoefening en het recht van de bejaarden op
verzorging. |
| - | Veroordeling van de onterende wijze waarop door het kolonialisme een
deel van het Surinaamse volk gehuisvest is en erkenning van het recht
van iedere Surinamer op een menswaardige huisvesting voor zichzelve en
zijn gezin. Erkenning van de plicht van de overheid, in voorkomende
gevallen de voor huisvesting benodigde grond in vrij gebruik ter
beschikking te stellen van het volk. |
| - | Veroordeling van het hongerloon en erkenning van de gelijkheid van
mannen en vrouwen in het arbeidsproces. Het krachtig voorstaan van de
emancipatie van de vrouw in het burgerlijk, het sociaal en het politiek
leven. |
| - | Veroordeling van het vormen van militaire machtsblokken in de wereld
en het voorstaan van vrije handel met alle landen ter wereld, die tot de
verdere ontplooiing van de Surinaamse Natie kunnen bijdragen. |
| - | Het voorstaan van het neutralisme in de internationale politiek en
erkenning van de plicht onvermoeid te strijden voor wereldvrede en
rechtvaardigheid. |
| - | Onderschrijving tenslotte van het Handvest van de V.N. en erkenning
van de fundamentele rechten zoals deze zijn vastgelegd in de Verklaring
van de Universele rechten van de mens. |
|
|
|