|
*
|
* 2. vroet, HA.: goet. 4. als - soet, HA.: na mijn leuen // vroet. 9. voet, HA.: goet.
|
[VIII] REFREYN
[houtsnede]
- [f. 16 v°] O Tyrannich werck ghi sijt dat my beuen doet, vs. 1
- maect mi naer screuen vroet vs. 2
- ende mi van sneuen hoet,
- tis recht dat ghi als nv mijn leuen soet
- met rechter ghenuechten,
- want ic des droefheyts draet weuen moet,
- mi heeft begheuen dbloet vs. 7/9
- dat mi was bleuen goet
- van haer die mi eens als verheuen voet vs. 9
- 10
- minde, dus mach ic wel suchten.
- haer sancs geruchten, haer eedel vruchten vs. 11
- in swerelts ghehuchten, auent oft nuchten, vs. 12
- duer die felle fortune sijn mi absent nv.
- al wil ic hope pluchten, tderuen doet duchten, vs. 14
- 15
- dus moet ic vluchten, si mach my niet luchten,
- si gaet van mi als onbekent nv.
- ghelijck fenijn ben ic haer ontwent nv, vs. 17
- com ic haer omtrent nv, ic en vinder geen vent nv, vs. 18
- ic en hebbe gheen rolleken tot haren spele:
- 20
- als ic haer omtrent ben isser een te vele.
|
vs. 2 naer screuen: ondergeteekende.
vs. 7/9 dbloet... van haer: eig. de maagschap van haar; hier wsch. alleen een omschrijving van: zij.
vs. 9 voet:? wsch. corrupt.
vs. 11 haer eedel vruchten: eveneens niet veel meer dan een omschrijving van het pers. vnw. (vgl. Mnl. Wdb. IX, 1443).
vs. 14 pluchten: volg. Mnl. en Ndl. Wdb. dial. vorm van plichten, hier echter eer van plegen: vgl. XXVI, 51 en vooral S. CXCVI, 37: ‘Die - dit werck wil pluchten’.
vs. 17 ontwent: van ontwenden, zich afhouden van - (Mnl. Wdb. VI, 1415).
vs. 18 ic en vinder geen vent: ik heb er geen succes, vind er geen aftrek; vgl. ABN. LXII, d, 2 vg.: ‘Ic wilt... gaen elders... Soecken mijn vente’.
|
[p. 23]
-
- *
- Si die mi can met haren gesichte dwingen vs. 21-28
- hoordick in dichte singhen
- [f. 17 r°] en met den ghewichte springhen
- aenden amoreusen dans liet sijt licht gehingen
- 25
- non fortse, al soudic mi int gerichte bringen
- ende mi slichte vingen, mijn gesichte sal mingen
- met haer die geern in venus gerichte gingen,
- van weke te weken, mer wat wil ic veel spreken,
- ic en machs niet wreken, dies mijn oghen leken
- 30
- tranen als beken,
- die lasen van haer niet ghetelt sijn.
- half ben ic besweken, thert dunct mi breken,
- si heuet duersteken met Venus treken, vs. 33
- dus moet ic nv in droefheyts velt sijn.
- 35
- soudic haer genaken, het most ghewelt sijn, vs. 35
- wat baten ist dat ict veel hele,
- want als ic haer omtrent ben isser een te vele.
-
- Och, si die mi bouen alle voorspoet spoyde, vs. 38
- bouen alle goet goyde, vs. 39
- 40
- duer haer mijn bloet bloyde
- en mijnen moet moyde, moet nv ghedaen sijn. vs. 41
- van trooste doen haren vloet vloyde vs. 42
- endic duer haerder salutacien groet groyde.
- [f. 17 v°] Ten mach niet meer bestaen zijn, vs. 44
- 45
- dies mijn ogen een traen sijn
- als kinderkens die geslaen sijn.
