[XII] REFREYN
|
vs. 2 gehuldich: getrouw, of: genegen, welgezind (S. CCII, 1).
vs. 4 menichfuldich: hier eenigszins vreemd, bet. blijkbaar: hevig, intens.
vs. 5 onuerduldich: wanhopig.
vs. 6 se slaat op hertekens.
vs. 8-10 Eurealus - Lucresiam: hoofdpersonen uit Aeneas Sylvius' kleinen roman De duobus amantibus historia (1441); Euryalus was een edelman uit het gevolg van keizer Sigismund, Lucretia een aanzienlijke gehuwde jonge vrouw uit Siena. Dit verhaal maakte zeer veel opgang (27 drukken in de 15de eeuw!) en werd vaak vertaald; een Nederl. vert. van vóór 1540 is niet bekend, maar heeft wsch. wel bestaan: Van Doesborch drukte ± 1515 een Engelsche vertaling (Nijh.-Kron. nr. 2240), en daar hij van verscheidene populaire boeken een Engelsche en een Nederl. uitgave drukte, is het aannemelijk dat dit ook bij dit boek het geval was, te meer daar Euryalus en Lucretia tot de vaakst genoemde gelieven behooren, niet alleen in onze refreinen (zie b.v. nog XVII, 11; XXXV, 48; XXXIX, 28; LVI, 66, enz.), maar ook in die van van Stijevoort en de z.g.n. Nieuwe Ref. van Anna Bijns. - als dorper gheladen enz.: Eur. kwam als korendrager vermomd bij zijn geliefde.
vs. 11 staet ... in staden: is welgezind, helpt; vgl. S. VIII, 51; CXLVII, stok.
vs. 13 al sleypense dblocxkens: het sleepen van het blok is een der vele beelden voor het verliefd zijn. Zie b.v. nog Hand. d. Amour. H. 8 r°, en Onze Taalt. III, 111; IV, 257.
vs. 14 Venus ianckerkens: spottend voor: verliefden; zie nog XIV, 54 en Ndl. Wbd. VII, 207. Van Doesb. drukte in 1516 een boekje ‘Van Venus Ianckers ende haer bedrijuen (Nijh.-Kron. 2115).
|
|
* 24/25. HA.: daer maken sy al haer vreucht ghemeyn // ontdeckende malcanderen haer liefde certeyn.
28. HA.: En meent de liefste te syn van truyken of Goelken. vs. 15 Vgl. met dezen stok ABN. XXX, d, 1: ‘Daer en mach maer eene int herte certeyn’, en XLII, d, 4: ‘Want daer maer eene int herteken en mach.’
vs. 17 ghespin der herten: vgl. Wap. Mart. 205: ‘gespin van minnen’. - Na herten is wsch. iets uitgevallen, waardoor stellinghe onbegrijpelijk wordt.
vs. 21 in muten: veilig bij elkaar, geborgen (vgl. Mnl. Wdb. IV, 2028).
vs. 25 swerelts fonteyn: vgl. Mnl. Wdb. II, 835; fontein krijgt in dergelijke verbindingen de bet. van: het (de) beste, heerlijkste.
vs. 31 bot wt Roelken: de bet. van deze uitdr. moet ongeveer zijn: je vischt achter het net, er valt niets te halen. Zie nog CLII, 44 en S. XII, 43; CCXXXV, 46, en vergelijk Mnl. Wdb. I, 1392, waar bot opgegeven wordt als: partij van een spel, of inzet; of moet men denken aan bot als in bot vangen, of als in bot vieren? In Hand. d. Amour. (I 4 r°) wordt tot een ongelukkig minnaar gezegd: ‘Ghy zijt gheacht als bot uyt roel’; zie ook R 2 r°.
vs. 43 sloechse... faelgiën: verloochende ze, werd ze ontrouw.
|
[houtsnede] |
vs. 45 baelgien: eig. rechtsgebied. Vgl. nog: Enen in baelgie hebben, iemand aan zijn snoer hebben (Oudemans I, 276).
vs. 47 Venus moet vervallen. Deze heele strophe is een beetje bedorven, maar de zin is toch wel te volgen.
vs. 51 in sijn bekinnen: binnen het bereik van zijn verstand.
vs. 53 te binnen sijn: eig. bekend zijn met -; hier: beschikken over -.
vs. 56 machtich hoort wsch. bij het voorafgaande.
vs. 57 melodie: gebezigd ter aanduiding van al wat aangenaam, liefelijk en schoon is; zie b.v. nog XLII, 23; XLIV, 16; XLVII, stok; S. XXXVIII, 6. Het gebruik wordt nog door De Bo vermeld.
|