[p. 9]
[REFREYNEN IN 'T AMOUREUS]
[f. 5 v°] [houtsnede]
Dan .ij. gelieuen versaemt in eenen wille
[I] REFREYN [I]
- [A]
-
- HOe meer gefantaseert, hoe meer beswaert,
- aert van castumen doet vast ancleuen. vs. 1-2
- [f. 6 r°] gescreuen staet in mijn herte een bloeme vermaert.
- waert datse met mi wilde zijn gepaert,
- 5
- vergaert bleuen wij eewelic sonder sneuen. vs. 5
- dleuen is dat ic achte, hoe soudicse begeuen? vs. 6
- verdreuen houtse mijn ghepeysen al stille. vs. 7
- dus seggic ter eeren van haer verheuen:
- gheen meerder vruecht ter werelt beseuen vs. 9
- 10
- dan twee ghelieuen versaemt in eenen wille.
-
- Ist niet oorboorlic groot te sijn gheboren? vs. 11
- verstoren moghen si alle quade gheruchten. vs. 12
- suchten, claghen, en steenen iagic verloren, vs. 13
- oorboren moet ict dleuen, ic hebt vercoren; vs. 14
- 15
- tversmoren des doots salse wt mi doen vluchten. vs. 15
- verluchten ga ic mi in een prieel vol vruchten, vs. 16
- duchten so en heb ic van gheenen gheschille.
- dus seggic als voren, ten sijn gheen cluchten: vs. 18
- gheen meerder vruecht in swerelts gehuchten vs. 19
- 20
- dan twe ghelieuen versaemt in eenen wille.
-
- Siet mi nv in deertsche weelde gheseten,
- beten van confoort waren der herten goet;
- doet se mi trouwe, ic derf mi vermeten
- vergheten en sal icse, ic laet haer weten
- 25
- [f. 6 v°] versleten houtse puer mijn teghenspoet. vs. 25
- soet is dat leuen ic bens wel vroet,
|
[I] Dit refrein bestaat uit de stukken van twee verschillende refreinen (A en B); wellicht ontbrak er in het hs. dat de drukker voor zich had een blad, waardoor het slot van het eerste en het begin van het tweede refrein verloren gingen.
vs. 1-2 De zin is ongeveer: ongestadigheid (in de liefde) brengt verdriet, standvastige trouw (daarentegen) doet vast verbonden blijven (met de geliefde).
vs. 5 sonder sneuen: onveranderlijk.
vs. 6 begeuen: verlaten, in den steek laten.
vs. 7 ghepeysen: droevige gedachten.
vs. 9 beseuen: (is) te bedenken.
vs. 11 oorboorlic: voordeelig, prettig.
vs. 12 si: t. w. zij die van hooge geboorte zijn.
vs. 13 iagic verloren: geef ik den schop.
vs. 14 oorboren: gebruiken, genieten van.
vs. 15 Hier moet alleen bijgedacht worden.
vs. 16 prieel: tuin, boomgaard; fig. vaak voor de geliefde.
vs. 18 cluchten: beuzelpraatjes.
vs. 19 swerelts gehuchten: de wereld. Vgl. VIII, 12.
vs. 25 versleten houtse: zij doet te niet(?).
|
[p. 10]
-
- *
- moet ic dan niet drayen der vruechden spille? vs. 27
- nemmermeer scheydic van haer een voet
- want geen meerder vruecht onder shemels behoet
- 30
- dan .ij. gelieuen versaemt in eenen wille.
- [B]
-
- Al waeric bouen moyses in gesonden baerblikere, vs. 1
- al waer ic bouen Alexanders mogende machten,
- al waer ic bouen Cresus van schatte rijckere,
- al waer ic Dauids victorie een na strikere, vs. 4
- 5
- al mochtic bouen Absolom schoonheyt verpachten, vs. 5
- al had ic alleen alle menschelike crachten
- oft yngelic gedachten, so en soudic mi gewachten vs. 7
- bi dage bi nachten te minnen die ic moet achten.
- lieuer soudict al versmachten, dan haer deruen vs. 9
- 10
- want tis so oorboorlick liefs liefde verweruen.
-
- Al warre die heel werelt mijne,
- al waer elc gras met gulden platen,
- al waer elck loofken van Rosmarijne,
- al waer al eertrijck puer cristallijne,
- 15
- al waer al dwater wijn van garnaten, vs. 15
- al warent al Dyamanten die steenen vander straten,
- [f. 7 r°] soe soudic eer haten, en al verwaten, vs. 17
- dan ic sou laten die bloeme van staten
- die tot mijnder baten mijn vruecht sal eruen
- 20
- want tis so orboerlijc liefs liefde verweruen.
-
- Als lief bi lief lieflijc begeert te sijne,
- als lief liefs liefde in liefden volmaect,
- als lieuer dan lief liefs liefden hout in verdwijne,
- als dlieflic lief duer liefde en vreest geen pine,
- 25
- dan is lief bi lief lieflijc geraect.
- als twe gelieuen versamen in een liefde naect,
|
* 31. HA.: Al waar ick bouen Samson in stercheyt baerlijck.
vs. 27 drayen der vreuchden spille: dansen van vreugde?
vs. 1 gesonden: gezondheid. - baerblikere: helderder schijnend, stralender. - mogende: machtig.
vs. 4 nastrikere: die nabijkomt, opvolger.
vs. 5 verpachten: beschikken over.
vs. 7 en soudic mi gewachten: zou ik niet aflaten.
vs. 9 soudict: less wellicht soudick.
vs. 15 wijn van garnaten: een soort van kruidenwijn; zie Mnl. Wdb. II, 922.
vs. 17 verwaten: vervloeken. - eruen: toebedeelen.
|
[p. 11]
-
- int vier dat blaect, hoemen daer waect
- weet hijt diet smaect, ic bliue ghestaect vs. 28
- daer therte na haect, vrij sonder steruen
- 30
- want tis so oorboorlic liefs liefde verweruen.
|
vs. 28 gestaect: vast, onveranderlijk; vgl. S. XXXIV, 5.
|
|
|