- ic moet verraen sijn, hoe soudic so saen sijn
- versteken van haer als die staen in baren. vs. 48
- hoe mach liefde so vergaen sijn,
- 50
- gheacht ghelijc een spaen sijn,
- si moet nochtans in mijn vermaen sijn, vs. 51
- mer machicker ontfaen sijn,
- gheen lieuer en vondic in hondert iaren.
|
* 24. HA.: Lieffelijck diuiseren liet sy lichte / gehingen. 27. gerichte (HA.), v. D.: gerichte.
vs. 21-28 Deze passage is duister en min of meer corrupt; er ontbreekt een vers. De gedachtengang is wellicht ongeveer: ‘Zij, die mij in haar macht heeft en wier liefde mij kwelt (‘met den ghewichte springhen’ is wellicht te vergelijken met ‘dblocxken sleypen’, XII, 13), is amoureus genoeg. Het kan mij niet schelen wat er met me gebeurt, maar ik zal tot hen behooren die in Venus' dienst staan. Maar wat praat ik? (Zij wil niet en) ik kan er niets aan doen.’
vs. 33 treken: listen, booze streken.
vs. 35 alleen met geweld zou ik haar kunnen genaken.
vs. 38 spoyde: begunstigde; vgl. S. CCXLVIII, 55.
vs. 39 goyde: begiftigde, weldaden bewees; vgl. S. LXXXIV, 84.
vs. 41 mijnen moet moyde: ik vatte moed (vgl. Mnl. Wdb. IV, 1774). - moet (2): moet het.
vs. 42 van trooste ... haren vloet: de overvloed van haar troost; vgl. XX, 44; LXXV, 82; CXL, 43, e.e.
vs. 48 versteken: verstoken. - staen in baren: eig. op de baar, boven aarde staan; hier dus: alsof ik (al) dood was?
vs. 51 si moet ... in mijn vermaen sijn: ik moet over haar spreken, kan niet van haar zwijgen.
|
[p. 24]
-
- mer lasen neen ic, vaet mijn verclaren,
- 55
- men macher niet paren, ic moet verharen, vs. 55
- ic en macher niet rusten op banck noch sele, vs. 56
- want als ic haer omtrent ben isser een te vele.
-
-
- Prince
- Na troost dat ic wel haken mach,
- want die ic te naken plach
- 60
- come icse niet ter spraken, ach, ic salt besteruen. vs. 60
- met eenen anderen ic haer waken sach,
- alsi int blaken lach en die si dede maken dach vs. 62
- van haerder liefden, die ic moet deruen.
- gheenen troost can ic van haer verweruen,
- 65
- dies lijdt mijn herte een bitter quellinghe,
- mer wildese mi in haer herteken eruen vs. 66
- [f. 18 r°] en troosten mi met haer suete conseruen, vs. 67
- niet achtende des nijders rellinghe, vs. 68
- so hieldic vruecht en gaef drucx quijtsceldinge,
- 70
- oft anders roepic met luyder kele:
- als ic haer omtrent ben isser een te vele.
[houtsnede]
|
vs. 55 men macher niet paren: men kan er niet genaken? (vgl. Ndl. Wdb.) XII, 481). - verharen: verdwijnen (Kil.: V e r h a e r d e n. vetus. Abire, discedere ... Dissipari); zie b.v. nog A. Bijns, Ref. blz. 244; 304; 318; S. C,34; CCXXXV,36.
vs. 56 sele: stoel, zetel (Kil.).
vs. 60 come icse niet ter spraken: kan ik ze niet spreken.
vs. 62 int blaken: in het vuur, den gloed (van het mingenot). - die si dede maken dach: wien zij rendez-vous gaf? Vgl. Mnl. Wdb. II, 6, en zie nog XCVII, 20; 23; CXLV, 45.
vs. 66 in ... eruen: een plaats geven (Mnl. Wdb. II, 729).
vs. 67 conseruen: een geliefkoosde rederijkersterm voor al wat goed of aangenaam is.
vs. 68 rellinghe: geklets, achterklap; vgl. A. Bijns, Ref. blz. 248.
|
|
|