|
*
|
* 10. ouerboort, HA.: overhoort. 17. bespoyende, HA.: besproyende. 24. ten fine, HA.: een te zijne.
|
[f. 9 r°] [III] REFREYN
- GHelijc Hester Assuero was behagende vs. 1
- ben ic reyn liefde tuwaerts draghende,
- niet daer na vragende om yemants benijen.
- al sijn nijders van spijte ouer ons clagende
- 5
- en begheren ons onvree nv te beiaghene, vs. 5
- sijt niet versaecht te gheenen tijen,
- laet ons eendrachtich in liefden verblijen,
- v herteken en dmijne laet een accoort sijn. vs. 8
- mercurius voortstel wilt stellen besyen
- 10
- so sullen quaytonghen vollic ouerboort zijn. vs. 10
- ons meninge laet altijd een woort sijn
- so bliuen wij lustich in liefden vloyende,
- het sal v en mi een groot confoort sijn
- dwelck nijders sal sijn seer vernoyende.
- 15
- mijn ionste seer lieflijc is tuwaert groyende
- daerom biddic v wilt sonder grou sijn, vs. 16
- al zijn ons sommige met clappen bespoyende vs. 17
- laet ons te samen in liefden ghetrou sijn.
-
- V dagelicx lijden dat doet mi pijne
- 20
- want groot ghebreck is mishout te sijne, vs. 20
- tis een discipline, die niet om verdraghen is. vs. 21
- [f. 9 v°] v ongheluc deert mi oft waer dat mijne,
- maer paciencie moet sijn v medecijne
- tot dat comt ten fine, want een groot mishagen is. vs. 24
- 25
- uwen persoon met allen te claghen is
- dat ghi v iuecht so moet versliten, vs. 26
|
vs. 1 Assuer(us): Ahasverus. vs 3: zonder mij van afgunst iets aan te trekken.
vs. 5 beiaghene: verschaffen, veroorzaken.
vs. 8 een accoort sijn: overeenstemmen; vgl. S. XXII, 1 vs. 9: denk niet om materieel gewin? Of wordt gezinspeeld op Mercurius als patroon der koppelaars?
vs. 10 ouerboort: machteloos (Mnl. Wdb. V, 2100).
vs. 17 bespoyende: het is niet noodig met HA. besproyende te lezen; bespo(e)yen komt herhaaldelijk voor (Ndl. Wdb. II, 2078).
vs. 20 mishout: ‘mishuwd’, ongelukkig getrouwd.
vs. 24 dat comt ten fine: dat er een eind aan komt. Vgl. XIV, 43.
vs. 26 versliten: ongelukkig doorbrengen; vgl. vs. 31.
|
[p. 14]
-
- *
- tis een plaghe die bouen plaghen is
- dwelck uwen persoen seer moet spiten.
- stellet wter herten, wilt v verioliten, vs. 29
- 30
- laet in v niet vesten eenighe melancolie, vs. 30
- wilt doch v leuen so niet versliten
- mer al onghenuechte stelt doch op sije,
- vseert ghenuechte, sijt vrolic en blije,
- blijft doch mijne, ic sal doch v sijn,
- 35
- ghi sijt doch icke en ic doch ghye:
- laet ons te samen in liefden ghetrou sijn.
-
- Och lief alderliefste vaet mijn ghewagen, vs. 37
- mijn sinnekens trueren, therte moet clagen
- bi nachte bi daghen, om v liefs deruen,
- 40
- wel wetende dat ic ben in v behaghen,
- want mijn oghen noyt lieuer lief en saghen.
- dus duert verdraghen moet ic druck eruen;
- dan denckic waeromme so menich weruen.
- [f. 10 r°] om v liefde ghetrouwe, die ghi mi bewijst,
- 45
- dat ic wt liefden soude laten steruen
- mijn herte, mocht ghijer bi worden gespijst.
- o lief, duer v liefde die te miwaerts rijst vs. 47
- ben ic v wenscende wat ic goets mach dincken,
- dats therte vol trouwen, datmen meest prijst,
- 50
- dwelc ic altijt bereet ben om v te schincken
- met liefden vermeerderen sonder eenich mincken, vs. 51
- so en mach nemmermeer in ons berou sijn.
- al souden nijders noch so seer daerop schimpen
- laet ons te samen in liefden ghetrou sijn.
-
-
- Prince
- 55
- Princesse vol van virtuten,
- prieel van trouwen, waer wt dat spruten
- alle conduten en stralen der minnen, vs. 57
|
* 51. mincken, HA.: krincken.
vs. 29 veriolijten: verheugen; vgl. S. XIV, 10.
vs. 30 vesten: zich vastzetten.
vs. 37 mijn ghewagen: mijn woorden.
vs. 47 rijst: groeit, of: zich richt op -.
vs. 51 liefden is genitief. - mincken: verminderen.
vs. 57 conduten: bronnen, aderen.
|
[p. 15]
-
- wilt nv doch wten en daer toe niet flou sijn
- alle vroulike compassien om trou te kinnen vs. 59
- 60
- laet ons te samen in liefden ghetrou sijn.
|
|
|
|