|
*
|
|
[XI] REFREYN
Maer noyt so lief ten moste gescheyden sijn
[f. 21 r°] [houtsnede]
- VAlsche Fortune, o druck van smerte,
- o leprose wratte, o inwendich wee,
- o vloyende zee, hoe vloydi wt mijn herte.
- duer liefs absencie therte brect ontwee,
- 5
- o moordadighe plaghe, vol smertigher lee,
- o deruen, deruen, ic en weets gheenen raet,
- want mijn iuecht versmelt ghelijc den snee
- die duer tschijnsel der sonnen te nieute gaet.
- o doot, v bloedich sweert op mi slaet,
- 10
- lieuer steruen dan deruen is mijn begeeren.
- [f. 21 v°] Lieuer lijdic plaghen en daldermeeste quaet,
- dan ic liefs liefde sal moeten ontberen.
[p. 29]
-
- *
- o bloet mijnder herten, ic v verteren moet
- in ongenuechte mijn leuen lanc.
- 15
- ic en mach mijn oochkens niet vercleren, vs. 15
- noch mi vermaken in haerder stemmen clanc.
- moet ic nv scheyden tegen minen danc
- vander liefster eylaes, tis tegen natuere,
- dus een eewich suchten blijft mijnen sanck,
- 20
- metter tortelduue ic altoos truere.
- o lief alderliefste, o schoon figuere,
- noyt leeder en leedic onder der sonnen schijn; vs. 22
- mer noyt so lief ten moste gescheyden sijn.
-
- O scheyden, scheyden, alder hartste not,
- 25
- v sloester verrot valt bitter int smaken, vs. 25
- och moetic v craken dat claghic god,
- och och, en meer dan och, wat sal ic maken,
- o fenijnich dranc, valsch bloet van draken
- dat felle fortune mi nv doet drincken,
- 30
- want al plach ic te lijden, in slapen, in waken,
- therte verblide weder in haers oochkens wincken;
- al mostic lijden int ouerdincken
- van liefs liefde, ic verblide int liefs aenscouwen;
- [f. 22 r°] al mocht mi dlijden int herte sincken
- 35
- duert deruen, haer bisijn blust al mijnen rouwen.
- haer wesen is mijns lijdens vernouwen, vs. 36
- so verblijt mi therte wel duysent weruen vs. 37
- als icse mach spreken met rechter trouwen,
- duer haer woordekens van troost die ic moet deruen.
- 40
- van hope en troost sie ic mi onteruen,
- want mijn natuere en cans niet verdragen.
- och wee, wee, mochtic van drucke steruen,
- so soudic verlost zijn van deser plaghen;
- ic sterue sonder steruen, ic mach wel clagen
- 45
- dat ic liefs liefde drage int herte mijn,
|
vs. 15 vercleren: verhelderen.
vs. 25 sloester: bolster, schil; vgl. XCVI, 9.
vs. 36 vernouwen: verminderen, verkleinen.
|
[p. 30]
-
- *
- maer noyt so lief ten most gescheyden sijn.
-
- O scheyden, als ic v hore vermanen vs. 47
- bebloedighe tranen is mijn beste spijse. vs. 48
- ic volghe die ghijse en de natuere der swanen: vs. 49
- 50
- als haer de doot comt, singtse sanc van prijse.
- och een eeuwich claghen is mijn deuijse,
- duert deruen van haer, wat sal ic beghinnen,
- want al thoon ic ghenuechte met blider wijse
- altijt is trueren ter herten binnen.
- 55
- deruicse, so duchtic missen mijn sinnen,
- verweruicse, so stellic lijf en eere te pande;
- [f. 22 v°] deruicse, eewelijc sonder troost ghewinnen,
- so bliuic die catiuichste vanden lande,
- verweruicse, my mach naken grote schande;
- 60
- deruicse, ic ducht therte wil mi breken,
- dus sta ic sinneloos in Venus waerande
- met bernenden leden int herte ontsteken,
- wat sal ic doen, ic en weet swijgen oft spreken.
- ay lasen, sie icse noch voor mijn oghen
- 65
- en icse blijf deruende, tranen als beken
- sal ic haer noch wt liefden toghen.
- ooc sal ic nu van drucke moeten verdrogen
- dair liefde mi eens laefde bouen conserue of wijn,
- mer noyt so lief ten most gescheyden sijn.
-
-
- Princesse
- 70
- Van v te scheyden is my een hart gelach
- die noyt lieuer en sach onder shemels throne.
- druck heb ic te lijden, ist dach oft nacht,
- ic roepe o wach, o schoonste schone,
- och moet ic nv scheyden van uwen persone,
- 75
- so clagic dat ic oyt was gheboren.
|
* 48. bebloedighe, HA.: Die bloedige; beste: leste. 68. conserven, HA.: dranc.
vs. 48 bebloedighe: geen drukfout, want deze vorm komt meer voor (Mnl. Wdb. I, 603).
vs. 49 ghijse: manier, gewoonte; vgl. XX, 56; S. CLXIII, 9.
|
[p. 31]
-
- *
- o catiuighe wat maeckic in swerelts woene, vs. 76
- meerder ongeluc en quam noyt mensche te voren,
- den moet verflaut, ic gheeft tspel verloren,
- [f. 23 r°] want tegen moten ter werelt geen boet en vint; vs. 79
- 80
- och mocht ic versincken, versmachten, versmoren,
- waert mijnder sielen salich ic achtes en twint.
- och alle minners, siet dat ghi dus niet en mint
- als allendich metter mutsen doorreden, vs. 83
- wacht v voor die mutse en dat versint: vs. 84
- 85
- mint dat ghi behouden muecht, so blijfdi in vreden,
- want noyt meerder pijn mach sijn geleden
- dan te scheyden van lief daer liefde so groot is;
- ic weet wel, ic proeft opden dach van heden.
- hier mede adieu, die mijn leuen en doot is,
- 90
- adieu lief, tscheyden is bitterder dan fenijn,
- mer noyt so lief ten most gescheyden sijn.
|
* 79. moten ter w., HA.: moeten / men; boet: boeten. 85. mint ontbr. bij HA.
vs. 79 moten: moeten, vandaar: noodzaak, dwang.
vs. 83 metter mutsen doorreden: doorriden is eig.: doorsteken, doorboren (vgl. XIII, 12), de beeldspraak is dus wel wat gewaagd. Zij bewijst evenwel dat mutse geheel vereenzelvigd werd met: verliefdheid; de term komt dan ook in de 16de eeuw (en ook nog daarna) tallooze malen in deze beteekenis voor; zie b.v. nog XXVIII, 2; 46 vg; LI, 46; LVIII en LIX in hun geheel; S. CXII, 23; CLXXVII, 24. In het Ndl. Wdb. wordt het gebruik van dezen term niet verklaard; het meest voor de hand ligt het, aan de narrenmuts te denken: de verliefden worden immers vanouds als een soort van dwazen beschouwd. vs. 83. als: lees well. also.
|
|
|