|
*
|
* 4. heb ic verpacht, HA.: is verpaght.
|
[VII] REFREYN
- AL therte is mi vol fantasien vs. 1
- daer mi toe brenget der liefden cracht;
- den moet is mi vol melancolien vs. 3
- want mijns liefs liefde heb ic verpacht. vs. 4
- 5
- ic en can gherusten noch dach noch nacht, vs. 5
- als ic mijns liefs aensicht moet deruen,
- dwelck mi tot haerder liefden bracht,
- want tscheyden van haer dunct mi een steruen.
- ic wensch mi bi hair sdaechs duyzent weruen
- 10
- [f. 15 r°] die ic beminne seer bouen maten,
- al soudic mi selven gheheel daerom onteruen, vs. 11
- die liefste en sal ic nemmermeer laten.
- al mocht mi al die weerlt baten
- ic salse met goeder herten beminnen,
- 15
- gheen lieuer en mocht ic noyt bekinnen.
-
- O lieflic lief, laet v sijn lief
- dat ic v die liefste noemen mach.
- mijn herte gheen lieuer noyt en besief vs. 18
- voor alle die ic ter werelt noyt sach;
|
vs. 1 fantasien: droevige gedachten, zwaarmoedigheid.
vs. 4 heb ic verpacht: eig.: ik maak aanspraak op (Mnl. Wdb. VIII, 2241); vgl. I, 35.
vs. 5 Het zal wel toeval zijn dat dit vers vrijwel geheel overeenkomt met den slotregel van het prachtige lied ‘Vaer wech, ghepeins’ (OVl. L. en Ged. CXL): ‘In can gherusten dach no nacht’.
vs. 11 onteruen: in het verderf storten.
|
[p. 21]
-
- 20
- mocht ic bi v sijn nacht ende dach,
- dat waer mijnder herten een medecijne.
- als ic v moet deruen een ooghe opslach, vs. 22
- so en is mijn herte niet sonder pijne.
- wilt mi dan troosten, schoon Rosemarijne, vs. 24
- 25
- als v arme dienaer met liefden ghelayen.
- ic ducht, ict besteruen sal ten fijne,
- een vriendelic woort can v cleen schayen,
- wilt mi dan met uwer liefden payen, vs. 28
- so mach ic segghen met vierigher minnen:
- 30
- gheen lieuer en mocht ic noyt bekinnen.
-
- Ic bens niet die liefde heeft alleene,
- [f. 15 v°] want Sampson wert met liefden bedrogen;
- duer liefde brocht ons Adam in weene,
- ooc heeft Dauid liefde gheploghen,
- 35
- Troylus was met liefden duervloghen, vs. 35
- Loth was van liefden bestreden, vs. 36
- Vergilius is in mande ghetogen,
- Salomon duer liefde was ooc tonvreden, vs. 38
- Aristotiles wert ooc me bereden,
- 40
- elck weet doch wel wat dus is geschiet;
- en twaren al vrouwen die dit deden.
- te min so acht ic mijn verdriet
- en bliue noch op mijn eerste liet,
- seggende na wtwijs mijnder sinnen: vs. 44
- 45
- gheen lieuer en mocht ic noyt bekinnen.
-
- Venus, van alle minners princersse,
- neemt v arm diener in ghenaden.
- mijn lief is mijnder sinnen meestersse,
- haers wesens en can ic niet versaden.
- 50
- och wouse mi mijnen last ontladen
- daer ic wt liefden me ben ghebonden,
- ic hope si en sal mi niet versmaden,
|
vs. 22 ooghe opslach: oogenblik.
vs. 24 Rosemarijne: bij de rederijkers geliefde aanduiding van de beminde, en van Maria; vgl. XIII, 24; XLIV, 26.
vs. 28 payen: tevredenstellen, zonder ongunstige bijbeteekenis.
vs. 35 duervloghen: doorschoten. - Troylus: in het volksboek van de Historie van Troyen vindt men het verhaal van zijn liefde voor ‘Breseda’ (Briseïs); zie nog XIV, 28; XVII, 10; XXXIX, 15, e.e.
vs. 36 bestreden: aangevochten.
vs. 38 tonvreden: ongelukkig, gekweld.
vs. 44 na wtwys mijnder sinnen: zooals mijn verstand mij zegt? of is hier met sin de stok bedoeld?
|
[p. 22]
-
- want se mi oyt ghetrou heeft vonden. vs. 53
- dus biddic noch nader liefden graden, vs. 54
- 55
- [f. 16 r°] wilt haer mijn liefde te kennen gheuen,
- want haer liefde geeft mi therte vol wonden,
- mer als si wil, wort al verdreuen.
- wat batet ghesocht dan of ghescreuen,
- mach ic int eynde noch verwinnen,
- 60
- gheen lieuer en mocht ic noyt bekinnen.
|
vs. 54 graden: eig. trappen, en vandaar: geregelde opeenvolging, orde, regels; vgl. S. VIII, 54.
|
|
|