|
*
|
* 1. die (H.A.), v. D.: de. 2. onspreker, HA.: onsprekelijcker.
|
[V] REFREYN
- DUer venus strael, die suuerheyt doet verdwinen vs. 1
- heb ic geweest in onspreker pijnen vs. 2
- onlancs half desperaet in mijn ghedochte.
- in cruyden, in balsemen, noch inden wijnen
- 5
- noch nerghens en vondic medecijnen
- noch specien die mi genesen mochten.
- ic riep vast wrake, dat ic so onsochte vs. 7
- sonder troost die doot moste smaken.
- die liefste, die mi al dat grief aenbrochte,
- 10
- vernam van desen die rechte sake; vs. 10
- [f. 12 r°] wt compassien quamse mi om te vermaken.
- som seyden, si waer beter achter bleuen:
- hoe hi v meer siet, hoe hem meer smerten naken.
|
vs. 2 onspreker: onuitsprekelijke.
vs. 7 onsochte: wredelijk.
vs. 10 die rechte sake: de stand van zaken, toestand.
|
[p. 17]
-
- *
- neen sey si, liefs troost doet veel tormenten staeken,
- 15
- een vrolic lief is een vrolijc leuen. vs. 15
-
- Een vrolic lief wast, eer si vertrack,
- gheen vrolicheyt an haer en ghebrack
- om mi bedruct ter ghesonde te brenghene; vs. 18
- van troost wast al datse te miwaerts sprack,
- 20
- segghende, ontlaet dit grieflic pack vs. 20
- en poecht v bi ons met vruechden te mingene, vs. 21
- hebt een mans herte, begint te ontspringene, vs. 22
- luttel vrouwen sijnder sonder compassie geboren.
- die woorden begonsten mi so te dwingene
- 25
- ende haer grote vrolicheyt van mi te voren, vs. 25
- haer couragie dede mi na haer horen,
- achterlatende dat grote druck becleuen. vs. 27
- dus seg ick, ende ic en gheefs niet verloren,
- oorconde hem allen die sulc werk oorboren: vs. 29
- 30
- een vrolic lief is een vrolic leuen.
-
- Om der materien verstant te gheuene, vs. 31
- si maectet so die hoghe verheuene vs. 32
- [f. 12 v°] met haerder vrolicheyt medecinale,
- dat si mi ontlade van allen sneuene vs. 34
- 35
- en coragie gaf om eewelijc op te leuene,
- daer haer vrolicheyt af was dat principale.
- hoe soudemen die duecht alteenenmale
- connen vercondigen van sulcken vrouwe;
- hi en is ter werelt, noch duytsch noch wale,
- 40
- die een vrolic lief volprijsen souwe.
- een vrolic lief, en dan die ghetrouwe,
- waer sijnse die oyt haer weerde volscreuen?
- men souts in een iaer volscriuen nouwe,
- des ic deerste propoost noch houwe: vs. 44
- een vrolic lief is een vrolic leuen.
|
* 18. ghesonde, HA.: gesontheyt. 19. Van, HA.: Want. 28. gheefs, HA.: geef den moet. 32. maectet so die, HA.: maeckter soo dic.
vs. 15 Vgl. den stok van ABN. LVI: ‘Een hertelijck liefken doet blijdelijck leven’.
vs. 20 grieflic: smartelijk. - pack: de rederijkers vergeleken de liefde gaarne bij een zwaren last; vgl. VII, 50; IX, 23; LXX, 29, enz.
vs. 22 ontspringen: eig.: wakker worden; hier: zich in geestelijk opzicht oprichten, moed vatten.
vs. 25 van mi te voren (van moet wsch. wegvallen): jegens mij; te voren beteekent ook: geheel beschikbaar (zie Coornhert, Odyss. IX, vs. 9 en 116/7).
vs. 27 dat grote druck becleuen: wat de groote droefheid (in mij) had doen groeien.
vs. 29 oorconde: getuige; zie nog VI, 52-53; XV, 9. - oorboren: plegen; een zeer geliefkoosde rederijkersterm.
vs. 32 si maectet so: zij bewerkstelligde.
vs. 44 propoost: stelling, thema; vgl. XVII, 20.
|
[p. 18]
-
- Prince, hebdi een vrolic lief
- verheftse vrij so Dauid die sine verhief,
- want si ist weerdich watmen haer doet.
- een vrolic lief belet veel van sulcken grief,
- 50
- dats des eewichs doots miskief vs. 50
- door een vrolic lief wel wert gheboet,
- want watmen een amoreus doet, quaet of goet,
- heeft hi een vrolic lief, tis sijn raet, sijn daet, vs. 53
- en is dat vrolic lief so ghemoet vs. 54
- 55
- dat si hem dbeste voor tquaetste raet,
- [f. 13 r°] so brenchtse hem wel inden hoochsten graet vs. 56
- daer nemmermeer steruen is noch sneuen.
- so soudic spreken sonder verlaet vs. 58
- en segghen den reghel so voren staet:
- 60
- een vrolic lief is een vrolick leuen.
[houtsnede]
|
vs. 50 dats: en wel, ja zelfs; vgl. Stoett, Synt.3 ¶ 49, Opm. II. - miskief: ongeluk.
vs. 53 tis sijn raet, sijn daet: zij beheerscht zijn doen en laten; vgl. Valentijn, Ovid. (ed. 1697) I, 72: ‘mijn staatjuffers K. en E., die mijn geselschap en raat en daat sijn.’
vs. 58 sonder verlaet: zonder ophouden; vgl. VI, 37.
|
|
|