|
*
|
* 9. gestichte, HA.: ghesichte. 11. ontvuecht, HA.: ontvreucht. 12. gebuecht, HA.: gheheucht.
|
[X] REFREYN
- A L ist dat liefde ter herten daelt
- ghelijc die sonne tgelas doorstraelt
- vander alderweerste, duer liefs ghesichte,
- dies dooge duert dooge therte betaelt vs. 4
- 5
- en in liefs ghesichte sijn honich haelt
- so die bye opt bloemken doet euen gedichte, vs. 6
- al ben ic gheraect duer der minnen schichte,
- so die cruyden biden douwe verhuecht sijn,
- al schinckic mijn herte, duer liefs gestichte, vs. 9
- 10
- verschiert met amoreusen lichte,
- dies mijn sinnen te meer ontvuecht sijn, vs. 11
- mijn woorden moeten met scaemten gebuecht sijn vs. 12-13
|
vs. 4 betaelt: tevredenstelt; de zin is: de (vriendelijke) blik (van de liefste) dringt door het oog in het hart.
vs. 6 so: zooals. - euen gedichte: telkens (Mnl. Wdb. 2, 1055).
vs. 9 liefs gestichte: een omschrijving van lief, vgl. Spieg. d. Minnen vs. 411/12: ‘Want lacen mijn maechdelijc ghestichte / Waer te snoode tot zijnen lichame puere’.
vs. 11 ontvuecht: eig. ontvoegd, uit hun verband gerukt; vgl. CXXX, 44; Spieg. d. Minn. vs. 1321; Hand. d. Amour. H 8 v°.
vs. 12-13 gebuecht zijn ter herten: eig. naar het hart afgeleid worden, dus: gesmoord, verzwegen. In vs. 13 is wsch. iets weggevallen; de zin moet ongev. zijn: mijn hart dat lijdt door dit verhelen.
|
[p. 27]
-
- *
- ter herten, met helen was duerspriet.
- al mochtic vertroost bi haerder duecht sijn,
- 15
- ende eewelic int palleys der vruecht sijn,
- ic en seyts haer om al die werelt niet.
-
- Soet pluymken hanct beuende inden wint, vs. 17
- [f. 20 r°] so beeft mijn tonge, dies therte sucht.
- duert woort te spreken van rechter meninge vs. 19
- 20
- dbloet climt int aensicht met volder vlucht,
- met vieriger begheerten die anxtelic ducht.
- dat sijt sal achten voor vercleninghe. vs. 22
- dwoort wil hem baren om troost verleninge vs. 23
- duert therte dwelc grief bequelen moet, vs. 24
- 25
- mer twijuel bringt mi sulcke vereeninghe vs. 25
- dies therte verflaut duer sulcke eeninghe vs. 26
- dat die tonge tsecreet des herten helen moet.
- blijtschap en druck dan ic beuelen moet
- der liefster, daermen solaes aensiet.
- 30
- al ist dat ic in drucke quelen moet
- en mijnen troost wt haren oochskens stelen moet,
- ic en seyts haer om al die werelt niet.
-
- Ic hebbe lieuer tgrijf te lijdene
- dan opt vierich serpent te rijdene
- 35
- der blasphemien, in reynder minnen.
- ic had lieuer teghen die doot te strijdene,
- soe mocht ic mi hopen te verblijdene,
- consticse met mijnder cracht verwinnen. vs. 38
- ic weet wel, therte sou ontsinnen,
- 40
- [f. 20 v°] waer ic versmaet en in mishagene.
- ic ben lieuer gheuangen in druckigen rinnen vs. 41
- duer tderuen mijns liefs, als hanen oft hinnen,
- dan de bespottinge mijns liefs te beclagene.
|
* 17. HA.: na wint: ende lucht. 26. eenighe, HA.: weeninge. 28. beuelen, HA.: beleuen.
vs. 17 wint: lees lucht, wegens het rijm (vgl. de var.).
vs. 19 om ronduit te zeggen wat ik meen.
vs. 22 vercleninghe: kleinachting, gebrek aan eerbied; vgl. b.v. V. Dis 287 vs. 832 en Erné 24, vs. 185; 37, vs. 591.
vs. 23 hem baren: zich vertoonen, te voorschijn komen.
vs. 24 duert: ter wille van het -. - grief bequelen: in smart verkwijnen.
vs. 25 vereeninghe: schrik, ontsteltenis; vgl. verenen (2de art.) Mnl. Wdb. VIII, 1706.
vs. 26 eeninghe: lees wsch. meeninghe.
vs. 41 rinnen: rennen (zie den volg. regel).
|
[p. 28]
-
- al ist grief secretelic quaet te draghene,
- 45
- tis beter nochtans dan een meerder verdriet,
- mer al pijnt Venus mi aldus te plaghene
- dies mi veel drucs staet te ghewagene,
- ic en seyts haer om al die werelt niet.
-
-
- Prince
- Si die de princesse mijnder herten keest is, vs. 49
- si die onwetens mijn confortacie is,
- si die een beschudt voor druckich tempeest is,
- si die mijn vruecht, mijn iubilacie is, vs. 52
- tot dat ic van trooste mach singhen een liet, vs. 53
- want hoe dat mijn imaginacie is
- 55
- ick en seyts haer om al die werelt niet.
|
vs. 49 keest: kern, pit; vgl. LVI, 81.
vs. 52 iubilacie: zinsverrukking, onuitsprekelijke vreugde. Tusschen vs. 52 en
vs. 53 is wsch. een regel uitgevallen, het syntactisch verband is althans verbroken.
|
|
|