|
[IX] Nadat inleiding en tekst al waren gedrukt ontdekte ik dat dit refrein ook voorkomt in de Conste der Minnen. De voornaamste varianten volgen hier.
1. lustich prieel, CM.: lieflyck lief. 2. in - noch, CM.: pensee, noyt. 3. mijn ogen sagen, CM.: en saghen mijn ooghen (terecht!). 4. desen, CM.: swerelts. 5. en, CM.: och. | |
[IX] REFREYN
|
vs. 1 prieel: vgl. III, 56.
vergier: boomgaard, lusthof. vs. 2 rosier: rozenstruik, beeld zoowel van Maria als van de beminde; vgl. XLIV, 50; S. CCXL, 4.
vs. 4 in desen pleyn: ter wereld.
vs. 5 greyn: puik (vgl. bloem), vaak van personen.
vs. 6 bijster doghen: hevig lijden.
|
|
* 15. sijs yet, CM.: yemant
21. ontbreekt. 23/24. in gheliken laste en in trouwen vaste verwisseld; beuaen, CM.: belaen. 27. ic ontbr. 29. die weerdighe, CM.: want ghy alleene. 32. ontbr. [Prince:] 1. lief duer, S.: lief; hemels: hemelsche. 2. lief - honich, S.: liefs lief by lief honighe. vs. 13 eenpaer: steeds.
vs. 14 nijders gront: eig. den aard der afgunstigen, hier verzwakt tot een omschrijvende aanduiding van de ‘nijders’.
vs. 16 ons minlic bewijs: de liefde die wij elkaar betoonen.
vs. 23 staen in gheliken laste: denzelfden last (nl. het ‘pak der minne’) dragen.
vs. 26 raste: rust, nl. der ziel, dus: bevrediging, voldoening.
vs. 28 ic trocke te maste tseyl: eig. ‘ik heesch mijn zeil’, dus: het zou mij voor den wind gaan. - vrame: vreugde.
vs. 31 naer u betamen: zooals u past, van u verwacht mag worden.
vs. 32 op dat: indien.
vs. 34 ciborie: eig. hostiekelk; vaak als aanduiding van Maria en ook van de liefste gebezigd; vgl. XXIV, 31; S. XLV, 46; CLII, 6; CCXLVIII, 10.
vs. 36 schoon oghen opslach: de beteekenisovergang zal wel aldus te verstaan zijn: waar men met vreugde de oogen op slaat: vgl. LXXII, 6.
De strophe na Prince is hier verdwaald; zij komt overeen met de vijfde str. van S. CLXXIV. |
|
* 3. als lief, S.: als liefs lief (evenzoo 4-8); na heeft: al.
7. mach, S.: can. 8. dan, S.: dhuere; daer ontbr. 9. lief zijn 1., S.: hij lieue. 10. die tr. moet, S.: moet die tranen. 11. verw. alleen, S.: wachtende allen een. Tusschen 12 en 13 bij S.: Ende lief liefs vruntscap heeft voer oghen. 14. dan ist so, S.: thes seer vs. 9 chiere: ofra. chiere, eig. vriendelijk gelaat, vandaar: goed onthaal.
vs. 11 Blijkbaar ietwat corrupt, vgl. de var. die ook niet zuiver is.
vs. 12 hem ... poghen: zich begeven, gaan.
vs. 13 niet wetende tversamen van hem been: niet wetende wanneer ze elkaar weer ontmoeten zullen.
|